‘Het leven van mijn tijd’

On 11 november 2018, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘4321’ (2017) van Paul Auster:

Afbeeldingsresultaat voor 4321 auster

Pas op het einde van de nieuwste roman van Paul Auster wordt duidelijk wie de echte Archibald Ferguson is. Van de vier parallelle levens van de opgroeiende jongen aan de Amerikaanse oostkust blijkt de laatste, nummer 4, degene te zijn die de roman uiteindelijk schrijft. Hij is de Archibald die creatief is, die veel schrijft en die graag beroemd wil worden. De andere Archibalds besluiten een andere weg te gaan, hun drie levens zijn door nummer 4 verzonnen. Hun levens wijken ook steeds meer af van de oorspronkelijke Archi en sterven bovendien allemaal te vroeg. Alleen de echte Archi Ferguson blijft over. Meer dan ooit gaat deze vuistdikke roman van de Amerikaanse schrijver Paul Auster over toeval in het leven. Of eigenlijk gaat deze bildungsroman over de stad New York, ze is een lofzang op complexiteit. Want ofschoon hij geboren wordt in een eenvoudig joods gezin in Newark, steekt de hoofdpersoon al op jonge leeftijd met zijn vrienden de Hudson over om in New York hun geluk te beproeven. “Compactheid, immensiteit, complexiteit, zoals Ferguson het eens zei toen hem gevraagd werd waarom hij de stad boven de voorsteden verkoos, een gevoel dat door de vijf leden van zijn groepje gedeeld werd,” waarop alle vijf besloten om in New York te gaan studeren.

Ook elders in de roman wordt afgerekend met de provincie. Rochester in het noordwesten van de staat New York is een stad in een krimpregio waar hij in een van zijn levens verzeild raakt om er een journalistieke carrière te beginnen, maar er valt daar weinig te beleven. Het leven is er te eenvoudig. Nog voordat hij besluit om naar New York terug te keren sterft hij als gevolg van een brand in het verlopen huis waar hij woont door een sigaret van zijn werkloze benedenbuurman. En zijn studie aan Princeton in een ander leven wordt door het verlies van een beurs al na één jaar afgebroken, waarna hij zijn studie afmaakt in New York. Het vertrek van zijn vriendin Amy naar San Francisco in weer een ander leven kan hem niet verleiden om mee te gaan naar de westkust. Terwijl zij hem brieven schrijft over de Summer of Love, haar Hof van Eden, schrijft hij haar terug: “Zo te horen heb je er de tijd van je leven. (…) Ik heb hier in New York het leven van mijn tijd.” In weer een ander leven maakt hij een kort uitstapje naar Londen om zijn uitgever te ontmoeten. Bij het oversteken van de straat wordt hij overreden door een auto. “De goden keken vanaf hun berg naar beneden en haalden de schouders op.” De roman eindigt in 1974, als nummer 4 besluit naar Parijs te vertrekken. “De volgende vijfenhalf jaar woonde hij in een tweekamerflatje in de rue Descartes in het vijfde arrondissement, gestaag werkend aan zijn roman over de vier Fergusons, die tot een veel dikker boek uitgroeide dan hij zich had voorgesteld, en toen hij op 25 augustus 1975 het laatste woord schreef, omvatte het manuscript uiteindelijk een totaal van elfhonderddrieëndertig met dubbele regelafstand getypte pagina’s.” Ach ja, New York. En ook Parijs.

Tagged with:
 

Perimeter Parijs

On 29 oktober 2018, in landschap, by Zef Hemel

Gelezen in The New York Times van 22 oktober 2018:

Gerelateerde afbeelding

Interessant artikel in The New York Times van afgelopen week. David McAninch, auteur van onder andere Duck Season, maakte een wandeling door de buitenwijken van Parijs. In ‘A new view of Paris: From the perimeter’ beschrijft hij een zesdaagse trektocht in mei 2018 buiten de platgetreden paden van de gemiddelde Parijse toerist, in een wijde boog, tot soms ver buiten de Périphérique, want hij liep tegen de klok in. De lichtstad met zijn monumenten vond hij al te bekend, te mooi en klassiek, terwijl hij nieuwsgierig was naar de randen. Daarom begon de Amerikaan vanuit zijn hotel bij Porte Dorée in noordelijke richting te lopen, wandelde vervolgens in zes dagen tijd 35 mijl door een rommelige stedelijke agglomeratie van net iets minder dan 10 miljoen inwoners. Tot zijn verbazing is de periferie van Parijs veel gevarieerder dan hij dacht. Naast de beruchte banlieus met hun dichte migrantenenclaves trof hij voormalige industrieterreinen met hippe lui en creatieve bedrijven, galeries waar graffiti en moderne kunst werd verkocht, dure bastions voor rijke stedelingen, mooie slaperige dorpjes en uitgestrekte parken en ook bossen. Zijn conclusie na een dag wandelen: de randen van Parijs hebben de afgelopen eeuw vooral dienstgedaan als een groot laboratorium voor vette en soms ronduit absurde architectuur. Zoals het Centre Nationale de la Danse uit 1972 of het twee jaar oude M6B2 op de rand van het 13e arrondissement.

Niet elk onderdeel vond hij even opwindend. Vooral op zijn route van St Dénis in het noordoosten in westelijke richting tot aan zakencentrum La Défense viel hem tegen. Google Maps loodste hem hier langs saaie boxen en dozen die zich eindeloos aaneen leken te rijgen. Gelukkig belandde hij de volgende dag in Bois de Boulogne. Daarna volgde het zuiden, dat hij bereikte via uitgestrekte rangeerterreinen met kampementen vol vluchtelingen en Roma’s; hun vuren en tenten deden hem denken aan de foto’s van Atget. Montreuil zou het Brooklyn van Parijs zijn en, inderdaad, er klonk muziek en er was veel jong en trendy volk op de been in een klein parkje vlak achter het stadhuis. Sommige muziekwinkels deden hem denken aan de East Village in de jaren 1980, maar dan schoner. En zo gaat het maar door. Mooi ook de laatste zin als hij een taxi instapt om vermoeid terug te keren naar zijn hotel: “As the driver eased onto the Périph, flowing smootyhly at this late hour, I had the thought that the highway, which I’d crossed over and under so many times on my walk, no longer felt like much of a barrier at all.” Zijn tocht deed me denken aan ‘Schuifgroen. Een wandeling langs de grens van Amsterdam’’ (2003) van Herman Vuijsje. Socioloog en wandelaar Vuijsje zocht destijds het perifere groen op, dat hij steeds verder zag opschuiven naar buiten. McAninch is niet bang voor de grote stad. Hij maakt het centrum groter. Dat is de èchte emancipatie van de periferie. Wordt dit een trend?

Tagged with:
 

Metropolitaan onvermogen

On 7 september 2018, in bestuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Paris, métropole introuvable’ (2017) van Christian Lefèvre:

Afbeeldingsresultaat voor christian fefevre paris metropole introuvable

Deze week een inspiratiecollege gegeven aan studenten Urban Management van de Hogeschool van Amsterdam over de metropool Amsterdam bezien vanuit het mondiale. De andere bijdrage, van Martin van der Maas, ging over Amsterdam en haar bewoners. De laatste klonk vertrouwd in de oren, de eerste bleek vrijwel onbekend. Dat is ook niet zo vreemd. Amsterdam ziet zichzelf niet als onderdeel van de grote wereld, denkt hoofdzakelijk lokaal, positioneert zich regionaal of nationaal, en zelfs vaak dat niet. Dat probleem deelt ze met Parijs. Deze zomer las ik er een boekje over. In ‘Paris, métropole introuvable’ beschrijft Christian Lefèvre hoeveel moeite het de Franse hoofdstad kost om internationaal te denken en zichzelf als wereldstad te positioneren en te besturen. Parijs, met 12 miljoen inwoners, is een absolute ‘Global City’, maar het lokale bestuur is daartoe allerminst geëquipeerd. Anders dan Londen of New York opereert Parijs bijna provinciaals, is het bestuur sterk naar binnen gekeerd, ziet het zichzelf hoogstens als een van de ‘stedelijke regio’s’ in nationaal verband. De aansluiting bij de rest van de wereld weet de Franse metropool maar niet te leggen. Lefèvre, die hoogleraar is aan de Ecole de l’Urbanisme te Parijs, verbaast zich hierover en beschrijft hoe de afgelopen twintig jaar een notie van globalisering het Parijse stadhuis via de achterdeur binnendrong.

In het hoofdstuk ‘Une métropole peu préparée à la globalisation’ laat Lefèvre zien hoe bijna tegen beter weten in Parijs in de Tweede Wereldoorlog tot een machtige mondiale speler uitgroeide. Jarenlang probeerde de  Franse regering aan de hoofdstad overheidsmiddelen te onthouden, die ze elders in het land besteedde. Vanaf 1955 werden zelfs bedrijven aangemoedigd om zich niet in Parijs te vestigen. Parijs had tot 1977 ook geen burgemeester. Lefèvre spreekt van straffen: Parijs moest worden gestraft voor haar dominante positie en haar arrogante gedrag. Elders heeft hij het over het ‘in de steek laten’ van Parijs. De burgemeester van Parijs, illustreert hij met een fraai citaat, moest zich niets verbeelden; hij was net zo’n burgemeester als al die andere burgemeesters. Lefèvre laat zien hoe vanaf 2000 hierin verandering komt. De president van de republiek, Nicolas Sarkozy, begint Parijs te zien als een troef in het spel van mondialisering. Maar ook dan wordt ze door de staat gebruikt. Elke poging van de Parijse regio om een eigen bestuur op te tuigen wordt door de president en zijn opvolgers getorpedeerd. De macht van Parijs moest hoe dan ook worden gebroken. Het politieke steekspel rond Parijs, concludeert Lefèvre, heeft een interne cultuur opgeleverd die slecht bestand is tegen het proces van mondialisering. Zeker op het niveau van Ile de France is er geen collectieve autoriteit. Met alle gevolgen van dien. In Amsterdam is het niet anders.

Tagged with:
 

De gentrificatie van Parijs

On 29 augustus 2018, in boeken, politiek, sociaal, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Sociologie de Paris’ (2014) van Michel Pinçon en Monique Pinçon-Charlot:

Afbeeldingsresultaat voor sociologie de paris pinçon charlot

Elegant boekje van het sociologenechtpaar Pinçon over de gentrificatie van Parijs. Het origineel stamt uit 2004, een herziene druk zag het licht in 2014. Ik las het afgelopen week tijdens mijn verblijf in het 19de arrondissement. Beide echtelieden zijn verbonden aan het Centre National de Recherche Scientifique (CNRS), Michel doet er onderzoek naar arbeiders, Monique naar stedelijke gentrificatieprocessen. Pinçon steunt openlijk het linkse kamp van Jean-Luc Mélenchon. Het boekje is elegant omdat het de sociale stratificatie van Parijs helder uiteenzet langs historisch-geografische lijnen. De segregatie van Parijs is al heel oud. De verburgerlijking van Parijs die in het boekje wordt beschreven is echter nieuw. Eeuwenlang was Parijs overwegend een arme en revolutionaire arbeidersstad, de rijkdom was er altijd geconcentreerd in het westelijke deel. Nu raakt de hele stad – althans binnen de contouren van de rondweg – de Périphérique – zwaar gegentrificeerd. Het centrum wordt zelfs extreem rijk, met buurten bestaande uit overwegend pieds-à-terres van chique lui uit de hele wereld. Tegelijkertijd proletariseren en verkleuren de buitenwijken buiten de ring, dus het contrast wordt steeds groter. De snelle verburgerlijking van Parijs wordt voortgestuwd door de komst van zogenoemde ‘bobo’s’: bourgeois-bohèmes, dat zijn jonge stedelingen overwegend werkzaam in de creatieve industrie. Alleen het 19e en 20ste arrondissement in het noordoosten rond het Bassin de la Villette, waar ik verbleef, blijven hardnekkig weerstand bieden.

Het echtpaar verbaast zich over het feit dat Parijs ondertussen politiek steeds linkser stemt. Parijs stemde altijd juist rechts, maar sinds 2001 ontstaan er lokaal voortdurende linkse meerderheden. Ze brengen dit in verband met het feit dat de nieuwe bourgeois-bohèmes overwegend linkse sympathieën koesteren. Ze denken dat het te maken heeft met de gelijktijdige toestroom van arme migranten, want Parijs oefent ook grote aantrekkingskracht op hen uit. Die confrontatie is voor jonge mensen moeilijk te verdragen. Jonge stedelingen die de arbeidersbuurten, de fabrieken en de oude cafés juist zo aantrekkelijk vinden en die zelfs heimwee hebben naar de Parijse revoluties van 1968 en 1871 (de Commune), lijken met een heus schuldgevoel te kampen. Misschien, schrijven de echtelieden, kopen deze zelfbenoemde erfgenamen van de linkse revoluties hun schuldgevoel af door links te stemmen. Want tegelijk zijn ze voor economisch liberalisme. Het is als: wij werken hard en willen feest vieren; laat de gemeente voor de armen zorgen. Dat is wat je in Parijs op straat ook ziet: jonge feestvierders gecombineerd met gemeentelijke reinigingsdiensten, gemeentelijke voedselbanken, gemeentelijke opvanghuizen. Het viel me vooral op in mijn 20ste arrondissement: verslaafden en vluchtelingen mengden zich met jonge stedelingen op een door de gemeente georganiseerde ‘Paris Plage’. Het beeld wijkt overigens sterk af van de rest van Frankrijk. Ook dat verschil wordt steeds groter.

Tagged with:
 

Monet in Londen

On 1 augustus 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in de Tate Britain in Londen op 4 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor impressionists in london

Deze zomer ga ik tekenen en schilderen. U verneemt dus even niets van mij. Ik ga naar het droge licht van Van Gogh, in de Provence, met zijn heldere kleuren, dat de schilder zo graag vergeleek met het Japanse licht. Ons eigen vochtige licht schilderde Monet. Ik ken niemand die dit mooier heeft vastgelegd op het linnen doek. Dit voorjaar zag ik het met eigen ogen in de Tate Britain in Londen. In de expositie ‘Impressionists in London’ was één zaal gewijd aan een stuk of negen doeken van Monet van de Thames bij Westminster. In totaal zou hij er meer dan honderd van hebben gemaakt (sic!). In 1904 werden er 37 doeken tentoon gesteld in Parijs, bij de galerie van Durand-Ruel. Het was een megasucces. De doeken had hij in drie winters geschilderd terwijl hij verbleef in het Savoy hotel aan de overkant van de Thames, dat was in 1899, 1900 en 1901. Hij was toen de zestig juist gepasseerd. Zijn bedoeling was om nog één keer alles wat hij in zijn schildersleven had doorleefd – ‘impressions and sensations’ – op het schilderdoek vast te leggen. In totaal verbleef hij zes maanden in het hotel. Daarna nam hij ze mee naar Parijs om er verder aan te werken. Ik zou ze graag allemaal eens tegelijk willen zien.

Overigens, kort daarna opende in de National Gallery een tentoonstelling over ‘Monet & Architecture’. Afgelopen weekeinde was de laatste mogelijkheid om deze tentoonstelling te bezoeken. Die heb ik gemist. Ik begreep dat daar opnieuw een groot aantal Thames-schilderijen van Monet te zien waren. In een recensie las ik dat hij de doeken van Waterloo en Charing Cross in 1899 had geschilderd vanuit de suites 610 en 611 en in 1900 en in 1901 de suites daar direct onder, vanuit 510 en 511, om precies te zijn vanaf het balkon. Tot op de dag van vandaag kun je deze ‘Monet suite’ boeken; een nacht in suite 610 en 611 kost u tenminste 720 Engelse pond, met maaltijden en een tour zelfs 2.600 pond. James Whistler zou Monet op de suites hebben gewezen. Waarom de Franse schilder in 1900 en 1901 moest uitwijken naar een verdieping lager weet ik nu ook: 610 en 611 waren op dat moment in gebruik door invalide Britse soldaten uit de tweede Boerenoorlog. De doeken van Westminster schilderde hij overigens na de thee, aan de overkant van de rivier, bij St Thomas Hospital. Monet had een ijzeren discipline. Die heb ik niet.

Tagged with:
 

De rode woonagenda van Parijs

On 25 mei 2018, in Geen categorie, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in Parijs op 17 mei 2018:

 

 Gerelateerde afbeelding

Paris Habitat is een van de 732 woningbouwverenigingen die Frankrijk telt. Samen beheren de Franse corporaties 4,6 miljoen sociale woningen, dat is 17 procent van de totale woningvoorraad van het land. In hoofdstad Parijs gaat het om 21 procent, iets meer dus dan het Franse gemiddelde. Dit komt neer op meer dan één miljoen sociale woningen. Maar dat is nog altijd te weinig. De Parijse woningmarkt is, net als die van Londen en Amsterdam, oververhit, op de wachtlijst staan meer dan 150.000 verzoeken die niet kunnen worden gehonoreerd. Bovendien kwamen sinds 2015 liefst 35.000 migranten de stad binnen die een goedkope woning nodig hebben. Het socialistische gemeentebestuur van Parijs wil daarom dat er jaarlijks 7500 sociale woningen worden bijgebouwd. Paris Habitat krijgt forse subsidie van de gemeente, naar ik begreep zeker 3 miljard euro, want bouwen in Parijs is extreem duur. Echter, de regering Macron betaalt die meerkosten niet. Wel eist de regering dat zeker 25 procent van de woningvoorraad in elke Franse gemeente in 2025 sociaal moet zijn, maar voor Parijs treft ze geen voorzieningen. Ondertussen liep de bijdrage van de Franse regering aan de woonagenda terug van 880 miljoen euro in 2005 naar 205 miljoen in 2017. Burgemeester Anne Hidalgo (Parti Socialiste) legt daarom fors geld bij en is nog ambitieuzer dan de president: liefst 30 procent van de woningvoorraad van Parijs moet volgens haar in 2025 sociaal zijn.

Paris Habitat beheert 124.000 sociale woningen, waarvan 90 procent binnen de gemeentegrenzen, dus binnen de Parijse Périphérique. Huurders betalen 5 tot maximaal 12 euro per vierkante meter; dat is een schijntje vergeleken bij de marktprijzen die in Parijs schommelen rond de 25 euro per vierkante meter. Elk jaar geeft de grootste corporatie van Frankrijk 5.000 woningen uit aan nieuwe bewoners. Daarvan is een steeds groter deel kwetsbaar en/of armlastig; ook de gemiddelde leeftijd gaat steeds verder omhoog. De leden van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing die het hoofdkantoor van Paris Habitat bezochten klonk het als muziek in de oren. Sommigen vonden het zelfs ouderwets riant, zeker toen ze hoorden hoe de stad Parijs met financiële middelen bijsprong. De oren gingen zelfs klapperen toen ze van het plan hoorden om 96 sociale appartementen te bouwen in het oudste warenhuis van Parijs, ook wel bekend als Samaritaine, aan de oevers van de Seine. In Frankrijk is het vraagstuk van de sociale woningvoorraad inmiddels een belangrijk politiek aandachtspunt en de verbouwing van het beroemde warenhuis staat daarvoor symbool. Maar later, tijdens ons bezoek aan Clichy-Batignolles, hoorden wij hoe de prijzen van de sociale huurwoningen en vrijesectorwoningen in dit stadsvernieuwingsgebied extreem uit elkaar gaan lopen. Dat snel groeiende verschil voelt allerminst rechtvaardig.

Tagged with:
 

Parijse urban commons

On 24 mei 2018, in duurzaamheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Hotel de Ville te Parijs op 17 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor reinventer paris missika

 

Jean-Louis Missika, wethouder stadsontwikkeling, ontving ons afgelopen donderdag op het stadhuis van Parijs. Missika is lid van de Parti Socialiste.  Hij sprak over het programma ‘Reinventer Paris’: een poging van het huidige Parijse gemeentebestuur om via een open competitie het ecosysteem van stedelijke innovatie in Parijs te verbeteren. Normale tenders, vertelde Missika, leiden slechts tot winnaars die het hoogste bieden tegen de laagste prijs. Maar geld vond hij geen goed criterium. Bovendien zijn het steeds dezelfde partijen die winnen. Innovatiekracht in de projectontwikkeling kan alleen worden uitgelokt als de prijs niet langer bepalend is, maar kwaliteit. Verandert men de regels van het spel, dan veranderen ook de spelers. De vijfendertig projecten van ‘Reinventer Paris’ vormden volgens hem een mooi ‘bouquet japonnais’, het nieuwe spel had een bonte massa van partijen opgeleverd die door onorthodox samen te werken met geheel nieuwe programma’s waren gekomen. Een aantal projecten liet hij de revue passeren: Masséna, Pershing, Morland, In vivo, Stream Building. Oogst: 1341 nieuwe woningen op binnenstedelijke locaties, 22.000 vierkante meter groen toegevoegd, tegen een grondwaarde van 565 miljoen euro.

Naast innovatie had het gemeentebestuur met ‘Reinventer Paris’ ook ‘urban commons’ willen creëren. Missika gaf toe dat dit enigszins theoretisch klonk, maar toch meende hij dat hierin belangrijke stappen waren gezet door het uitschrijven van de competitie. De harde scheiding tussen publiek en privaat was dankzij de werkwijze op menig plek doorbroken. Zo hadden marktpartijen delen van private gebouwen publiek gemaakt, één gebouw zou 24 uur per dag voor het publiek worden geopend, duizenden bomen zouden aan de stad worden toegevoegd, dikwijls op terrassen en daken, en die daken zouden ook toegankelijk worden voor het publiek. Ik stelde Missika een kritische vraag, maar kreeg een onbevredigend antwoord. De volgende dag nam ik de proef op de som door de grote ontvangsthal van het pas geopende gerechtsgebouw in Clichy-Batignolles te betreden. Na de bewaking te zijn gepasseerd en mijn tas te hebben getoond kwam ik in de door Renzo Piano vormgegeven ruimte. Tot zover ging het goed. Maar het dakterras bleef voor me gesloten. En dit was nog wel een publiek gebouw. Persoonlijk denk ik dat urban commons niet bevorderd worden door prijsvragen uit te schrijven. Een prijsvraag werkt concurrentie in de hand en kent naast winnaars vooral verliezers. Wie echte urban commons wil creëren moet veel radicaler durven zijn.

Tagged with:
 

Voorbeeldige stedelijke verdichting

On 22 mei 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Parijs op vrijdag 18 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor plan clichy batignolles metro

Toch jammer dat Amsterdam zijn bid voor de Olympische Spelen van 2028 niet heeft doorgezet, nee zelfs ruimtelijk nooit heeft ingevuld. Het bleef bij vage opties (op de Zuidas respectievelijk Coen- en Vlothaven) en ook nog in een vervelende strijd verwikkeld met Rotterdam en de rest van de Randstad. Totdat de regering Rutte de stekker uit de kandidatuur trok, om financiële redenen. Ook Parijs verloor van Londen voor de Spelen van 2012, maar de Franse hoofdstad beschikte tenminste wel over een plan voor een Olympisch dorp in Clichy-Batignolles en heeft, ondanks het verlies van destijds, dit plan uitgevoerd. In 2007 kwam het eerste deel gereed. In 2014 volgde het tweede deel. Nog een jaar en dan zal het hele plan voltooid zijn: circa 3.500 woningen in een zeer hoge dichtheid, een nieuwe rechtbank naar een ontwerp van Renzo Piano, kantoren als op de Amsterdamse Zuidas (maar dan veel beter) en een aantrekkelijk nieuw park van 10 hectare in het midden. Afgelopen week ging ik met een gezelschap van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing kijken. Aanleiding: 35 jaar stedelijke vernieuwing in Nederland. We werden rondgeleid door Stéphane Kirkland van Arcadis. Indrukwekkende woningbouw. Maar dat niet alleen. Het dichtbebouwde gebied wordt met verlengde metrolijnen (lijn 14) aangesloten op het bestaande netwerk, de buitenwijken en de vliegvelden en wel op zodanige wijze dat het voelt alsof je straks in de binnenstad van Parijs woont. Porte de Clichy is om de hoek. Wat een uitzonderlijke prestatie! Hier wordt een belangrijke stap gezet van stedelijke vernieuwing naar stedelijke verdichting.

Clichy-Batignolles ligt op voormalige rangeerterreinen van de Franse spoorwegen in het 17e arrondissement in het uiterste noordwesten van de Parijse binnenstad. Bij zijn aantreden in 2001 als burgemeester namens de Groenen had Bertrand Delanoë zijn oog al laten vallen op het rangeerterrein in de periferie. Het voornemen om het terrein te bebouwen dateert dus al van voor het Olympische plan. Het moest een groene en ecologische woonwijk worden in zeer hoge dichtheid, met sociale woningbouw en veel nieuwe werkgelegenheid. Vervolgens nam de regering-Hollande dit idee over als onderdeel van het Olympische bid. De nieuwe burgemeester, Anne Hidalgo van de Parti Socialiste, kan binnenkort het ecologische park openen. Vrijwel alle linkse idealen werden hier gerealiseerd. Ondertussen gaan de vrijesectorwoningen in het gebied van de hand voor prijzen die de miljoen euro gemakkelijk overtreffen. Kwaliteit betaalt zich altijd terug. Geen van de appartementen in dit gebied is overigens groter dan 100 vierkante meter. Zoals gezegd, in Nederlandse steden hoef je op zo’n uitzonderlijke prestatie niet te rekenen. Niet alleen ontbreekt het bij ons aan zo’n gezamenlijke ambitie, ook missen onze steden de kritische massa die nodig is om zo’n dicht en veelzijdig programma te realiseren. Clichy-Batignolles is zelfs geraffineerder dan wat ik in Londen heb gezien. Nederland raakt steeds verder achterop als het gaat om het toevoegen van duurzame programma’s in hoge dichtheid in een grootstedelijke context. Wij zijn al tevreden met stedelijke vernieuwing.

Tagged with:
 

Parijs heruitvinden

On 18 mei 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Le Monde van 3 augustus 2017:

Gerelateerde afbeelding

Op 3 december 2014 lanceerde de toen pas aangetreden burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo, in het Pavillon d’ Arsenale het programma ‘Reinventer Paris’. Voor 23 locaties binnen de Franse hoofdstad vroeg zij om voorstellen, in te dienen in een internationale open inschrijving. Informatie over alle locaties was op een publiek toegankelijke website te vinden. De meeste betroffen plekken die verlaten waren of waar op dat moment weinig gebeurde. Gevraagd werd om innovatieve voorstellen voor een beter gebruik: flexibeler, gemengder, ecologischer, socialer. “These sites form a diverse supply of land and housing, spread over the Paris area and rapidly available. They comprise land and property owned by the City or its partners – social housing landlords or developers. For each of them, a specific procedure will be implemented so that the winning innovative project can be brought to fruition.” Het leek er op dat de winnende voorstellen ook zouden worden uitgevoerd. De hele wereld kon meedoen. In het voorjaar van 2015 stroomden de eerste voorstellen binnen, waarna in de zomer een jury de meest aansprekende inzendingen koos uit de in totaal 372 inzendingen. Inmiddels zijn de winnaars bekend en is er in 2017 alweer een tweede ronde locaties uitgeschreven. Afgelopen maart werden daarvan de finalisten bekend gemaakt. En daarna volgden ‘Reinventer la Seine’ en ‘Reinventer le Metropole’.

De beproefde werkwijze bleek succesvol en werd in korte tijd zeker driemaal herhaald. Maar in Le Monde verscheen er in de zomer van 2017 kritiek op de oogst van de eerste ronde. Op dat moment was het werk van de prijswinnaars voor het groot publiek tentoongesteld. Frédéric Edelman vond de meeste voorstellen tamelijk naïef en getuigen van ‘groen infantilisme’. Ze deden hem denken aan ‘Banlieu ‘89’ uit 1984, toen de tweehonderd inzendingen volgens betrokkenen van dezelfde naïviteit hadden getuigd. Men had het beschouwd als politieke propaganda. Erger vond hij dat de professie nog altijd niet in staat was gebleken om hardnekkige maatschappelijke vraagstukken op te lossen met doorwrochte ontwerpen. Is dit een nieuw model over stadsontwikkeling?, vroeg de architectuurwebsite AMC zich af. De prijsvraag had de stad weinig gekost, maar had een oogst aan ideeën opgeleverd voor grondprijzen tegen een waarde van in totaal 565 miljoen euro. Ook zij vond de meeste ontwerpen zeer matig. De kritiek werd door het stadhuis verworpen. De waarde van haar aanpak, beweerde ze, moest  in de onorthodoxe samenstelling van de teams worden gezocht, waarin architecten hadden samengewerkt met gebruikers, ontwikkelaars en NGO’s. Zo’n aanpak vond ze beter dan projectontwikkeling. En de meeste architecten, voegde ze eraan toe, waren keurig door de betrokken private partijen betaald, daar was de overheid niet voor nodig. Waarop de redactie concludeerde: “La polémique sur la rémunération n’est en réalité que le symptôme d’une époque marquée par la privatisation grandissante de la commande publique."

Tagged with:
 

Op de helft

On 20 april 2018, in boeken, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ (2013) van Thomas Piketty:

Afbeeldingsresultaat voor piketty capital

Nu pas gelezen en nog maar halverwege: Thomas Piketty’s ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’. Eerst wilde ik ‘Dat Kapital’ van Karl Marx zelf lezen. Dat heb ik inmiddels gedaan. Nu dus Piketty. De lange historische lijnen die de Fransman, verbonden aan de École d’economie de Paris, trekt gaan terug op Marx, nee verder, ze voeren de lezer naar het begin van de Industriële revolutie. Mooi is het om te lezen hoe hij vanuit de negentiende eeuw op onze tijd terugblikt en vaststelt dat kapitaal terug is van weggeweest. De twintigste eeuw met zijn twee wereldoorlogen en moeizame wederopbouw zijn vooral een breuk geweest in een lange geschiedenis van het globale kapitalisme. Even leek arbeid beslissend te worden, maar uiteindelijk is vermogen toch weer in hoge mate bepalend voor iemands maatschappelijke positie. Dat is balen. Bijzonder in het boek is het hoe Piketty dit illustreert aan de hand van negentiende eeuwse romans als die van Austen en De Balzac. Zo ongeveer moeten we ons de toekomst dus voorstellen. Zelfs al is de recente verandering in de technologie gunstig voor de factor arbeid, toch zal het aandeel van kapitaal niet afnemen, denkt hij. Sterker, de moderne technologie maakt het mogelijk om kolossale hoeveelheden kapitaal te accumuleren zonder dat het rendement volledig verloren gaat. “Wordt de eenentwintigste eeuw nog minder egalitair dan de negentiende, voor zover hij dat niet al is?” De vraag stellen is hem beantwoorden.

Net als Marx heeft Piketty weinig op met steden. Zijn analyses gaan over landen, Engeland en Frankrijk in de eerste plaats. Dat vader Goriot, een schepping van Honoré de Balzac, in Parijs leefde, neemt hij voetstoots aan. Zijn dochters uithuwelijken in de beste Parijse kringen is ook al zo’n ding. En dan verschijnt daar Rastignac als berooide edelman uit de Franse provincie, die zijn geluk komt beproeven in de Franse hoofdstad. Ook die laat zich uiteindelijk meeslepen door de aanblik van alle rijkdommen, om uiteindelijk even meedogenloos te worden als de door geld gecorrumpeerde Parijse elite. Rastignac aast op de erfenis van Victorine in plaats van door studie, talent en hard werken rijkdom te vergaren. Kortom, het negentiende eeuwse Parijs groeide en bloeide in de ogen van De Balzac door de ongebreidelde accumulatie van kapitaal, door corruptie onder elites rond erfenissen en huwelijken, soms gepaard gaande met moorden, een zeer ongelijke samenleving waarin kapitaal belangrijker was dan arbeid. Volgens Piketty gaan we terug naar die verdorven tijd, een tijd van grote ongelijkheid, met grootstedelijke elites die zich via erfenissen verrijken en een verarmend platteland. Was het negentiende eeuwse Parijs werkelijk zo’n corrupte bende? Was die snel groeiende metropool van destijds niet óók een grandioos economisch, sociaal-cultureel laboratorium, een eclatant succes? Piketty, zelf woonachtig in Parijs, vertelt liever het oude verhaal van Karl Marx. Nogmaals, ik ben pas op de helft van zijn magistrale boek. Misschien ontdekt de auteur alsnog de zegeningen van de in de twintigste eeuw door Europeanen weggebombardeerde maar dus nooit verslagen metropolen.

Tagged with: