Parijs heruitvinden

On 18 mei 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Le Monde van 3 augustus 2017:

Gerelateerde afbeelding

Op 3 december 2014 lanceerde de toen pas aangetreden burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo, in het Pavillon d’ Arsenale het programma ‘Réinventer Paris’. Voor 23 locaties binnen de Franse hoofdstad vroeg zij om voorstellen, in te dienen in een internationale open inschrijving. Informatie over alle locaties was op een publiek toegankelijke website te vinden. De meeste betroffen plekken die verlaten waren of waar op dat moment weinig gebeurde. Gevraagd werd om innovatieve voorstellen voor een beter gebruik: flexibeler, gemengder, ecologischer, socialer. “These sites form a diverse supply of land and housing, spread over the Paris area and rapidly available. They comprise land and property owned by the City or its partners – social housing landlords or developers. For each of them, a specific procedure will be implemented so that the winning innovative project can be brought to fruition.” Het leek er op dat de winnende voorstellen ook zouden worden uitgevoerd. De hele wereld kon meedoen. In het voorjaar van 2015 stroomden de eerste voorstellen binnen, waarna in de zomer een jury de meest aansprekende inzendingen koos uit de in totaal 372 inzendingen. Inmiddels zijn de winnaars bekend en is er in 2017 alweer een tweede ronde locaties uitgeschreven. Afgelopen maart werden daarvan de finalisten bekend gemaakt. En daarna volgde ‘Réinventer la Seine’.

De beproefde werkwijze bleek succesvol en werd in korte tijd zeker driemaal herhaald. Maar in Le Monde verscheen er in de zomer van 2017 kritiek op de oogst van de eerste ronde. Op dat moment was het werk van de prijswinnaars voor het groot publiek tentoongesteld. Frédéric Edelman vond de meeste voorstellen tamelijk naïef en getuigen van ‘groen infantilisme’. Ze deden hem denken aan ‘Banlieu ‘89’ uit 1984, toen de tweehonderd inzendingen volgens betrokkenen van dezelfde naïviteit hadden getuigd. Men had het beschouwd als politieke propaganda. Erger vond hij dat de professie nog altijd niet in staat was gebleken om hardnekkige maatschappelijke vraagstukken op te lossen met doorwrochte ontwerpen. Is dit een nieuw model over stadsontwikkeling?, vroeg de architectuurwebsite AMC zich af. De prijsvraag had de stad weinig gekost, maar had een oogst aan ideeën opgeleverd voor grondprijzen tegen een waarde van in totaal 565 miljoen euro. Ook zij vond de meeste ontwerpen zeer matig. De kritiek werd door het stadhuis verworpen. De waarde van haar aanpak, beweerde ze, moest  in de onorthodoxe samenstelling van de teams worden gezocht, waarin architecten hadden samengewerkt met gebruikers, ontwikkelaars en NGO’s. Zo’n aanpak vond ze beter dan projectontwikkeling. En de meeste architecten, voegde ze eraan toe, waren keurig door de betrokken private partijen betaald, daar was de overheid niet voor nodig. Waarop de redactie concludeerde: “La polémique sur la rémunération n’est en réalité que le symptôme d’une époque marquée par la privatisation grandissante de la commande publique."

Tagged with:
 

Op de helft

On 20 april 2018, in boeken, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ (2013) van Thomas Piketty:

Afbeeldingsresultaat voor piketty capital

Nu pas gelezen en nog maar halverwege: Thomas Piketty’s ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’. Eerst wilde ik ‘Dat Kapital’ van Karl Marx zelf lezen. Dat heb ik inmiddels gedaan. Nu dus Piketty. De lange historische lijnen die de Fransman, verbonden aan de École d’economie de Paris, trekt gaan terug op Marx, nee verder, ze voeren de lezer naar het begin van de Industriële revolutie. Mooi is het om te lezen hoe hij vanuit de negentiende eeuw op onze tijd terugblikt en vaststelt dat kapitaal terug is van weggeweest. De twintigste eeuw met zijn twee wereldoorlogen en moeizame wederopbouw zijn vooral een breuk geweest in een lange geschiedenis van het globale kapitalisme. Even leek arbeid beslissend te worden, maar uiteindelijk is vermogen toch weer in hoge mate bepalend voor iemands maatschappelijke positie. Dat is balen. Bijzonder in het boek is het hoe Piketty dit illustreert aan de hand van negentiende eeuwse romans als die van Austen en De Balzac. Zo ongeveer moeten we ons de toekomst dus voorstellen. Zelfs al is de recente verandering in de technologie gunstig voor de factor arbeid, toch zal het aandeel van kapitaal niet afnemen, denkt hij. Sterker, de moderne technologie maakt het mogelijk om kolossale hoeveelheden kapitaal te accumuleren zonder dat het rendement volledig verloren gaat. “Wordt de eenentwintigste eeuw nog minder egalitair dan de negentiende, voor zover hij dat niet al is?” De vraag stellen is hem beantwoorden.

Net als Marx heeft Piketty weinig op met steden. Zijn analyses gaan over landen, Engeland en Frankrijk in de eerste plaats. Dat vader Goriot, een schepping van Honoré de Balzac, in Parijs leefde, neemt hij voetstoots aan. Zijn dochters uithuwelijken in de beste Parijse kringen is ook al zo’n ding. En dan verschijnt daar Rastignac als berooide edelman uit de Franse provincie, die zijn geluk komt beproeven in de Franse hoofdstad. Ook die laat zich uiteindelijk meeslepen door de aanblik van alle rijkdommen, om uiteindelijk even meedogenloos te worden als de door geld gecorrumpeerde Parijse elite. Rastignac aast op de erfenis van Victorine in plaats van door studie, talent en hard werken rijkdom te vergaren. Kortom, het negentiende eeuwse Parijs groeide en bloeide in de ogen van De Balzac door de ongebreidelde accumulatie van kapitaal, door corruptie onder elites rond erfenissen en huwelijken, soms gepaard gaande met moorden, een zeer ongelijke samenleving waarin kapitaal belangrijker was dan arbeid. Volgens Piketty gaan we terug naar die verdorven tijd, een tijd van grote ongelijkheid, met grootstedelijke elites die zich via erfenissen verrijken en een verarmend platteland. Was het negentiende eeuwse Parijs werkelijk zo’n corrupte bende? Was die snel groeiende metropool van destijds niet óók een grandioos economisch, sociaal-cultureel laboratorium, een eclatant succes? Piketty, zelf woonachtig in Parijs, vertelt liever het oude verhaal van Karl Marx. Nogmaals, ik ben pas op de helft van zijn magistrale boek. Misschien ontdekt de auteur alsnog de zegeningen van de in de twintigste eeuw door Europeanen weggebombardeerde maar dus nooit verslagen metropolen.

Tagged with:
 

Frankenstein’s landschappen

On 18 april 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘’Frankenstein’ (1818) van Mary Shelley:

Gerelateerde afbeelding

Eindelijk kwam ik eraan toe om ‘Frankenstein’ van Mary Shelley te lezen. De boekhandelaar die het afgelopen winter verkocht wees me op het feit dat het boek in 2018 tweehonderd jaar geleden verschenen is. Merkte daar niets van. Vond het heerlijk om te lezen. De vrouw van dichter Shelley heeft het verhaal op zeer jonge leeftijd geschreven. Zeer verdienstelijk, moet ik zeggen. Ze won er een wedstrijd mee die door Lord Byron in kleine kring was uitgeschreven. Het ging erom wie in staat was het griezeligste verhaal te componeren. ‘Frankenstein’ is de moeder van alle horror, een genre waar ik overigens weinig mee heb. Maar ik vond het mooi. Wat me het meeste trof was het landschap. Bij elke scene waande ik me in een schilderij van Caspar Friedrich. De lange reis die Frankenstein in het boek maakt is werkelijk imposant en duidt op grote onrust. Elke locatie is weloverwogen gekozen. Alles is woest en schilderachtig. Het begint bij Geneve, en voert al snel naar Ingolstadt. Daar, in het zuiden van Duitsland, creëert de jonge Frankenstein het monster. Vervolgens vlucht hij terug naar Zwitserland en wordt hij achterna gezeten door zijn eigen creatie, tot in de Alpen. Na een ongemakkelijke ontmoeting gaat hij in een boot over de Rijn en de Noordzee via Londen naar Schotland. Later volgt hij zijn monster nog via de kusten van Ierland naar Londen, dan door naar Parijs en verder, naar het oosten, tot in het winterse Siberië toe. Dit romantische landschap blijft me als lezer het meeste bij, meer nog dan de schurk die zoveel doden op zijn geweten heeft.

De eerste ontmoeting tussen de schepper en zijn monster vindt plaats hoog in de bergen, dicht bij de bron van de Arveiron, daar waar de machtige gletsjer heroïsch naar beneden kruipt. “These sublime and magnificent scenes afforded me the greatest consolation that I was capable of receiving. (…) They congregated around me; the unstained snowy mountain-top, the glittering pinnacle, the pine woods, and ragged bare ravine, the eagle, soaring amidst the clouds – they all gathered round me and bade me be at peace.” Hier klimt Frankenstein naar boven, helemaal naar de top, gaat zitten op een rots, de zee van ijs overziend. Even voelt hij zich weer op zijn gemak. Totdat hij het monster in de verte ontwaart – “the wretch whom I had created.” Verder geen stedenbeschrijvingen in dit boek, ook van Londen niet. Die stad is enkel vertrekpunt voor een reis door de bossen bij Windsor naar Oxford: “The colleges are ancient and picturesque; the streets are almost magnificent; and the lovely Isis, which flows beside it through meadows of exquisite verdure, is spread forth into a placid expanse of waters, which reflects its majestic assemblage of towers, and spires, and domes, embosomed among aged trees.” Noordelijker, helemaal op de afgelegen Orkney eilanden, bereikt hij ten slotte zijn eenzame bestemming. Daar, waar hij zich voornam een tweede monster te scheppen om de ander gezelschap te houden, keert hij weerom. Zelfs van Parijs op de terugweg ontbreekt een beschrijving. Parijs was toentertijd bepaald niet fraai. De openbare werken van Baron Haussmann lieten nog ruim dertig jaar op zich wachten. Landschap dus, geen stad, en verder veel gemoedstoestanden. Uiteindelijk sterft Frankenstein, diep bedroefd, tussen de Siberische ijsschotsen.

Tagged with:
 

Hoe Haussmann aan zijn einde kwam

On 23 maart 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Paris Reborn’ (2013) van Stéphane Kirkland:

Afbeeldingsresultaat voor paris reborn kirkland

Hoe kwam de grote stedenbouwkundige Haussmann eigenlijk aan zijn einde? In ‘Paris Reborn. Napoléon III, Baron Haussmann, and the Quest to Build a Modern City’ van de Franse architectuurhistoricus Stéphane Kirkland kon ik het nalezen. Haussmann was bijna zestien jaar de prefect van Parijs geweest, hij was door de keizer benoemd want een burgemeester had Parijs niet. In die jaren zette hij de hele stad op zijn kop. De boulevards, passages en de parken zijn zogezegd alle van hem, al zou zijn politieke baas Napoléon III het hem allemaal op een enveloppe hebben voorgetekend. Echter, zo eenvoudig is stadsontwikkeling niet, zelfs niet in Parijs. Kirkland beschrijft nauwgezet hoe eerdere regeringen nalieten om Parijs te moderniseren en uit te breiden. De problemen waar Haussmann voortdurend op stuitte hadden zeker ook met die opgelopen achterstand te maken. Wat hij overhoop haalde was niet mals en ook de burgers van Parijs kunnen behoorlijk lastig zijn, zeker in zijn tijd. Uiteindelijk moest hij het veld ruimen vanwege enorme budgetoverschrijdingen. Weggaan wilde hij echter niet. De schulden die de stad had gemaakt kon hij goed verklaren en vond hij ook gerechtvaardigd. Latere generaties moesten gewoon aan het kostbare karwei meebetalen. Per decreet werd hij op 5 januari 1870 op een zijspoor gezet. Op19 juli verklaarde Napoléon III aan Pruisen de oorlog. Die winter al lagen de Pruisische legers voor de poorten van Parijs. Daar brak vervolgens een burgeroorlog uit, die aan duizenden Parijzenaars het leven kostte. En Haussmann?

In 1873 begon Frankrijk als Derde Republiek. Het waren moeilijke tijden. In die drie jaar na zijn aftreden had Parijs al drie prefecten versleten. Nog vijf jaar te gaan en Frankrijk zou het herstel van de oorlog met opnieuw een wereldtentoonstelling, die van 1878, vieren. Haussmann leefde al die tijd teruggetrokken in een klein appartement in rue Boissy d’Anglas, vlak achter place de la Concorde. Hij had het eerst nog geprobeerd als ondernemer, maar was daarin niet geslaagd. Nog even had hij een rentree in de politiek gewaagd, maar ook dat avontuur liep op niets uit. In 1878 was hij, aldus Kirkland, totaal uit beeld verdwenen. Niemand die nog over de grote openbare werken van Haussmann sprak. “He was now a relic, a man of a bygone era whose key protagonists were mostly dead and whose precepts seemed irrelevant.” In de bitterkoude januarimaand van 1891 stierf hij aan een longontsteking, 81 jaar oud. Laat het einde van Haussmann voor ieder die aan de stad werkt een waarschuwing zijn. Stedenbouw is een hard en ondankbaar vak. Ook Kirkland vond dat de ingrepen van Haussmann bruut waren geweest en dat er een mildere vorm van stadsontwikkeling denkbaar was geweest. Desalniettemin, het was een groots idee en een even grootse uitvoering. “It can only invite us to consider the urban vision of our society and ask ourselves what kind of world we wish to build for our own posterity.” Zeker, dat moeten we doen.

Tagged with:
 

Gelezen in ‘La haine de la ville’ (2001) van Bernard Marchand:

Afbeeldingsresultaat voor paris et le desert francais

Amsterdam laten groeien, dat gaat ten koste van de andere steden, dat is niet goed. Dan ontstaat één grote stad, die alle andere opeet. Met die stelling wijzen sommige van mijn collega’s me terecht. Ze pleiten voor een ‘meer gebalanceerd geheel van steden,’ of zoals het Rijk schrijft in REOS en Agenda Stad: “door te verbinden in stedennetwerken bundelen steden hun krachten.” Zulke omfloerste beleidstaal doen me denken aan ‘Paris et le désert français’ (1947), het boek van Jean-Francois Gravier dat we tijdens de studie geografie eind jaren zeventig moesten lezen. Parijs, schreef de jonge Gravier, gedroeg zich als een monopolist, die alle andere Franse steden opslokte. Met zijn ‘tentakels’ vrat hij aan alles, de agglomeratie leek op een monster. De andere steden kregen van haar geen kans. De wijze waarop de hoofdstad zich gedroeg was zelfs meedogenloos, nee koloniaal. Gravier scoorde er politiek mee in Frankrijk, maar dat gebeurde pas na het verschijnen van de tweede druk, in 1958. Niet alleen president De Gaulle liep weg met ‘Le Désert’, maar zeker ook de latere presidenten. Zelfs in 1972 verscheen er nog een nieuwe druk van zijn boek. In Nederland gonsde het na, want ook wij zaten gevangen in de ruimtelijke spreidingsdoctrine. Maar wetenschappelijk deugde het boek allesbehalve. Bernard Marchand schreef er over in ‘La haine de la ville’ (2001). Gravier bleek een rechtse nationalist, een meeloper met het regime van Pétain, Gravier haatte de grote stad. Zijn stellingname, aldus Marchand, klopte van geen kanten.

Parijs was helemaal niet te groot en zou, ondanks alle naoorlogse decentralisatiebeleid, nog veel groter worden. De andere steden deden het gewoon slechter. Maximilien Sorre wees daar al in 1961 op. Het viel Marchand op hoe Gravier tendentieus met woorden speelde. Hij pleitte voor een ‘harmonieuze ontwikkeling’, voor het ‘herstel van evenwicht’, hij schreef over de ‘Parijse inflatie’, de ‘hypertrofie van de hoofdstad’. Zijn berekeningen van de bedragen die Parijs van de regering méér ontving dan de rest van het land bleken achteraf niet te deugen. Gravier berekende ook de optimale en maximale omvang van een stad: volgens hem was dat twee miljoen inwoners. Volgens Marchand was dat grote onzin. Het huidige Parijs van ruim 10 miljoen inwoners functioneert uitstekend, zelfs beter dan ten tijde van Lodewijk XIV, toen Parijs slechts 400.000 inwoners telde. Alles wat Gravier beweerde, schreef Marchand, was een anachronisme. De Franse kwaliteitskrant Le Monde kwam er in 2008 nog eens op terug. Gravier, schreef zij, was utopisch, excessief, neigend naar autoritarisme. De beweging waarvan hij deel uitmaakte wilde de mensen terugbrengen naar het platteland. Daar was ruimte, de natuur mooier, de lucht schoner, het leven beter. Het zou de naoorlogse Franse ruimtelijke ordening tekenen, en ook die in Nederland, zelfs tot op de dag van vandaag. De krant vroeg zich af hoe Frankrijk eruit zou hebben gezien als dat ruimtelijke ordeningsbeleid zich niet had voltrokken. U mag het raden.

Tagged with:
 

Arrogant?

On 7 januari 2018, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 6 januari 2017:

De toekomst van de stad

In een groot interview met Lex Boon in Het Parool van afgelopen zaterdag noemde de Rijksbouwmeester Floris Alkemade Amsterdam arrogant. “Ik ga geen steden arrogant noemen, maar ik vrees dat het wel het meest juiste woord is.” Dat er buiten Amsterdam geen ontwikkeling zou zijn, zo zei hij vanaf de achterbank van zijn dienstauto, is niet juist. Zo’n gedachte getuigt van arrogantie. Is Amsterdam arrogant? Ziet de hoofdstad de rest van het land niet staan? Alkemade onderbouwt het niet. Het is eerder dit. Alle grote metropolen worden door hun omgeving als arrogant gezien. In 2013 werd New York door de Amerikanen uitgeroepen tot meest arrogante stad by far (MailOnline 21 augustus 2013). Parijs werd in 2013 uitgeroepen tot hoofdstad van de arrogantie door de Financial Times. De Franse metropool zou te weinig op de buitenwereld  zijn gericht (Atlantico 2 februari 2013). Ook Londen wordt door vrijwel alle Britten als arrogant getypeerd. De Schotse Sunday Herhald vond dat de tien miljoen Londenaren binnen de ringweg M25 in een aparte stadstaat leefden en de rest van het Koninkrijk beschouwden als ‘de provincie’ (15 augustus 2013). SNP-leider Gordon Wilson noemde Londen zelfs een ‘kankergezwel’. In alle gevallen wordt naar de grootstedelijke elite gewezen, de geconcentreerde welvaart en het feit dat de inwoners van grote steden zich als wereldburgers beschouwen, niet als inwoners van het land. En ja hoor: er zou teveel publiek geld naar deze arrogante steden gaan.

De rest van het interview met Alkemade, die de belangrijkste adviseur is van de Nederlandse regering op het gebied van stedenbouw en ruimtelijke ordening, gaat over de snelle groei van Amsterdam en waarom die niet zou deugen. Let op de toon. Alkemade: “Als je twee miljoen inwoners kunt vinden die graag in Amsterdam willen wonen, ga gerust je gang.” Hoe arrogant is dat? En let op de belangrijkste passage in het interview: als Alkemade wordt gewezen op de extreme prijzen die Amsterdammers voor een woning moeten betalen, ziet hij dit als de motor van toenemende segregatie. Amsterdam, met andere woorden, moet vooral níet groeien. Nee, op hulp van het Rijk hoeft de hoofdstad niet te rekenen. “In die zin hebben we het geluk dat we in Nederland niet één grote centralistische metropool hebben zoals Londen of Parijs, waarbij je als je niet in het centrum woont in een tweederangs periferie of banlieu belandt.” Het is een cliché, een populistische argumentatie die zo oud is als er steden zijn. De ruimtelijke ordening in ons land is er groot mee geworden. Conclusie: als het aan Den Haag ligt gaan we toe naar een nieuwe ronde van ruimtelijke deconcentratie. En kijk, zelfsturende auto’s ziet Alkemade als een belofte, dus nog meer blik en asfalt erbij; zelfs de Randstad vindt hij te klein. Zijn visie is niet duurzaam en ook niet profijtelijk. Het is precies waar ik in mijn boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ voor vreesde. De ruimtelijke concentratie die wijlen Dirk Frieling wilde komt er in ieder geval niet.

Tagged with:
 

De kunst van het verdwijnen

On 3 december 2017, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Rijksmuseum op 30 november 2017:

Afbeeldingsresultaat voor matthijs maris londen

Matthijs Maris, Vanished illusions.

Eind negentiende eeuw werd Matthijs Maris (1839-1917) beschouwd als een van de beroemdste schilders van Nederland. Hij woonde er echter niet. Het Rijksmuseum wijdt aan zijn merkwaardige oeuvre een tentoonstelling, die nog is te zien tot en met 7 januari 2018. Afgelopen donderdag bezocht ik de zalen. Maris verhuisde in 1869 op dertig jarige leeftijd naar Parijs en trok in 1877 door naar Londen, waar hij in 1917 eenzaam stierf. Slechts een enkele keer bezocht hij zijn familie in Nederland. Vrijwel zijn gehele oeuvre kwam tot stand in de twee buitenlandse grote steden. Liefst veertig jaar leefde en werkte hij in Londen, in Parijs woonde hij acht jaar. Zijn bijzondere leven deed me denken aan Karl Marx (1818-1883). Hoewel iets ouder, verhuisde ook tijdgenoot Marx al vroeg naar Parijs, om later door te verhuizen naar Londen, alwaar hij in 1883 in eenzaamheid stierf. Zonder Londen was Das Kapital niet denkbaar geweest. Datzelfde geldt voor het schilderij ‘Vanished Illusions’. Maris was, net als Marx, een revolutionair. In 1870 vocht hij zelfs mee tijdens de Parijs Commune aan de kant van de opstandelingen. Kort daarvoor had Marx zijn Das Kapital gepubliceerd.

Maris verhuisde naar het buitenland en dan met name naar de grote stad vanwege de lokale kunstmarkt, die hij overigens haatte. In geld was hij niet geïnteresseerd. Ook niet in vooruitgang trouwens. Maar een kunsthandelaar uit Londen wist hem te overtuigen. Hij moest toch leven. Die afkeer van geld en dat armoedige bestaan in de beide metropolen, eigenlijk had hij dat ook met Marx gemeen. Maris vond zelfs dat mensen teveel voor zijn schilderijen betaalden. Hij ontbeerde echter een Friedrich Engels die hem in zijn levensonderhoud onderhield. Veel geld had hij niet nodig. Hij bleef ongetrouwd, tenminste ik las niets over een vrouw of kinderen. En zijn werk? Geen beelden van een modern Parijs, en ook niet van het industriële Londen. Wel boeiend en steeds raadselachtiger. Zijn laatste periode in Londen intrigeert het meest. De feeërieke middeleeuwse taferelen en dromerige meisjes maken plaats voor abstracte denkbeelden, dromen en herinneringen. Alles wordt vaag en onscherp. Verdwenen is de realiteit. De realiteit van de industriële stad. Carel Peters noemde hem in Vrij Nederland een modernist met een oude ziel en Bram de Klerck zag in hem een revolutionair en een compromisloze dromer (NRC Handelsblad 12 oktober 2017). Ik begreep het pas toen ik ‘Vanished Illusions’ zag waaraan hij jaren had gewerkt en dat op zijn schildersezel stond toen hij in 1917 overleed. De wereld stond in brand. Vijandige zeppelins vlogen over Londen. Hij werkte aan een vrouw, voorover liggend op de trappen van een altaar, bijna vallend. Maris haatte de moderniteit. Hij bleek een vernieuwer.

Tagged with:
 

United in one great city

On 1 november 2017, in wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Invention of Nature’ (2015) van Andrea Wulf:

Gerelateerde afbeelding

 

Welke ecoloog, geograaf of bioloog kent niet het werk van Alexander von Humboldt (1769-1859), Duits ontdekkingsreiziger, geleerde en wereldberoemd auteur van onder andere ‘Views of Nature’ en ‘Essay on the Geography of Plants’? De meeste van zijn vernieuwende boeken schreef Humboldt in Parijs, hoewel zijn reizen hem naar Zuid-Amerika en Rusland voerden en zijn opdrachtgever in Berlijn woonde. Humboldt koos Parijs en vermeed Berlijn, totdat hij om financiële redenen de hoofdstad van Pruisen niet langer links kon laten liggen. Biograaf Andrea Wulf beschrijft het zo: “There was no other place in Europe where thinking was allowed to be so liberal and free.” In een metropool als Parijs kon een geleerde als Humboldt zijn goddelijke gang gaan. In 1827 echter voelde hij zich gedwongen om zich bij zijn geldgever, Friedrich Wilhelm III, te voegen nadat Frankrijk in de ultra-royalisten de macht hadden overgenomen en Friedrich Wilhelm hem de wacht had aangezegd. De Pruisische politiek was op dat moment antiliberaal; van nieuwlichterij wilde kanselier Metternich niets weten. Overigens, in de rest van de wereld was het nauwelijks beter. De erfenis van Bolívar in Zuid-Amerika bleek autoritair; in Noord-Amerika was met de dood van John Adams en Thomas Jefferson in 1826 een conservatieve wind gaan waaien; de slavernij was er nog steeds niet afgeschaft. De conservatieve middenklasse regeerde. Dus besloot Humboldt na twintig jaar eindelijk Parijs voor Berlijn te verruilen.

Bij terugkeer vroeg hij zijn vriend Goethe, die inmiddels bijna 80 jaar oud was, waarom er van zo weinig innovatie sprake was in Pruisen. Goethe vond dat het metropolitane Parijs in dat opzicht veel meer mogelijkheden bood dan welke Duitse stad dan ook, Berlijn incluis. Met de ene wetenschapper in Berlijn, de andere in Königsberg en de derde in Bonn, was uitwisseling van wetenschappelijke kennis gewoon heel lastig. “Unlike Paris, he complained, where French thinkers were united in one great city, the problem in Germany was that everybody lived too far apart.” Humboldt gedijde in revolutionaire sferen – alleen de enorme kritische massa van Parijs kon hem die atmosfeer verschaffen. Ook toen hij weer in Berlijn woonde, keerde hij regelmatig voor maanden naar de Franse hoofdstad terug, waar hij een klein appartement aan de Seine bewoonde, met een slaapkamer, een bed en een bescheiden studeerkamer. Veel had hij niet nodig. De Parijse straten met hun grootstedelijke sfeer boden hem alles, ondanks de conservatieve bekrompen politiek van de royalisten. En zo is het nog steeds. In Europa leven de grote geesten te verspreid; buiten Londen en Parijs is er geen metropolitane conditie. En ook Europa is, net als de rest van de wereld, weer even conservatief als destijds. Onze tijd lijkt op die van 1827.

Tagged with:
 

Wat leveren de Olympische Spelen Parijs op?

On 13 september 2017, in infrastructuur, sport, by Zef Hemel

Gelezen op Citylab.com van 2 augustus 2017:

Gerelateerde afbeelding

 

Vandaag wordt door het IOC officieel bekendgemaakt dat Parijs de Olympische Spelen van 2024 mag gaan organiseren.  Na talrijke pogingen is het de Fransen dan toch gelukt. Honderd jaar eerder organiseerde Parijs ook al een Olympische Spelen, maar dat idee lijkt niet de werkelijke doorslag te hebben gegeven voor de keuze van het IOC. Pas toen concurrent Los Angeles bereid was om vier jaar op te schuiven, naar 2028, lag de weg open voor Parijs. Op Citylab las ik dat de enorme investeringen in het metronetwerk van Parijs sterk in het voordeel van de Fransen hebben gewerkt. De verschrikkelijke congestie in Rio de Janeiro heeft het Internationaal Olympisch Comité doen beseffen dat de spelen niet zonder goed grootstedelijk openbaar vervoer kunnen en dat met de bouw van de Grand Paris Express Parijs straks enorme voordelen geniet. Zoiets moois heeft Los Angeles niet in de aanbieding. En verder beweren de Fransen dat 95 procent van de Olympische infrastructuur al aanwezig is: Stade de France in de noordelijke periferie wordt het Olympische stadion, de overige sportvoorzieningen liggen door de stad verspreid, er komt geen echt Olympisch park.

Daarmee heeft vooral voormalig president Sarkozy de weg geplaveid voor de Franse overwinning. Destijds beloofde hij in het kader van zijn ‘Grand Paris’ een mega-investering in het Parijse metrostelsel, kosten 35 miljard euro. Vier nieuwe lijnen zullen de buitenwijken met elkaar gaan verbinden, maar dat niet alleen. Ook de twee grote vliegvelden, Orly en Charles de Gaulle, zullen op de banlieus worden aangesloten. In banlieu Saint Denis komt het Olympische dorp. Bij Stade de France is al een RER-station, maar dat krijgt door het nieuwe metronetwerk nu ook een directe aansluiting op de twee vliegvelden. Het nieuwe netwerk zal ergens tussen 2020 en 2030 gereed komen, de voor de Spelen essentiële verbindingen vóór 2024. De enorme investeringen vallen overigens buiten het Olympische budget van 6,6 miljard euro. In navolging van Londen belooft Parijs vooral een impuls voor het arme noorden: Seine-Saint-Denis. Daar staat dus al het stadion en komt het Olympische dorp. Het drukke toeristische centrum wordt echter niet ontzien, want overal verspreid liggen de sportvoorzieningen. Sporters en publiek zullen zich dwars door de stad moeten bewegen. Het worden echte metrospelen. Wordt Parijs hier werkelijk beter van? Dat is de vraag die ook Citylab zich stelt.

Tagged with:
 

Geeft HSL steden enig profijt?

On 6 juli 2017, in economie, infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 1 juli 2017:

 

Wat heeft de Hogesnelheidslijn-Zuid uiteindelijk gekost en wat heeft deze investering Amsterdam en Rotterdam opgeleverd? Die vragen stelde ik mezelf toen ik in The Economist van afgelopen week las over de voltooiing van de Franse TGV-netwerk. Het eindpunt van de bouw van het stelsel van hogesnelheidslijnen in Frankrijk is met de opening, een week geleden, van de verbindingen van Parijs met Rennes en met Bordeaux eindelijk bereikt. Of beter, voortijdig bereikt, want geldproblemen hebben het programma stopgezet. Na dertig jaar bouwen zijn tien Franse steden plus enkele tientallen voorsteden via het snelle spoor met de hoofdstad verbonden. Alleen al de lijn naar Rennes kostte de Franse schatkist vele miljarden met, zoals gebruikelijk, de nodige kostenoverschrijdingen. Ooit bedoeld om metropolen en hun luchthavens onderling te verbinden, is het programma uitgelopen op een kostbaar gezelschapsspel van burgemeesters en ministers. Meer dan 100 miljoen reizigers maken jaarlijks van het netwerk gebruik. Nu nog worden de vele onrendabele lijnen geëxploiteerd door het Franse staatsbedrijf SNCF, dat voor 40 miljard euro in het krijt staat bij de staat. Vanaf 2020 moet de exploitatie van het netwerk Europees worden aanbesteed. Italiaanse bedrijven azen op de meest lucratieve verbindingen, zoals die tussen Brussel en Parijs. Hoogste tijd om de balans op te maken.

In 2014 verscheen er een rapport waarin de economische voordelen van het hogesnelheidsspoor voor het eerst werden geëvalueerd. Die voordelen, aldus Ecorys in ‘The Economic Footprint of Railway Transport in Europe’, bleken er voor de meeste steden niet te zijn. Wel groeide het forensisme. Alleen Parijs vaart er wel bij. Zelfs knooppunt Lille heeft amper garen gesponnen bij de TGV. Sterker, sinds de komst van de snelle trein is het werkloosheidscijfer in Nord Pas de Calais verder opgelopen. Wel steeg het aantal banen in de directe omgeving van de stations, maar die lijken onttrokken aan de wijdere omgeving. En de lijn Parijs-Lyon die werd gezien als een van de lucratiefste, is dan misschien in vervoerstermen een succes, het effect op Lyon blijkt zeer beperkt. Ook in de Rhône-streek blijkt de werkloosheid sinds de komst van de TGV met 4 procent opgelopen. In een rapport van Ecorys uit 2014 staat: “Even though employment growth in cities that are on the TGV line does not generally appear to have been above the national average, a TGV connection can favour the retention of existing companies.” De vraag die The Economist aan de Franse regering stelt is of het vasthouden van bedrijven eigenlijk wel de vele miljarden euro’s waard is geweest. Zelf denk ik: had dat bedrag in de steden zelf gestoken. Dat geldt ook ten aanzien van de 11 miljard euro voor de HSL-Zuid. Zes steden kregen mooie nieuwe stations, dat wel. Maar verder?

Tagged with: