De toekomst van toerisme in Parijs

On 23 oktober 2019, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Les Paris de François Mitterrand (1985) van François Chaslin:

Afbeeldingsresultaat voor eric fischer paris tourism wikipedia

Bron: Wikipedia, Eric Fischer

Afgelopen jaar bezochten circa veertig miljoen toeristen de stad Parijs. Daarvan waren 18 miljoen internationale toeristen die in de Franse hoofdstad overnachtten. Na de verbouwing in 1989 werd het Louvre de belangrijkste toeristische attractie: 10 miljoen in 2018. Op plaats 2 prijkt de Eiffeltoren: 7 miljoen bezoekers. Iedereen volgt dezelfde route: van de Notre Dame naar de Tour Eiffel (zie kaart). Gelukkig heeft Parijs de stromen toeristen weten af te leiden zoals naar La Défense, waar jaarlijks circa 8 miljoen toeristen verblijven en winkelen, met als belangrijkste bezienswaardigheid het uitzichtterras bovenop La Grande Arche. De belangrijkste ingrepen in het toeristische landschap van Parijs van de afgelopen jaren waren echter de ontwikkeling van Parc de la Villette in het noorden en Disneyland Parijs in het oosten. De eerste resulteerde in een prijsvraag voor het ontwerp van een modern park op de terreinen van een voormalig abattoir in het arme deel van Parijs, in 1983 gewonnen door Bernard Tschumi. Aanvankelijk was afleiding van toerisme hier geen oogmerk, maar gaandeweg werd het park van 55 hectare ook bij buitenlanders erg populair. Tegenwoordig bezoeken liefst 10 miljoen mensen La Villette – dat is evenveel als het Louvre, meer dan La Défense.

De allergrootste ingreep echter was de vestiging in 1992 van Disneyland Parijs aan de oostkant van de agglomeratie, op een afstand van 35 kilometer van het stadscentrum. Met ruim 14 miljoen bezoekers op bijna 2000 hectare is dit tegenwoordig het grootste attractiepark van Europa. Vorig jaar maakte de eigenaar bekend nog eens 2 miljard euro te willen investeren in uitbreiding met onder andere een congrescentrum. Het park telt inmiddels zeven hotels met in totaal 5800 kamers. Omstreden was het vanaf het begin, maar niet omdat het toerisme zou aanwakkeren. De Fransen vreesden voor hun eigen cultuur. Hebben Disneyland Parijs en Parc de la Villette het toerisme verder doen groeien? Minder werd het zeker niet. Maar is Parijs niet van zichzelf al een bijzondere toeristische bestemming die nauwelijks is te weerstaan? Stel dat er elders in de metropool geen aanbod bij was gekomen, was de druk op het centrum dan niet ondraaglijk geworden? Wat de toevoegingen vooral hebben gedaan is de druk afleiden naar elders. En nieuwe groepen aan zich binden. Desondanks blijft de Franse hoofdstad alert. De Olympische Spelen van 2024 spelen zich af in het arme Saint Dénis, zeven kilometer noordelijk van het centrum. Een nieuw metrostelsel is in aanbouw dat de luchthavens met de buitenwijken verbindt. Toerisme in Parijs is sinds jaar en dag óók een stedenbouwkundige opgave.

Tagged with:
 

Revolutie staat voor de deur

On 19 oktober 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Van Goghmuseum te Amsterdam op 17 oktober 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor millet zaaier van gogh museum

Terwijl het boerenprotest aanhoudt en de trekkers opmarcheren naar Den Haag, breng ik een bezoek aan het Van Goghmuseum in Amsterdam. Is dit toeval? Op het Museumplein is sinds 5 september een tentoonstelling te zien over het werk van Jean-François Millet (1814-1875), de Franse schilder die Vincent van Gogh en veel tijdgenoten hevig inspireerde. Millet schilderde boeren, zaaiers, schoffelaars, schapenscheerders, hooimijten, ik zag het landleven zoals Millet dat destijds aantrof onder de rook van Parijs. Of toch niet. Industrialisatie eiste midden negentiende eeuw al zijn tol, dat kun je hier en daar bespeuren. Geen pastorale idylle schilderde hij, dat is zeker, eerder een soort van eerlijkheid, eenvoud, hard zwoegen, ploeteren, zweten, uitrusten, bidden, realisme, volgens tijdgenoten hemelde Millet armoede op. Was hij een revolutionair? Eerder was het empathie van een boerenzoon. Maar wat een ongelooflijk mooi schilderij, dat ‘Het Angelus’, doorgaans alleen te zien in Parijs. Het is een fortuin waard. Twee biddende mensen op een kale akker. En dan die ‘Man met hak’, hij lijkt uitgeput. Of wat te denken van ‘Arenlezers’? Dalende graanprijzen maakten dat de arme vrouwen voor hun rapen moesten gaan betalen. Het zijn stuk voor stuk sobere, monumentale werken. Millet vond het platteland rond Parijs prachtig. Ik denk dat Van Gogh hem gelijk gaf en twee jaar na aankomst de Franse hoofdstad ook de rug toekeerde.

Op de schilderijen zocht ik naar tekenen van hoop. Die vond ik in de zaaier uit 1848. Voor Millet, zelf boerenzoon, was de zaaier een Bijbelse figuur die vroomheid uitstraalde, die leven gaf, die met de seizoenen leefde in een eeuwige cyclus van geboren worden en weer sterven, zijn zaaien staat voor eeuwige wederkeer, schenkt hoop. Want Millet was niet alleen boerenzoon, hij was een academische schilder uit Parijs die zijn werk exposeerde op de jaarlijkse Salons, waar Baudelaire juist het heroïsme van het alledaagse leven predikte. En daar gebeurde het: de revolutie van 1848. Arbeiders kwamen in opstand tegen de koning. De koning vluchtte. Louis Napoleon komt aan de macht. Millet vertrekt uit Parijs en zoekt zijn heil op het platteland van Barbizon. Daar schildert hij de zaaier. Dat doek is vol symboliek, realisme, het is Bijbels, Homerisch, maar de stijl is tegelijk ruw, grof, haast bruut. Revolutiekunst is het. Anno 2019 kun je je dat gewoon niet meer voorstellen. Het Angelus klinkt allang niet meer. Het huidige platteland, dat is grotendeels ontgonnen, ontwaterd, uitgeput, verwoest, vergiftigd, platgespoten, ontheiligd, van insecten ontdaan. In Amsterdam protesteert Extinction Rebellion. Revolutie staat voor de deur. Nog te zien tot en met 12 januari 2020.

Tagged with:
 

Een tsunami van cultuurtoerisme

On 1 juli 2019, in cultuur, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 29 juni 2019:

Afbeeldingsresultaat voor louvre delacroix

 

Maandag 27 mei 2019 gingen medewerkers van het Louvre in staking. Circa 150 stafmedewerkers legden het werk neer uit protest tegen ontslagen en kortingen, terwijl de werkdruk in het beroemde museum alleen maar toeneemt. Afgelopen zaterdag bereikte het nieuws ook Het Parool. In 2018 bezochten liefst 10,2 miljoen toeristen het Franse topmuseum. Dat was een groei van liefst 20 procent sinds 2009. Niet slechts laagwaardig toerisme, maar ook het elegante cultuurtoerisme van de hogere middenklasse blijkt niet alleen in Parijs, maar volgens de krant wereldwijd ‘geëxplodeerd’. Bezoekers aan musea als het British Museum in Londen en het Louvre in Parijs komen in meerderheid uit het buitenland, bepaalde kunstschatten in deze musea zijn uitgegroeid tot regelrechte symbolen van de steden die mensen willen bezoeken. Daar zit geen marketingcampagne achter, dat doen de mensen zelf, via selfies die ze de hele wereld over sturen. Vooral Azië loopt daarin voorop. In Het Parool stond dat vrijwel alle grote musea bezig zijn met onderkeldering of ophoging, of met de bouw van compleet nieuwe vleugels. Dat lijkt me overdreven. Het geldt trouwens niet voor de musea in Zwolle, Maastricht of Groningen. Tenzij daar blockbusters worden georganiseerd, blijft drukte daar achterwege. Wat weinig vermeld wordt, is dat de museale bouwwoede door toeristengekte plaatsvindt in een beperkt aantal musea. Overigens, het is in het Louvre op maandag altijd extreem druk omdat musea elders in de stad dan gesloten zijn.

De museumstaf in het Louvre slonk de afgelopen jaren met meer dan 7 procent, die van de bewaking zelfs met 18 procent. Waarom is dat zo? Erger nog is dat het personeel regelmatig door bezoekers schijnt te worden uitgescholden. Wat ik nergens las is dat in 2018 de uitzonderlijke tentoonstelling over het werk van de Franse schilder Eugène Delacroix alle records van het Louvre wist te breken en dat dit evenement voor een belangrijk deel schuldig is aan alle ophef. Recensenten raakten in extase. Als er één tentoonstelling was die men in zijn leven niet mocht missen, dan was het deze, schreef er een. Niemand wilde deze inderdaad missen. En dan nog iets: het Ministerie van Cultuur bevindt zich recht tegenover het Louvre, dus de stakers vonden de verantwoordelijke minister maar al te gemakkelijk. Daar stonden ze, op het plein van Palais Royal. Maar nu komt het: de groei van het bezoekersaantal in het Louvre verhoudt zich slecht met die van de andere topmusea in de wereld. Daar doet zich namelijk nauwelijks groei in bezoekersaantallen voor. Althans dat las ik op CNN. Elders ving ik geluiden op dat het gebruik van de museumjaarkaart in Nederland terugloopt. Dus Het Parool maakte afgelopen zaterdag een vlammend artikel van liefst vier pagina’s, maar het was ophef om niets. Maar wel heerlijk om weer eens te waarschuwen voor een tsunami van Indiase en Chinese toeristen. Naar Amsterdam.

Tagged with:
 

Alles te danken aan Londen

On 7 mei 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in de Tate Britain te Londen op 25 april 2019:

Afbeeldingsresultaat voor vincent van gogh tate london

Bron: Tate Britain London

Vincent van Gogh woonde bijna drie jaar in Londen. Over die Londense jaren zag ik een interessante tentoonstelling in het Tate Britain. De jonge Van Gogh arriveerde in de Britse hoofdstad in mei 1873. Toen hij de stad de rug toekeerde was het 1876 en was hij drieëntwintig jaar. Zijn volgende bestemming was Parijs, waar hij opnieuw twee jaar zou blijven. Echt schilderen deed hij in Londen nog niet. Hij werkte voor een kunsthandel en woonde aanvankelijk in een voorstad, toen in Brixton, nog weer later in Kennington. Korte tijd was hij onderwijzer in Ramsgate, even nog speelde hij dominee. De kunsthandel plaatste hem over naar Parijs. Voor een Brabantse jongen uit Zundert lijkt me dat een hele ervaring, ook al had hij even daarvoor gewoond in Den Haag. De tentoonstelling in de Tate bleek een nauwgezette kunsthistorische analyse van de Londense jaren van de Hollandse schilder, die later pas in het zuiden van Frankrijk zijn bestemming zou vinden. Op 37-jarige leeftijd pleegde hij zelfmoord. Weinig is er bekend over de Londense jaren. Nu las ik ineens Engelse brieven en zag ik Engelse boeken geschilderd op doeken die hij later in Frankrijk zou maken: boeken van Charles Dickens, George Elliott en Harriet Beecher-Stowe: sociaal bewogen literatuur die Van Gogh kennelijk graag tot zich nam.

Voor de vorming van de schilder waren de vijf jaren in de grootstad klaarblijkelijk van groot belang. Hij ging er lezen, leerde goed kijken, begon kunst te genieten, oefende het schilderen, kocht prenten, probeerde die te verkopen, was gefascineerd door de metro, de publieke parken, de grootstedelijke dynamiek, werd zelfs op een meisje verliefd. Uitgerekend Londen was destijds de plek waar prenten op grote schaal werden gedrukt en verhandeld. Op de tentoonstelling te zien waren de vele schitterende prenten van Gustave Doré die Van Gogh kennelijk gretig had verzameld en waarvan hij sommige scherp natekende of naschilderde. Die ene van de achterbuurten van Londen met de stoomtrein die op de achtergrond over de huizen denderde herkende ik natuurlijk meteen. Ineens bekroop me het gevoel dat Van Gogh juist in Londen depressief moet zijn geworden door de mist en de rook, het grauwe weer in het industriële, steenkoolgassen uitblazende monster, en door de armoede tegenover de extreme rijkdom daar op het eind van de negentiende eeuw. Zelfs Parijs was hem later te somber. De man vluchtte naar het zonnige zuiden, waar hij als een bezetene begon te schilderen. Die laatste prachtige, kleurrijke doeken hebben we aan hem te danken. Zou hij Londen of Parijs hebben gemist? Ik heb zijn brieven nooit gelezen, maar ik waag het te betwijfelen. Toch had dit grote genie alles aan de twee dampende metropolen te danken. Dat besef je als je in de Tate Britain staat. Nog te zien tot 11 augustus 2019.

Tagged with:
 

Vlucht uit het kapitalisme

On 22 januari 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Van Goghmuseum te Amsterdam op 4 januari 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor kaart reis gauguin parijs panama martinique

Bij de ingang van de tentoonstelling in het Van Goghmuseum te Amsterdam, begin dit jaar, was een reusachtige kaart te zien van de bootreis die Paul Gauguin en Charles Laval in 1887 maakten van Parijs via Panama naar het eiland Martinique. Er verscheen zelfs een atlas bij de tentoonstelling. Tot dan had ik geen idee waar Martinique ligt. Het ligt in de Cariben. De beide Franse schilders ontvluchtten het decadente Parijs, namen een stoomboot, op zoek naar tropische natuur en naar een primitieve samenleving. Wat ze aantroffen was een Frans-koloniale samenleving van grote suikerplantages rond de hoofdstad Saint Pierre; Saint-Pierre werd ook wel ‘het Parijs van de Cariben’ genoemd – een stad waar Franse artiesten graag kwamen overnachten in luxueuze hotels. Hoezo primitief? Maar de berooide Gauguin en Laval streken zuidelijker neer, aan een strand, waar ze vier maanden lang in een verlaten slavenhut verbleven. In de armoede zochten en vonden ze het paradijs, net zoals de Amerikaanse schrijver Henri David Thoreau dertig jaar eerder in zijn hut aan Walden Pond het paradijs meende te vinden. Gauguin echter werd al snel ziek en moest naar Europa worden gerepatrieerd. Een vriend stuurde hem geld. Zo kon hij de terugreis betalen. Best een treurig verhaal eigenlijk. Daar terug in Parijs ontmoette hij trouwens Vincent van Gogh.

Stel je voor dat Gauguin niet voortijdig naar Parijs was teruggekeerd, dan had hij Van Gogh helemaal nooit ontmoet. Want Van Gogh – ook een armoedzaaier – bleef zeker niet lang in Parijs. Als snel vertrok de Nederlandse schilder naar Zuid-Frankrijk, op zoek naar het exotische Japanse landschap met zijn heldere licht en kleuren, waar hij als kwartiermaker dacht te fungeren voor een te stichten sekte onder leiding van de ‘boeddhistische monnik’ Gauguin. Wat bewoog deze getalenteerde mensen om Parijs de rug toe te keren? Was het decadentie? Nee, het was anders. Erg mooi vond ik het schilderij ‘Coming and Going’. Het toont een landschap met een grote boom waar herders en hun geiten beschutting tegen de zon zoeken en waar vrouwelijke sjouwers zich een weg banen over smalle paadjes. Het landschap oogt idyllisch, als een arboretum, de boom lijkt zelfs boeddhistisch. Je ziet Nirwana. Gauguin hield het schilderij zijn hele leven bij zich. Daarna kwam het in het bezit van een Britse adellijke familie die het uitsluitend voor zichzelf hield. Pas na 1979 is het voor het publiek te bewonderen. Ik denk dat Gauguin vluchtte voor de moderniteit en dat hij in het primitieve van Martinique de zuiverheid zocht die in het industriële kapitalisme verloren was gegaan. Van 1873 t0t 1896 verkeerde de westerse wereld in een economische crisis die volgde op een periode van extreme groei. Iedereen was pessimistisch. Dit kwam nooit meer goed. Maar de cruciale ontmoeting tussen Gauguin en Van Gogh vond plaats in de Franse metropool, in het hart van het industriële kapitalisme. Hoeveel zou ‘Coming and Going’ nu waard zijn?

Tagged with:
 

Wonen aan de metro

On 8 december 2018, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Localfrance van 18 mei 2016:

 

Twee jaar geleden publiceerde StreetPress en verhuurder Rentswatch in Parijs een kaart waarop de gemiddelde vierkantemeter-prijzen van woningen per metrohalte in de Franse hoofdstad stonden aangegeven. Rentswatch analyseerde duizenden woningen met huur- en verkoopprijzen over een periode van zes maanden, afgeleid van het Franse Funda, makelaarskantoren en informanten. De prijsindicatie op de kaart geeft telkens het bedrag weer dat men maandelijks moet betalen voor een flat van 35 vierkante meter binnen een straal van 500 meter rond het metrostation, sociale woningbouw niet inbegrepen. Zeer handige en ook verhelderende kaart moet ik zeggen. De allerduurste plek om te wonen in Parijs is de buurt rond halte Bir-Hakeim, vlak bij de Eiffeltoren. Een klein flatje kost daar per maand al snel 2.150 Britse pond. En het goedkoopst? Dat is La Courneuve-8 mei 1945, daar betaal je ‘slechts’ 480 Britse pond per maand voor 35 m2. Hoe verder naar buiten, hoe goedkoper het wonen in Parijs wordt. Allicht.

Uit de kaart blijkt dat je soms een paar haltes verder buiten het centrum gemiddeld al honderden ponden per maand minder aan woonlasten betaalt. Bijvoorbeeld Concorde. Daar betaal je op dit moment al snel 1.610 Britse pond per maand. Maar ga je slechts één halte verder in welke richting dan ook, dan daalt de gemiddelde koopprijs ineens met 500 pond maandelijks. Afgelopen zomer logeerden wij aan het Bassin de la Villette in het 19e arrondissement. Dat is vlak bij Jaurès. Een appartementje van 35 m2 kost daar volgens de kaart 940 Britse pond per maand. Eén halte verder naar het oosten (Laumière, Bolivar) scheelt mooi 100 pond in de portemonnee. Eén halte naar het westen of zuiden blijkt echter 50 tot 70 pond duurder. Soortgelijke kaarten als die voor Parijs, zijn ook gemaakt voor Berlijn en München. Ook Amsterdam wordt steeds duurder. Koopprijzen verschillen per buurt. Die verschillen kunnen flink oplopen. Nu er eindelijk een Noord/Zuidlijn rijdt is de vraag: wanneer komt Amsterdam met zo’n kaart?

Tagged with:
 

‘Het leven van mijn tijd’

On 11 november 2018, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘4321’ (2017) van Paul Auster:

Afbeeldingsresultaat voor 4321 auster

Pas op het einde van de nieuwste roman van Paul Auster wordt duidelijk wie de echte Archibald Ferguson is. Van de vier parallelle levens van de opgroeiende jongen aan de Amerikaanse oostkust blijkt de laatste, nummer 4, degene te zijn die de roman uiteindelijk schrijft. Hij is de Archibald die creatief is, die veel schrijft en die graag beroemd wil worden. De andere Archibalds besluiten een andere weg te gaan, hun drie levens zijn door nummer 4 verzonnen. Hun levens wijken ook steeds meer af van de oorspronkelijke Archi en sterven bovendien allemaal te vroeg. Alleen de echte Archi Ferguson blijft over. Meer dan ooit gaat deze vuistdikke roman van de Amerikaanse schrijver Paul Auster over toeval in het leven. Of eigenlijk gaat deze bildungsroman over de stad New York, ze is een lofzang op complexiteit. Want ofschoon hij geboren wordt in een eenvoudig joods gezin in Newark, steekt de hoofdpersoon al op jonge leeftijd met zijn vrienden de Hudson over om in New York hun geluk te beproeven. “Compactheid, immensiteit, complexiteit, zoals Ferguson het eens zei toen hem gevraagd werd waarom hij de stad boven de voorsteden verkoos, een gevoel dat door de vijf leden van zijn groepje gedeeld werd,” waarop alle vijf besloten om in New York te gaan studeren.

Ook elders in de roman wordt afgerekend met de provincie. Rochester in het noordwesten van de staat New York is een stad in een krimpregio waar hij in een van zijn levens verzeild raakt om er een journalistieke carrière te beginnen, maar er valt daar weinig te beleven. Het leven is er te eenvoudig. Nog voordat hij besluit om naar New York terug te keren sterft hij als gevolg van een brand in het verlopen huis waar hij woont door een sigaret van zijn werkloze benedenbuurman. En zijn studie aan Princeton in een ander leven wordt door het verlies van een beurs al na één jaar afgebroken, waarna hij zijn studie afmaakt in New York. Het vertrek van zijn vriendin Amy naar San Francisco in weer een ander leven kan hem niet verleiden om mee te gaan naar de westkust. Terwijl zij hem brieven schrijft over de Summer of Love, haar Hof van Eden, schrijft hij haar terug: “Zo te horen heb je er de tijd van je leven. (…) Ik heb hier in New York het leven van mijn tijd.” In weer een ander leven maakt hij een kort uitstapje naar Londen om zijn uitgever te ontmoeten. Bij het oversteken van de straat wordt hij overreden door een auto. “De goden keken vanaf hun berg naar beneden en haalden de schouders op.” De roman eindigt in 1974, als nummer 4 besluit naar Parijs te vertrekken. “De volgende vijfenhalf jaar woonde hij in een tweekamerflatje in de rue Descartes in het vijfde arrondissement, gestaag werkend aan zijn roman over de vier Fergusons, die tot een veel dikker boek uitgroeide dan hij zich had voorgesteld, en toen hij op 25 augustus 1975 het laatste woord schreef, omvatte het manuscript uiteindelijk een totaal van elfhonderddrieëndertig met dubbele regelafstand getypte pagina’s.” Ach ja, New York. En ook Parijs.

Tagged with:
 

Perimeter Parijs

On 29 oktober 2018, in landschap, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 22 oktober 2018:

Gerelateerde afbeelding

Interessant artikel in The New York Times van afgelopen week. David McAninch, auteur van onder andere Duck Season, maakte een wandeling door de buitenwijken van Parijs. In ‘A new view of Paris: From the perimeter’ beschrijft hij een zesdaagse trektocht in mei 2018 buiten de platgetreden paden van de gemiddelde Parijse toerist, in een wijde boog, tot soms ver buiten de Périphérique, want hij liep tegen de klok in. De lichtstad met zijn monumenten vond hij al te bekend, te mooi en klassiek, terwijl hij nieuwsgierig was naar de randen. Daarom begon de Amerikaan vanuit zijn hotel bij Porte Dorée in noordelijke richting te lopen, wandelde vervolgens in zes dagen tijd 35 mijl door een rommelige stedelijke agglomeratie van net iets minder dan 10 miljoen inwoners. Tot zijn verbazing is de periferie van Parijs veel gevarieerder dan hij dacht. Naast de beruchte banlieus met hun dichte migrantenenclaves trof hij voormalige industrieterreinen met hippe lui en creatieve bedrijven, galeries waar graffiti en moderne kunst werd verkocht, dure bastions voor rijke stedelingen, mooie slaperige dorpjes en uitgestrekte parken en ook bossen. Zijn conclusie na een dag wandelen: de randen van Parijs hebben de afgelopen eeuw vooral dienstgedaan als een groot laboratorium voor vette en soms ronduit absurde architectuur. Zoals het Centre Nationale de la Danse uit 1972 of het twee jaar oude M6B2 op de rand van het 13e arrondissement.

Niet elk onderdeel vond hij even opwindend. Vooral op zijn route van St Dénis in het noordoosten in westelijke richting tot aan zakencentrum La Défense viel hem tegen. Google Maps loodste hem hier langs saaie boxen en dozen die zich eindeloos aaneen leken te rijgen. Gelukkig belandde hij de volgende dag in Bois de Boulogne. Daarna volgde het zuiden, dat hij bereikte via uitgestrekte rangeerterreinen met kampementen vol vluchtelingen en Roma’s; hun vuren en tenten deden hem denken aan de foto’s van Atget. Montreuil zou het Brooklyn van Parijs zijn en, inderdaad, er klonk muziek en er was veel jong en trendy volk op de been in een klein parkje vlak achter het stadhuis. Sommige muziekwinkels deden hem denken aan de East Village in de jaren 1980, maar dan schoner. En zo gaat het maar door. Mooi ook de laatste zin als hij een taxi instapt om vermoeid terug te keren naar zijn hotel: “As the driver eased onto the Périph, flowing smootyhly at this late hour, I had the thought that the highway, which I’d crossed over and under so many times on my walk, no longer felt like much of a barrier at all.” Zijn tocht deed me denken aan ‘Schuifgroen. Een wandeling langs de grens van Amsterdam’’ (2003) van Herman Vuijsje. Socioloog en wandelaar Vuijsje zocht destijds het perifere groen op, dat hij steeds verder zag opschuiven naar buiten. McAninch is niet bang voor de grote stad. Hij maakt het centrum groter. Dat is de èchte emancipatie van de periferie. Wordt dit een trend?

Tagged with:
 

Metropolitaan onvermogen

On 7 september 2018, in bestuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Paris, métropole introuvable’ (2017) van Christian Lefèvre:

Afbeeldingsresultaat voor christian fefevre paris metropole introuvable

Deze week een inspiratiecollege gegeven aan studenten Urban Management van de Hogeschool van Amsterdam over de metropool Amsterdam bezien vanuit het mondiale. De andere bijdrage, van Martin van der Maas, ging over Amsterdam en haar bewoners. De laatste klonk vertrouwd in de oren, de eerste bleek vrijwel onbekend. Dat is ook niet zo vreemd. Amsterdam ziet zichzelf niet als onderdeel van de grote wereld, denkt hoofdzakelijk lokaal, positioneert zich regionaal of nationaal, en zelfs vaak dat niet. Dat probleem deelt ze met Parijs. Deze zomer las ik er een boekje over. In ‘Paris, métropole introuvable’ beschrijft Christian Lefèvre hoeveel moeite het de Franse hoofdstad kost om internationaal te denken en zichzelf als wereldstad te positioneren en te besturen. Parijs, met 12 miljoen inwoners, is een absolute ‘Global City’, maar het lokale bestuur is daartoe allerminst geëquipeerd. Anders dan Londen of New York opereert Parijs bijna provinciaals, is het bestuur sterk naar binnen gekeerd, ziet het zichzelf hoogstens als een van de ‘stedelijke regio’s’ in nationaal verband. De aansluiting bij de rest van de wereld weet de Franse metropool maar niet te leggen. Lefèvre, die hoogleraar is aan de Ecole de l’Urbanisme te Parijs, verbaast zich hierover en beschrijft hoe de afgelopen twintig jaar een notie van globalisering het Parijse stadhuis via de achterdeur binnendrong.

In het hoofdstuk ‘Une métropole peu préparée à la globalisation’ laat Lefèvre zien hoe bijna tegen beter weten in Parijs in de Tweede Wereldoorlog tot een machtige mondiale speler uitgroeide. Jarenlang probeerde de  Franse regering aan de hoofdstad overheidsmiddelen te onthouden, die ze elders in het land besteedde. Vanaf 1955 werden zelfs bedrijven aangemoedigd om zich niet in Parijs te vestigen. Parijs had tot 1977 ook geen burgemeester. Lefèvre spreekt van straffen: Parijs moest worden gestraft voor haar dominante positie en haar arrogante gedrag. Elders heeft hij het over het ‘in de steek laten’ van Parijs. De burgemeester van Parijs, illustreert hij met een fraai citaat, moest zich niets verbeelden; hij was net zo’n burgemeester als al die andere burgemeesters. Lefèvre laat zien hoe vanaf 2000 hierin verandering komt. De president van de republiek, Nicolas Sarkozy, begint Parijs te zien als een troef in het spel van mondialisering. Maar ook dan wordt ze door de staat gebruikt. Elke poging van de Parijse regio om een eigen bestuur op te tuigen wordt door de president en zijn opvolgers getorpedeerd. De macht van Parijs moest hoe dan ook worden gebroken. Het politieke steekspel rond Parijs, concludeert Lefèvre, heeft een interne cultuur opgeleverd die slecht bestand is tegen het proces van mondialisering. Zeker op het niveau van Ile de France is er geen collectieve autoriteit. Met alle gevolgen van dien. In Amsterdam is het niet anders.

Tagged with:
 

De gentrificatie van Parijs

On 29 augustus 2018, in boeken, politiek, sociaal, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Sociologie de Paris’ (2014) van Michel Pinçon en Monique Pinçon-Charlot:

Afbeeldingsresultaat voor sociologie de paris pinçon charlot

Elegant boekje van het sociologenechtpaar Pinçon over de gentrificatie van Parijs. Het origineel stamt uit 2004, een herziene druk zag het licht in 2014. Ik las het afgelopen week tijdens mijn verblijf in het 19de arrondissement. Beide echtelieden zijn verbonden aan het Centre National de Recherche Scientifique (CNRS), Michel doet er onderzoek naar arbeiders, Monique naar stedelijke gentrificatieprocessen. Pinçon steunt openlijk het linkse kamp van Jean-Luc Mélenchon. Het boekje is elegant omdat het de sociale stratificatie van Parijs helder uiteenzet langs historisch-geografische lijnen. De segregatie van Parijs is al heel oud. De verburgerlijking van Parijs die in het boekje wordt beschreven is echter nieuw. Eeuwenlang was Parijs overwegend een arme en revolutionaire arbeidersstad, de rijkdom was er altijd geconcentreerd in het westelijke deel. Nu raakt de hele stad – althans binnen de contouren van de rondweg – de Périphérique – zwaar gegentrificeerd. Het centrum wordt zelfs extreem rijk, met buurten bestaande uit overwegend pieds-à-terres van chique lui uit de hele wereld. Tegelijkertijd proletariseren en verkleuren de buitenwijken buiten de ring, dus het contrast wordt steeds groter. De snelle verburgerlijking van Parijs wordt voortgestuwd door de komst van zogenoemde ‘bobo’s’: bourgeois-bohèmes, dat zijn jonge stedelingen overwegend werkzaam in de creatieve industrie. Alleen het 19e en 20ste arrondissement in het noordoosten rond het Bassin de la Villette, waar ik verbleef, blijven hardnekkig weerstand bieden.

Het echtpaar verbaast zich over het feit dat Parijs ondertussen politiek steeds linkser stemt. Parijs stemde altijd juist rechts, maar sinds 2001 ontstaan er lokaal voortdurende linkse meerderheden. Ze brengen dit in verband met het feit dat de nieuwe bourgeois-bohèmes overwegend linkse sympathieën koesteren. Ze denken dat het te maken heeft met de gelijktijdige toestroom van arme migranten, want Parijs oefent ook grote aantrekkingskracht op hen uit. Die confrontatie is voor jonge mensen moeilijk te verdragen. Jonge stedelingen die de arbeidersbuurten, de fabrieken en de oude cafés juist zo aantrekkelijk vinden en die zelfs heimwee hebben naar de Parijse revoluties van 1968 en 1871 (de Commune), lijken met een heus schuldgevoel te kampen. Misschien, schrijven de echtelieden, kopen deze zelfbenoemde erfgenamen van de linkse revoluties hun schuldgevoel af door links te stemmen. Want tegelijk zijn ze voor economisch liberalisme. Het is als: wij werken hard en willen feest vieren; laat de gemeente voor de armen zorgen. Dat is wat je in Parijs op straat ook ziet: jonge feestvierders gecombineerd met gemeentelijke reinigingsdiensten, gemeentelijke voedselbanken, gemeentelijke opvanghuizen. Het viel me vooral op in mijn 20ste arrondissement: verslaafden en vluchtelingen mengden zich met jonge stedelingen op een door de gemeente georganiseerde ‘Paris Plage’. Het beeld wijkt overigens sterk af van de rest van Frankrijk. Ook dat verschil wordt steeds groter.

Tagged with: