Alles te danken aan Londen

On 7 mei 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in de Tate Britain te Londen op 25 april 2019:

Afbeeldingsresultaat voor vincent van gogh tate london

Bron: Tate Britain London

Vincent van Gogh woonde bijna drie jaar in Londen. Over die Londense jaren zag ik een interessante tentoonstelling in het Tate Britain. De jonge Van Gogh arriveerde in de Britse hoofdstad in mei 1873. Toen hij de stad de rug toekeerde was het 1876 en was hij drieëntwintig jaar. Zijn volgende bestemming was Parijs, waar hij opnieuw twee jaar zou blijven. Echt schilderen deed hij in Londen nog niet. Hij werkte voor een kunsthandel en woonde aanvankelijk in een voorstad, toen in Brixton, nog weer later in Kennington. Korte tijd was hij onderwijzer in Ramsgate, even nog speelde hij dominee. De kunsthandel plaatste hem over naar Parijs. Voor een Brabantse jongen uit Zundert lijkt me dat een hele ervaring, ook al had hij even daarvoor gewoond in Den Haag. De tentoonstelling in de Tate bleek een nauwgezette kunsthistorische analyse van de Londense jaren van de Hollandse schilder, die later pas in het zuiden van Frankrijk zijn bestemming zou vinden. Op 37-jarige leeftijd pleegde hij zelfmoord. Weinig is er bekend over de Londense jaren. Nu las ik ineens Engelse brieven en zag ik Engelse boeken geschilderd op doeken die hij later in Frankrijk zou maken: boeken van Charles Dickens, George Elliott en Harriet Beecher-Stowe: sociaal bewogen literatuur die Van Gogh kennelijk graag tot zich nam.

Voor de vorming van de schilder waren de vijf jaren in de grootstad klaarblijkelijk van groot belang. Hij ging er lezen, leerde goed kijken, begon kunst te genieten, oefende het schilderen, kocht prenten, probeerde die te verkopen, was gefascineerd door de metro, de publieke parken, de grootstedelijke dynamiek, werd zelfs op een meisje verliefd. Uitgerekend Londen was destijds de plek waar prenten op grote schaal werden gedrukt en verhandeld. Op de tentoonstelling te zien waren de vele schitterende prenten van Gustave Doré die Van Gogh kennelijk gretig had verzameld en waarvan hij sommige scherp natekende of naschilderde. Die ene van de achterbuurten van Londen met de stoomtrein die op de achtergrond over de huizen denderde herkende ik natuurlijk meteen. Ineens bekroop me het gevoel dat Van Gogh juist in Londen depressief moet zijn geworden door de mist en de rook, het grauwe weer in het industriële, steenkoolgassen uitblazende monster, en door de armoede tegenover de extreme rijkdom daar op het eind van de negentiende eeuw. Zelfs Parijs was hem later te somber. De man vluchtte naar het zonnige zuiden, waar hij als een bezetene begon te schilderen. Die laatste prachtige, kleurrijke doeken hebben we aan hem te danken. Zou hij Londen of Parijs hebben gemist? Ik heb zijn brieven nooit gelezen, maar ik waag het te betwijfelen. Toch had dit grote genie alles aan de twee dampende metropolen te danken. Dat besef je als je in de Tate Britain staat. Nog te zien tot 11 augustus 2019.

Tagged with:
 

Vlucht uit het kapitalisme

On 22 januari 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Van Goghmuseum te Amsterdam op 4 januari 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor kaart reis gauguin parijs panama martinique

Bij de ingang van de tentoonstelling in het Van Goghmuseum te Amsterdam, begin dit jaar, was een reusachtige kaart te zien van de bootreis die Paul Gauguin en Charles Laval in 1887 maakten van Parijs via Panama naar het eiland Martinique. Er verscheen zelfs een atlas bij de tentoonstelling. Tot dan had ik geen idee waar Martinique ligt. Het ligt in de Cariben. De beide Franse schilders ontvluchtten het decadente Parijs, namen een stoomboot, op zoek naar tropische natuur en naar een primitieve samenleving. Wat ze aantroffen was een Frans-koloniale samenleving van grote suikerplantages rond de hoofdstad Saint Pierre; Saint-Pierre werd ook wel ‘het Parijs van de Cariben’ genoemd – een stad waar Franse artiesten graag kwamen overnachten in luxueuze hotels. Hoezo primitief? Maar de berooide Gauguin en Laval streken zuidelijker neer, aan een strand, waar ze vier maanden lang in een verlaten slavenhut verbleven. In de armoede zochten en vonden ze het paradijs, net zoals de Amerikaanse schrijver Henri David Thoreau dertig jaar eerder in zijn hut aan Walden Pond het paradijs meende te vinden. Gauguin echter werd al snel ziek en moest naar Europa worden gerepatrieerd. Een vriend stuurde hem geld. Zo kon hij de terugreis betalen. Best een treurig verhaal eigenlijk. Daar terug in Parijs ontmoette hij trouwens Vincent van Gogh.

Stel je voor dat Gauguin niet voortijdig naar Parijs was teruggekeerd, dan had hij Van Gogh helemaal nooit ontmoet. Want Van Gogh – ook een armoedzaaier – bleef zeker niet lang in Parijs. Als snel vertrok de Nederlandse schilder naar Zuid-Frankrijk, op zoek naar het exotische Japanse landschap met zijn heldere licht en kleuren, waar hij als kwartiermaker dacht te fungeren voor een te stichten sekte onder leiding van de ‘boeddhistische monnik’ Gauguin. Wat bewoog deze getalenteerde mensen om Parijs de rug toe te keren? Was het decadentie? Nee, het was anders. Erg mooi vond ik het schilderij ‘Coming and Going’. Het toont een landschap met een grote boom waar herders en hun geiten beschutting tegen de zon zoeken en waar vrouwelijke sjouwers zich een weg banen over smalle paadjes. Het landschap oogt idyllisch, als een arboretum, de boom lijkt zelfs boeddhistisch. Je ziet Nirwana. Gauguin hield het schilderij zijn hele leven bij zich. Daarna kwam het in het bezit van een Britse adellijke familie die het uitsluitend voor zichzelf hield. Pas na 1979 is het voor het publiek te bewonderen. Ik denk dat Gauguin vluchtte voor de moderniteit en dat hij in het primitieve van Martinique de zuiverheid zocht die in het industriële kapitalisme verloren was gegaan. Van 1873 t0t 1896 verkeerde de westerse wereld in een economische crisis die volgde op een periode van extreme groei. Iedereen was pessimistisch. Dit kwam nooit meer goed. Maar de cruciale ontmoeting tussen Gauguin en Van Gogh vond plaats in de Franse metropool, in het hart van het industriële kapitalisme. Hoeveel zou ‘Coming and Going’ nu waard zijn?

Tagged with:
 

Wonen aan de metro

On 8 december 2018, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Localfrance van 18 mei 2016:

 

Twee jaar geleden publiceerde StreetPress en verhuurder Rentswatch in Parijs een kaart waarop de gemiddelde vierkantemeter-prijzen van woningen per metrohalte in de Franse hoofdstad stonden aangegeven. Rentswatch analyseerde duizenden woningen met huur- en verkoopprijzen over een periode van zes maanden, afgeleid van het Franse Funda, makelaarskantoren en informanten. De prijsindicatie op de kaart geeft telkens het bedrag weer dat men maandelijks moet betalen voor een flat van 35 vierkante meter binnen een straal van 500 meter rond het metrostation, sociale woningbouw niet inbegrepen. Zeer handige en ook verhelderende kaart moet ik zeggen. De allerduurste plek om te wonen in Parijs is de buurt rond halte Bir-Hakeim, vlak bij de Eiffeltoren. Een klein flatje kost daar per maand al snel 2.150 Britse pond. En het goedkoopst? Dat is La Courneuve-8 mei 1945, daar betaal je ‘slechts’ 480 Britse pond per maand voor 35 m2. Hoe verder naar buiten, hoe goedkoper het wonen in Parijs wordt. Allicht.

Uit de kaart blijkt dat je soms een paar haltes verder buiten het centrum gemiddeld al honderden ponden per maand minder aan woonlasten betaalt. Bijvoorbeeld Concorde. Daar betaal je op dit moment al snel 1.610 Britse pond per maand. Maar ga je slechts één halte verder in welke richting dan ook, dan daalt de gemiddelde koopprijs ineens met 500 pond maandelijks. Afgelopen zomer logeerden wij aan het Bassin de la Villette in het 19e arrondissement. Dat is vlak bij Jaurès. Een appartementje van 35 m2 kost daar volgens de kaart 940 Britse pond per maand. Eén halte verder naar het oosten (Laumière, Bolivar) scheelt mooi 100 pond in de portemonnee. Eén halte naar het westen of zuiden blijkt echter 50 tot 70 pond duurder. Soortgelijke kaarten als die voor Parijs, zijn ook gemaakt voor Berlijn en München. Ook Amsterdam wordt steeds duurder. Koopprijzen verschillen per buurt. Die verschillen kunnen flink oplopen. Nu er eindelijk een Noord/Zuidlijn rijdt is de vraag: wanneer komt Amsterdam met zo’n kaart?

Tagged with:
 

‘Het leven van mijn tijd’

On 11 november 2018, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘4321’ (2017) van Paul Auster:

Afbeeldingsresultaat voor 4321 auster

Pas op het einde van de nieuwste roman van Paul Auster wordt duidelijk wie de echte Archibald Ferguson is. Van de vier parallelle levens van de opgroeiende jongen aan de Amerikaanse oostkust blijkt de laatste, nummer 4, degene te zijn die de roman uiteindelijk schrijft. Hij is de Archibald die creatief is, die veel schrijft en die graag beroemd wil worden. De andere Archibalds besluiten een andere weg te gaan, hun drie levens zijn door nummer 4 verzonnen. Hun levens wijken ook steeds meer af van de oorspronkelijke Archi en sterven bovendien allemaal te vroeg. Alleen de echte Archi Ferguson blijft over. Meer dan ooit gaat deze vuistdikke roman van de Amerikaanse schrijver Paul Auster over toeval in het leven. Of eigenlijk gaat deze bildungsroman over de stad New York, ze is een lofzang op complexiteit. Want ofschoon hij geboren wordt in een eenvoudig joods gezin in Newark, steekt de hoofdpersoon al op jonge leeftijd met zijn vrienden de Hudson over om in New York hun geluk te beproeven. “Compactheid, immensiteit, complexiteit, zoals Ferguson het eens zei toen hem gevraagd werd waarom hij de stad boven de voorsteden verkoos, een gevoel dat door de vijf leden van zijn groepje gedeeld werd,” waarop alle vijf besloten om in New York te gaan studeren.

Ook elders in de roman wordt afgerekend met de provincie. Rochester in het noordwesten van de staat New York is een stad in een krimpregio waar hij in een van zijn levens verzeild raakt om er een journalistieke carrière te beginnen, maar er valt daar weinig te beleven. Het leven is er te eenvoudig. Nog voordat hij besluit om naar New York terug te keren sterft hij als gevolg van een brand in het verlopen huis waar hij woont door een sigaret van zijn werkloze benedenbuurman. En zijn studie aan Princeton in een ander leven wordt door het verlies van een beurs al na één jaar afgebroken, waarna hij zijn studie afmaakt in New York. Het vertrek van zijn vriendin Amy naar San Francisco in weer een ander leven kan hem niet verleiden om mee te gaan naar de westkust. Terwijl zij hem brieven schrijft over de Summer of Love, haar Hof van Eden, schrijft hij haar terug: “Zo te horen heb je er de tijd van je leven. (…) Ik heb hier in New York het leven van mijn tijd.” In weer een ander leven maakt hij een kort uitstapje naar Londen om zijn uitgever te ontmoeten. Bij het oversteken van de straat wordt hij overreden door een auto. “De goden keken vanaf hun berg naar beneden en haalden de schouders op.” De roman eindigt in 1974, als nummer 4 besluit naar Parijs te vertrekken. “De volgende vijfenhalf jaar woonde hij in een tweekamerflatje in de rue Descartes in het vijfde arrondissement, gestaag werkend aan zijn roman over de vier Fergusons, die tot een veel dikker boek uitgroeide dan hij zich had voorgesteld, en toen hij op 25 augustus 1975 het laatste woord schreef, omvatte het manuscript uiteindelijk een totaal van elfhonderddrieëndertig met dubbele regelafstand getypte pagina’s.” Ach ja, New York. En ook Parijs.

Tagged with:
 

Perimeter Parijs

On 29 oktober 2018, in landschap, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 22 oktober 2018:

Gerelateerde afbeelding

Interessant artikel in The New York Times van afgelopen week. David McAninch, auteur van onder andere Duck Season, maakte een wandeling door de buitenwijken van Parijs. In ‘A new view of Paris: From the perimeter’ beschrijft hij een zesdaagse trektocht in mei 2018 buiten de platgetreden paden van de gemiddelde Parijse toerist, in een wijde boog, tot soms ver buiten de Périphérique, want hij liep tegen de klok in. De lichtstad met zijn monumenten vond hij al te bekend, te mooi en klassiek, terwijl hij nieuwsgierig was naar de randen. Daarom begon de Amerikaan vanuit zijn hotel bij Porte Dorée in noordelijke richting te lopen, wandelde vervolgens in zes dagen tijd 35 mijl door een rommelige stedelijke agglomeratie van net iets minder dan 10 miljoen inwoners. Tot zijn verbazing is de periferie van Parijs veel gevarieerder dan hij dacht. Naast de beruchte banlieus met hun dichte migrantenenclaves trof hij voormalige industrieterreinen met hippe lui en creatieve bedrijven, galeries waar graffiti en moderne kunst werd verkocht, dure bastions voor rijke stedelingen, mooie slaperige dorpjes en uitgestrekte parken en ook bossen. Zijn conclusie na een dag wandelen: de randen van Parijs hebben de afgelopen eeuw vooral dienstgedaan als een groot laboratorium voor vette en soms ronduit absurde architectuur. Zoals het Centre Nationale de la Danse uit 1972 of het twee jaar oude M6B2 op de rand van het 13e arrondissement.

Niet elk onderdeel vond hij even opwindend. Vooral op zijn route van St Dénis in het noordoosten in westelijke richting tot aan zakencentrum La Défense viel hem tegen. Google Maps loodste hem hier langs saaie boxen en dozen die zich eindeloos aaneen leken te rijgen. Gelukkig belandde hij de volgende dag in Bois de Boulogne. Daarna volgde het zuiden, dat hij bereikte via uitgestrekte rangeerterreinen met kampementen vol vluchtelingen en Roma’s; hun vuren en tenten deden hem denken aan de foto’s van Atget. Montreuil zou het Brooklyn van Parijs zijn en, inderdaad, er klonk muziek en er was veel jong en trendy volk op de been in een klein parkje vlak achter het stadhuis. Sommige muziekwinkels deden hem denken aan de East Village in de jaren 1980, maar dan schoner. En zo gaat het maar door. Mooi ook de laatste zin als hij een taxi instapt om vermoeid terug te keren naar zijn hotel: “As the driver eased onto the Périph, flowing smootyhly at this late hour, I had the thought that the highway, which I’d crossed over and under so many times on my walk, no longer felt like much of a barrier at all.” Zijn tocht deed me denken aan ‘Schuifgroen. Een wandeling langs de grens van Amsterdam’’ (2003) van Herman Vuijsje. Socioloog en wandelaar Vuijsje zocht destijds het perifere groen op, dat hij steeds verder zag opschuiven naar buiten. McAninch is niet bang voor de grote stad. Hij maakt het centrum groter. Dat is de èchte emancipatie van de periferie. Wordt dit een trend?

Tagged with:
 

Metropolitaan onvermogen

On 7 september 2018, in bestuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Paris, métropole introuvable’ (2017) van Christian Lefèvre:

Afbeeldingsresultaat voor christian fefevre paris metropole introuvable

Deze week een inspiratiecollege gegeven aan studenten Urban Management van de Hogeschool van Amsterdam over de metropool Amsterdam bezien vanuit het mondiale. De andere bijdrage, van Martin van der Maas, ging over Amsterdam en haar bewoners. De laatste klonk vertrouwd in de oren, de eerste bleek vrijwel onbekend. Dat is ook niet zo vreemd. Amsterdam ziet zichzelf niet als onderdeel van de grote wereld, denkt hoofdzakelijk lokaal, positioneert zich regionaal of nationaal, en zelfs vaak dat niet. Dat probleem deelt ze met Parijs. Deze zomer las ik er een boekje over. In ‘Paris, métropole introuvable’ beschrijft Christian Lefèvre hoeveel moeite het de Franse hoofdstad kost om internationaal te denken en zichzelf als wereldstad te positioneren en te besturen. Parijs, met 12 miljoen inwoners, is een absolute ‘Global City’, maar het lokale bestuur is daartoe allerminst geëquipeerd. Anders dan Londen of New York opereert Parijs bijna provinciaals, is het bestuur sterk naar binnen gekeerd, ziet het zichzelf hoogstens als een van de ‘stedelijke regio’s’ in nationaal verband. De aansluiting bij de rest van de wereld weet de Franse metropool maar niet te leggen. Lefèvre, die hoogleraar is aan de Ecole de l’Urbanisme te Parijs, verbaast zich hierover en beschrijft hoe de afgelopen twintig jaar een notie van globalisering het Parijse stadhuis via de achterdeur binnendrong.

In het hoofdstuk ‘Une métropole peu préparée à la globalisation’ laat Lefèvre zien hoe bijna tegen beter weten in Parijs in de Tweede Wereldoorlog tot een machtige mondiale speler uitgroeide. Jarenlang probeerde de  Franse regering aan de hoofdstad overheidsmiddelen te onthouden, die ze elders in het land besteedde. Vanaf 1955 werden zelfs bedrijven aangemoedigd om zich niet in Parijs te vestigen. Parijs had tot 1977 ook geen burgemeester. Lefèvre spreekt van straffen: Parijs moest worden gestraft voor haar dominante positie en haar arrogante gedrag. Elders heeft hij het over het ‘in de steek laten’ van Parijs. De burgemeester van Parijs, illustreert hij met een fraai citaat, moest zich niets verbeelden; hij was net zo’n burgemeester als al die andere burgemeesters. Lefèvre laat zien hoe vanaf 2000 hierin verandering komt. De president van de republiek, Nicolas Sarkozy, begint Parijs te zien als een troef in het spel van mondialisering. Maar ook dan wordt ze door de staat gebruikt. Elke poging van de Parijse regio om een eigen bestuur op te tuigen wordt door de president en zijn opvolgers getorpedeerd. De macht van Parijs moest hoe dan ook worden gebroken. Het politieke steekspel rond Parijs, concludeert Lefèvre, heeft een interne cultuur opgeleverd die slecht bestand is tegen het proces van mondialisering. Zeker op het niveau van Ile de France is er geen collectieve autoriteit. Met alle gevolgen van dien. In Amsterdam is het niet anders.

Tagged with:
 

De gentrificatie van Parijs

On 29 augustus 2018, in boeken, politiek, sociaal, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Sociologie de Paris’ (2014) van Michel Pinçon en Monique Pinçon-Charlot:

Afbeeldingsresultaat voor sociologie de paris pinçon charlot

Elegant boekje van het sociologenechtpaar Pinçon over de gentrificatie van Parijs. Het origineel stamt uit 2004, een herziene druk zag het licht in 2014. Ik las het afgelopen week tijdens mijn verblijf in het 19de arrondissement. Beide echtelieden zijn verbonden aan het Centre National de Recherche Scientifique (CNRS), Michel doet er onderzoek naar arbeiders, Monique naar stedelijke gentrificatieprocessen. Pinçon steunt openlijk het linkse kamp van Jean-Luc Mélenchon. Het boekje is elegant omdat het de sociale stratificatie van Parijs helder uiteenzet langs historisch-geografische lijnen. De segregatie van Parijs is al heel oud. De verburgerlijking van Parijs die in het boekje wordt beschreven is echter nieuw. Eeuwenlang was Parijs overwegend een arme en revolutionaire arbeidersstad, de rijkdom was er altijd geconcentreerd in het westelijke deel. Nu raakt de hele stad – althans binnen de contouren van de rondweg – de Périphérique – zwaar gegentrificeerd. Het centrum wordt zelfs extreem rijk, met buurten bestaande uit overwegend pieds-à-terres van chique lui uit de hele wereld. Tegelijkertijd proletariseren en verkleuren de buitenwijken buiten de ring, dus het contrast wordt steeds groter. De snelle verburgerlijking van Parijs wordt voortgestuwd door de komst van zogenoemde ‘bobo’s’: bourgeois-bohèmes, dat zijn jonge stedelingen overwegend werkzaam in de creatieve industrie. Alleen het 19e en 20ste arrondissement in het noordoosten rond het Bassin de la Villette, waar ik verbleef, blijven hardnekkig weerstand bieden.

Het echtpaar verbaast zich over het feit dat Parijs ondertussen politiek steeds linkser stemt. Parijs stemde altijd juist rechts, maar sinds 2001 ontstaan er lokaal voortdurende linkse meerderheden. Ze brengen dit in verband met het feit dat de nieuwe bourgeois-bohèmes overwegend linkse sympathieën koesteren. Ze denken dat het te maken heeft met de gelijktijdige toestroom van arme migranten, want Parijs oefent ook grote aantrekkingskracht op hen uit. Die confrontatie is voor jonge mensen moeilijk te verdragen. Jonge stedelingen die de arbeidersbuurten, de fabrieken en de oude cafés juist zo aantrekkelijk vinden en die zelfs heimwee hebben naar de Parijse revoluties van 1968 en 1871 (de Commune), lijken met een heus schuldgevoel te kampen. Misschien, schrijven de echtelieden, kopen deze zelfbenoemde erfgenamen van de linkse revoluties hun schuldgevoel af door links te stemmen. Want tegelijk zijn ze voor economisch liberalisme. Het is als: wij werken hard en willen feest vieren; laat de gemeente voor de armen zorgen. Dat is wat je in Parijs op straat ook ziet: jonge feestvierders gecombineerd met gemeentelijke reinigingsdiensten, gemeentelijke voedselbanken, gemeentelijke opvanghuizen. Het viel me vooral op in mijn 20ste arrondissement: verslaafden en vluchtelingen mengden zich met jonge stedelingen op een door de gemeente georganiseerde ‘Paris Plage’. Het beeld wijkt overigens sterk af van de rest van Frankrijk. Ook dat verschil wordt steeds groter.

Tagged with:
 

Monet in Londen

On 1 augustus 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in de Tate Britain in Londen op 4 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor impressionists in london

Deze zomer ga ik tekenen en schilderen. U verneemt dus even niets van mij. Ik ga naar het droge licht van Van Gogh, in de Provence, met zijn heldere kleuren, dat de schilder zo graag vergeleek met het Japanse licht. Ons eigen vochtige licht schilderde Monet. Ik ken niemand die dit mooier heeft vastgelegd op het linnen doek. Dit voorjaar zag ik het met eigen ogen in de Tate Britain in Londen. In de expositie ‘Impressionists in London’ was één zaal gewijd aan een stuk of negen doeken van Monet van de Thames bij Westminster. In totaal zou hij er meer dan honderd van hebben gemaakt (sic!). In 1904 werden er 37 doeken tentoon gesteld in Parijs, bij de galerie van Durand-Ruel. Het was een megasucces. De doeken had hij in drie winters geschilderd terwijl hij verbleef in het Savoy hotel aan de overkant van de Thames, dat was in 1899, 1900 en 1901. Hij was toen de zestig juist gepasseerd. Zijn bedoeling was om nog één keer alles wat hij in zijn schildersleven had doorleefd – ‘impressions and sensations’ – op het schilderdoek vast te leggen. In totaal verbleef hij zes maanden in het hotel. Daarna nam hij ze mee naar Parijs om er verder aan te werken. Ik zou ze graag allemaal eens tegelijk willen zien.

Overigens, kort daarna opende in de National Gallery een tentoonstelling over ‘Monet & Architecture’. Afgelopen weekeinde was de laatste mogelijkheid om deze tentoonstelling te bezoeken. Die heb ik gemist. Ik begreep dat daar opnieuw een groot aantal Thames-schilderijen van Monet te zien waren. In een recensie las ik dat hij de doeken van Waterloo en Charing Cross in 1899 had geschilderd vanuit de suites 610 en 611 en in 1900 en in 1901 de suites daar direct onder, vanuit 510 en 511, om precies te zijn vanaf het balkon. Tot op de dag van vandaag kun je deze ‘Monet suite’ boeken; een nacht in suite 610 en 611 kost u tenminste 720 Engelse pond, met maaltijden en een tour zelfs 2.600 pond. James Whistler zou Monet op de suites hebben gewezen. Waarom de Franse schilder in 1900 en 1901 moest uitwijken naar een verdieping lager weet ik nu ook: 610 en 611 waren op dat moment in gebruik door invalide Britse soldaten uit de tweede Boerenoorlog. De doeken van Westminster schilderde hij overigens na de thee, aan de overkant van de rivier, bij St Thomas Hospital. Monet had een ijzeren discipline. Die heb ik niet.

Tagged with:
 

De rode woonagenda van Parijs

On 25 mei 2018, in Geen categorie, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in Parijs op 17 mei 2018:

 

 Gerelateerde afbeelding

Paris Habitat is een van de 732 woningbouwverenigingen die Frankrijk telt. Samen beheren de Franse corporaties 4,6 miljoen sociale woningen, dat is 17 procent van de totale woningvoorraad van het land. In hoofdstad Parijs gaat het om 21 procent, iets meer dus dan het Franse gemiddelde. Dit komt neer op meer dan één miljoen sociale woningen. Maar dat is nog altijd te weinig. De Parijse woningmarkt is, net als die van Londen en Amsterdam, oververhit, op de wachtlijst staan meer dan 150.000 verzoeken die niet kunnen worden gehonoreerd. Bovendien kwamen sinds 2015 liefst 35.000 migranten de stad binnen die een goedkope woning nodig hebben. Het socialistische gemeentebestuur van Parijs wil daarom dat er jaarlijks 7500 sociale woningen worden bijgebouwd. Paris Habitat krijgt forse subsidie van de gemeente, naar ik begreep zeker 3 miljard euro, want bouwen in Parijs is extreem duur. Echter, de regering Macron betaalt die meerkosten niet. Wel eist de regering dat zeker 25 procent van de woningvoorraad in elke Franse gemeente in 2025 sociaal moet zijn, maar voor Parijs treft ze geen voorzieningen. Ondertussen liep de bijdrage van de Franse regering aan de woonagenda terug van 880 miljoen euro in 2005 naar 205 miljoen in 2017. Burgemeester Anne Hidalgo (Parti Socialiste) legt daarom fors geld bij en is nog ambitieuzer dan de president: liefst 30 procent van de woningvoorraad van Parijs moet volgens haar in 2025 sociaal zijn.

Paris Habitat beheert 124.000 sociale woningen, waarvan 90 procent binnen de gemeentegrenzen, dus binnen de Parijse Périphérique. Huurders betalen 5 tot maximaal 12 euro per vierkante meter; dat is een schijntje vergeleken bij de marktprijzen die in Parijs schommelen rond de 25 euro per vierkante meter. Elk jaar geeft de grootste corporatie van Frankrijk 5.000 woningen uit aan nieuwe bewoners. Daarvan is een steeds groter deel kwetsbaar en/of armlastig; ook de gemiddelde leeftijd gaat steeds verder omhoog. De leden van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing die het hoofdkantoor van Paris Habitat bezochten klonk het als muziek in de oren. Sommigen vonden het zelfs ouderwets riant, zeker toen ze hoorden hoe de stad Parijs met financiële middelen bijsprong. De oren gingen zelfs klapperen toen ze van het plan hoorden om 96 sociale appartementen te bouwen in het oudste warenhuis van Parijs, ook wel bekend als Samaritaine, aan de oevers van de Seine. In Frankrijk is het vraagstuk van de sociale woningvoorraad inmiddels een belangrijk politiek aandachtspunt en de verbouwing van het beroemde warenhuis staat daarvoor symbool. Maar later, tijdens ons bezoek aan Clichy-Batignolles, hoorden wij hoe de prijzen van de sociale huurwoningen en vrijesectorwoningen in dit stadsvernieuwingsgebied extreem uit elkaar gaan lopen. Dat snel groeiende verschil voelt allerminst rechtvaardig.

Tagged with:
 

Parijse urban commons

On 24 mei 2018, in duurzaamheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Hotel de Ville te Parijs op 17 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor reinventer paris missika

 

Jean-Louis Missika, wethouder stadsontwikkeling, ontving ons afgelopen donderdag op het stadhuis van Parijs. Missika is lid van de Parti Socialiste.  Hij sprak over het programma ‘Reinventer Paris’: een poging van het huidige Parijse gemeentebestuur om via een open competitie het ecosysteem van stedelijke innovatie in Parijs te verbeteren. Normale tenders, vertelde Missika, leiden slechts tot winnaars die het hoogste bieden tegen de laagste prijs. Maar geld vond hij geen goed criterium. Bovendien zijn het steeds dezelfde partijen die winnen. Innovatiekracht in de projectontwikkeling kan alleen worden uitgelokt als de prijs niet langer bepalend is, maar kwaliteit. Verandert men de regels van het spel, dan veranderen ook de spelers. De vijfendertig projecten van ‘Reinventer Paris’ vormden volgens hem een mooi ‘bouquet japonnais’, het nieuwe spel had een bonte massa van partijen opgeleverd die door onorthodox samen te werken met geheel nieuwe programma’s waren gekomen. Een aantal projecten liet hij de revue passeren: Masséna, Pershing, Morland, In vivo, Stream Building. Oogst: 1341 nieuwe woningen op binnenstedelijke locaties, 22.000 vierkante meter groen toegevoegd, tegen een grondwaarde van 565 miljoen euro.

Naast innovatie had het gemeentebestuur met ‘Reinventer Paris’ ook ‘urban commons’ willen creëren. Missika gaf toe dat dit enigszins theoretisch klonk, maar toch meende hij dat hierin belangrijke stappen waren gezet door het uitschrijven van de competitie. De harde scheiding tussen publiek en privaat was dankzij de werkwijze op menig plek doorbroken. Zo hadden marktpartijen delen van private gebouwen publiek gemaakt, één gebouw zou 24 uur per dag voor het publiek worden geopend, duizenden bomen zouden aan de stad worden toegevoegd, dikwijls op terrassen en daken, en die daken zouden ook toegankelijk worden voor het publiek. Ik stelde Missika een kritische vraag, maar kreeg een onbevredigend antwoord. De volgende dag nam ik de proef op de som door de grote ontvangsthal van het pas geopende gerechtsgebouw in Clichy-Batignolles te betreden. Na de bewaking te zijn gepasseerd en mijn tas te hebben getoond kwam ik in de door Renzo Piano vormgegeven ruimte. Tot zover ging het goed. Maar het dakterras bleef voor me gesloten. En dit was nog wel een publiek gebouw. Persoonlijk denk ik dat urban commons niet bevorderd worden door prijsvragen uit te schrijven. Een prijsvraag werkt concurrentie in de hand en kent naast winnaars vooral verliezers. Wie echte urban commons wil creëren moet veel radicaler durven zijn.

Tagged with: