De rode woonagenda van Parijs

On 25 mei 2018, in Geen categorie, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in Parijs op 17 mei 2018:

 

 Gerelateerde afbeelding

Paris Habitat is een van de 732 woningbouwverenigingen die Frankrijk telt. Samen beheren de Franse corporaties 4,6 miljoen sociale woningen, dat is 17 procent van de totale woningvoorraad van het land. In hoofdstad Parijs gaat het om 21 procent, iets meer dus dan het Franse gemiddelde. Dit komt neer op meer dan één miljoen sociale woningen. Maar dat is nog altijd te weinig. De Parijse woningmarkt is, net als die van Londen en Amsterdam, oververhit, op de wachtlijst staan meer dan 150.000 verzoeken die niet kunnen worden gehonoreerd. Bovendien kwamen sinds 2015 liefst 35.000 migranten de stad binnen die een goedkope woning nodig hebben. Het socialistische gemeentebestuur van Parijs wil daarom dat er jaarlijks 7500 sociale woningen worden bijgebouwd. Paris Habitat krijgt forse subsidie van de gemeente, naar ik begreep zeker 3 miljard euro, want bouwen in Parijs is extreem duur. Echter, de regering Macron betaalt die meerkosten niet. Wel eist de regering dat zeker 25 procent van de woningvoorraad in elke Franse gemeente in 2025 sociaal moet zijn, maar voor Parijs treft ze geen voorzieningen. Ondertussen liep de bijdrage van de Franse regering aan de woonagenda terug van 880 miljoen euro in 2005 naar 205 miljoen in 2017. Burgemeester Anne Hidalgo (Parti Socialiste) legt daarom fors geld bij en is nog ambitieuzer dan de president: liefst 30 procent van de woningvoorraad van Parijs moet volgens haar in 2025 sociaal zijn.

Paris Habitat beheert 124.000 sociale woningen, waarvan 90 procent binnen de gemeentegrenzen, dus binnen de Parijse Périphérique. Huurders betalen 5 tot maximaal 12 euro per vierkante meter; dat is een schijntje vergeleken bij de marktprijzen die in Parijs schommelen rond de 25 euro per vierkante meter. Elk jaar geeft de grootste corporatie van Frankrijk 5.000 woningen uit aan nieuwe bewoners. Daarvan is een steeds groter deel kwetsbaar en/of armlastig; ook de gemiddelde leeftijd gaat steeds verder omhoog. De leden van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing die het hoofdkantoor van Paris Habitat bezochten klonk het als muziek in de oren. Sommigen vonden het zelfs ouderwets riant, zeker toen ze hoorden hoe de stad Parijs met financiële middelen bijsprong. De oren gingen zelfs klapperen toen ze van het plan hoorden om 96 sociale appartementen te bouwen in het oudste warenhuis van Parijs, ook wel bekend als Samaritaine, aan de oevers van de Seine. In Frankrijk is het vraagstuk van de sociale woningvoorraad inmiddels een belangrijk politiek aandachtspunt en de verbouwing van het beroemde warenhuis staat daarvoor symbool. Maar later, tijdens ons bezoek aan Clichy-Batignolles, hoorden wij hoe de prijzen van de sociale huurwoningen en vrijesectorwoningen in dit stadsvernieuwingsgebied extreem uit elkaar gaan lopen. Dat snel groeiende verschil voelt allerminst rechtvaardig.

Tagged with:
 

Parijse urban commons

On 24 mei 2018, in duurzaamheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in Hotel de Ville te Parijs op 17 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor reinventer paris missika

 

Jean-Louis Missika, wethouder stadsontwikkeling, ontving ons afgelopen donderdag op het stadhuis van Parijs. Missika is lid van de Parti Socialiste.  Hij sprak over het programma ‘Reinventer Paris’: een poging van het huidige Parijse gemeentebestuur om via een open competitie het ecosysteem van stedelijke innovatie in Parijs te verbeteren. Normale tenders, vertelde Missika, leiden slechts tot winnaars die het hoogste bieden tegen de laagste prijs. Maar geld vond hij geen goed criterium. Bovendien zijn het steeds dezelfde partijen die winnen. Innovatiekracht in de projectontwikkeling kan alleen worden uitgelokt als de prijs niet langer bepalend is, maar kwaliteit. Verandert men de regels van het spel, dan veranderen ook de spelers. De vijfendertig projecten van ‘Reinventer Paris’ vormden volgens hem een mooi ‘bouquet japonnais’, het nieuwe spel had een bonte massa van partijen opgeleverd die door onorthodox samen te werken met geheel nieuwe programma’s waren gekomen. Een aantal projecten liet hij de revue passeren: Masséna, Pershing, Morland, In vivo, Stream Building. Oogst: 1341 nieuwe woningen op binnenstedelijke locaties, 22.000 vierkante meter groen toegevoegd, tegen een grondwaarde van 565 miljoen euro.

Naast innovatie had het gemeentebestuur met ‘Reinventer Paris’ ook ‘urban commons’ willen creëren. Missika gaf toe dat dit enigszins theoretisch klonk, maar toch meende hij dat hierin belangrijke stappen waren gezet door het uitschrijven van de competitie. De harde scheiding tussen publiek en privaat was dankzij de werkwijze op menig plek doorbroken. Zo hadden marktpartijen delen van private gebouwen publiek gemaakt, één gebouw zou 24 uur per dag voor het publiek worden geopend, duizenden bomen zouden aan de stad worden toegevoegd, dikwijls op terrassen en daken, en die daken zouden ook toegankelijk worden voor het publiek. Ik stelde Missika een kritische vraag, maar kreeg een onbevredigend antwoord. De volgende dag nam ik de proef op de som door de grote ontvangsthal van het pas geopende gerechtsgebouw in Clichy-Batignolles te betreden. Na de bewaking te zijn gepasseerd en mijn tas te hebben getoond kwam ik in de door Renzo Piano vormgegeven ruimte. Tot zover ging het goed. Maar het dakterras bleef voor me gesloten. En dit was nog wel een publiek gebouw. Persoonlijk denk ik dat urban commons niet bevorderd worden door prijsvragen uit te schrijven. Een prijsvraag werkt concurrentie in de hand en kent naast winnaars vooral verliezers. Wie echte urban commons wil creëren moet veel radicaler durven zijn.

Tagged with:
 

Voorbeeldige stedelijke verdichting

On 22 mei 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Parijs op vrijdag 18 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor plan clichy batignolles metro

Toch jammer dat Amsterdam zijn bid voor de Olympische Spelen van 2028 niet heeft doorgezet, nee zelfs ruimtelijk nooit heeft ingevuld. Het bleef bij vage opties (op de Zuidas respectievelijk Coen- en Vlothaven) en ook nog in een vervelende strijd verwikkeld met Rotterdam en de rest van de Randstad. Totdat de regering Rutte de stekker uit de kandidatuur trok, om financiële redenen. Ook Parijs verloor van Londen voor de Spelen van 2012, maar de Franse hoofdstad beschikte tenminste wel over een plan voor een Olympisch dorp in Clichy-Batignolles en heeft, ondanks het verlies van destijds, dit plan uitgevoerd. In 2007 kwam het eerste deel gereed. In 2014 volgde het tweede deel. Nog een jaar en dan zal het hele plan voltooid zijn: circa 3.500 woningen in een zeer hoge dichtheid, een nieuwe rechtbank naar een ontwerp van Renzo Piano, kantoren als op de Amsterdamse Zuidas (maar dan veel beter) en een aantrekkelijk nieuw park van 10 hectare in het midden. Afgelopen week ging ik met een gezelschap van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing kijken. Aanleiding: 35 jaar stedelijke vernieuwing in Nederland. We werden rondgeleid door Stéphane Kirkland van Arcadis. Indrukwekkende woningbouw. Maar dat niet alleen. Het dichtbebouwde gebied wordt met verlengde metrolijnen (lijn 14) aangesloten op het bestaande netwerk, de buitenwijken en de vliegvelden en wel op zodanige wijze dat het voelt alsof je straks in de binnenstad van Parijs woont. Porte de Clichy is om de hoek. Wat een uitzonderlijke prestatie! Hier wordt een belangrijke stap gezet van stedelijke vernieuwing naar stedelijke verdichting.

Clichy-Batignolles ligt op voormalige rangeerterreinen van de Franse spoorwegen in het 17e arrondissement in het uiterste noordwesten van de Parijse binnenstad. Bij zijn aantreden in 2001 als burgemeester namens de Groenen had Bertrand Delanoë zijn oog al laten vallen op het rangeerterrein in de periferie. Het voornemen om het terrein te bebouwen dateert dus al van voor het Olympische plan. Het moest een groene en ecologische woonwijk worden in zeer hoge dichtheid, met sociale woningbouw en veel nieuwe werkgelegenheid. Vervolgens nam de regering-Hollande dit idee over als onderdeel van het Olympische bid. De nieuwe burgemeester, Anne Hidalgo van de Parti Socialiste, kan binnenkort het ecologische park openen. Vrijwel alle linkse idealen werden hier gerealiseerd. Ondertussen gaan de vrijesectorwoningen in het gebied van de hand voor prijzen die de miljoen euro gemakkelijk overtreffen. Kwaliteit betaalt zich altijd terug. Geen van de appartementen in dit gebied is overigens groter dan 100 vierkante meter. Zoals gezegd, in Nederlandse steden hoef je op zo’n uitzonderlijke prestatie niet te rekenen. Niet alleen ontbreekt het bij ons aan zo’n gezamenlijke ambitie, ook missen onze steden de kritische massa die nodig is om zo’n dicht en veelzijdig programma te realiseren. Clichy-Batignolles is zelfs geraffineerder dan wat ik in Londen heb gezien. Nederland raakt steeds verder achterop als het gaat om het toevoegen van duurzame programma’s in hoge dichtheid in een grootstedelijke context. Wij zijn al tevreden met stedelijke vernieuwing.

Tagged with:
 

Parijs heruitvinden

On 18 mei 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in Le Monde van 3 augustus 2017:

Gerelateerde afbeelding

Op 3 december 2014 lanceerde de toen pas aangetreden burgemeester van Parijs, Anne Hidalgo, in het Pavillon d’ Arsenale het programma ‘Reinventer Paris’. Voor 23 locaties binnen de Franse hoofdstad vroeg zij om voorstellen, in te dienen in een internationale open inschrijving. Informatie over alle locaties was op een publiek toegankelijke website te vinden. De meeste betroffen plekken die verlaten waren of waar op dat moment weinig gebeurde. Gevraagd werd om innovatieve voorstellen voor een beter gebruik: flexibeler, gemengder, ecologischer, socialer. “These sites form a diverse supply of land and housing, spread over the Paris area and rapidly available. They comprise land and property owned by the City or its partners – social housing landlords or developers. For each of them, a specific procedure will be implemented so that the winning innovative project can be brought to fruition.” Het leek er op dat de winnende voorstellen ook zouden worden uitgevoerd. De hele wereld kon meedoen. In het voorjaar van 2015 stroomden de eerste voorstellen binnen, waarna in de zomer een jury de meest aansprekende inzendingen koos uit de in totaal 372 inzendingen. Inmiddels zijn de winnaars bekend en is er in 2017 alweer een tweede ronde locaties uitgeschreven. Afgelopen maart werden daarvan de finalisten bekend gemaakt. En daarna volgden ‘Reinventer la Seine’ en ‘Reinventer le Metropole’.

De beproefde werkwijze bleek succesvol en werd in korte tijd zeker driemaal herhaald. Maar in Le Monde verscheen er in de zomer van 2017 kritiek op de oogst van de eerste ronde. Op dat moment was het werk van de prijswinnaars voor het groot publiek tentoongesteld. Frédéric Edelman vond de meeste voorstellen tamelijk naïef en getuigen van ‘groen infantilisme’. Ze deden hem denken aan ‘Banlieu ‘89’ uit 1984, toen de tweehonderd inzendingen volgens betrokkenen van dezelfde naïviteit hadden getuigd. Men had het beschouwd als politieke propaganda. Erger vond hij dat de professie nog altijd niet in staat was gebleken om hardnekkige maatschappelijke vraagstukken op te lossen met doorwrochte ontwerpen. Is dit een nieuw model over stadsontwikkeling?, vroeg de architectuurwebsite AMC zich af. De prijsvraag had de stad weinig gekost, maar had een oogst aan ideeën opgeleverd voor grondprijzen tegen een waarde van in totaal 565 miljoen euro. Ook zij vond de meeste ontwerpen zeer matig. De kritiek werd door het stadhuis verworpen. De waarde van haar aanpak, beweerde ze, moest  in de onorthodoxe samenstelling van de teams worden gezocht, waarin architecten hadden samengewerkt met gebruikers, ontwikkelaars en NGO’s. Zo’n aanpak vond ze beter dan projectontwikkeling. En de meeste architecten, voegde ze eraan toe, waren keurig door de betrokken private partijen betaald, daar was de overheid niet voor nodig. Waarop de redactie concludeerde: “La polémique sur la rémunération n’est en réalité que le symptôme d’une époque marquée par la privatisation grandissante de la commande publique."

Tagged with:
 

Op de helft

On 20 april 2018, in boeken, economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’ (2013) van Thomas Piketty:

Afbeeldingsresultaat voor piketty capital

Nu pas gelezen en nog maar halverwege: Thomas Piketty’s ‘Kapitaal in de 21ste eeuw’. Eerst wilde ik ‘Dat Kapital’ van Karl Marx zelf lezen. Dat heb ik inmiddels gedaan. Nu dus Piketty. De lange historische lijnen die de Fransman, verbonden aan de École d’economie de Paris, trekt gaan terug op Marx, nee verder, ze voeren de lezer naar het begin van de Industriële revolutie. Mooi is het om te lezen hoe hij vanuit de negentiende eeuw op onze tijd terugblikt en vaststelt dat kapitaal terug is van weggeweest. De twintigste eeuw met zijn twee wereldoorlogen en moeizame wederopbouw zijn vooral een breuk geweest in een lange geschiedenis van het globale kapitalisme. Even leek arbeid beslissend te worden, maar uiteindelijk is vermogen toch weer in hoge mate bepalend voor iemands maatschappelijke positie. Dat is balen. Bijzonder in het boek is het hoe Piketty dit illustreert aan de hand van negentiende eeuwse romans als die van Austen en De Balzac. Zo ongeveer moeten we ons de toekomst dus voorstellen. Zelfs al is de recente verandering in de technologie gunstig voor de factor arbeid, toch zal het aandeel van kapitaal niet afnemen, denkt hij. Sterker, de moderne technologie maakt het mogelijk om kolossale hoeveelheden kapitaal te accumuleren zonder dat het rendement volledig verloren gaat. “Wordt de eenentwintigste eeuw nog minder egalitair dan de negentiende, voor zover hij dat niet al is?” De vraag stellen is hem beantwoorden.

Net als Marx heeft Piketty weinig op met steden. Zijn analyses gaan over landen, Engeland en Frankrijk in de eerste plaats. Dat vader Goriot, een schepping van Honoré de Balzac, in Parijs leefde, neemt hij voetstoots aan. Zijn dochters uithuwelijken in de beste Parijse kringen is ook al zo’n ding. En dan verschijnt daar Rastignac als berooide edelman uit de Franse provincie, die zijn geluk komt beproeven in de Franse hoofdstad. Ook die laat zich uiteindelijk meeslepen door de aanblik van alle rijkdommen, om uiteindelijk even meedogenloos te worden als de door geld gecorrumpeerde Parijse elite. Rastignac aast op de erfenis van Victorine in plaats van door studie, talent en hard werken rijkdom te vergaren. Kortom, het negentiende eeuwse Parijs groeide en bloeide in de ogen van De Balzac door de ongebreidelde accumulatie van kapitaal, door corruptie onder elites rond erfenissen en huwelijken, soms gepaard gaande met moorden, een zeer ongelijke samenleving waarin kapitaal belangrijker was dan arbeid. Volgens Piketty gaan we terug naar die verdorven tijd, een tijd van grote ongelijkheid, met grootstedelijke elites die zich via erfenissen verrijken en een verarmend platteland. Was het negentiende eeuwse Parijs werkelijk zo’n corrupte bende? Was die snel groeiende metropool van destijds niet óók een grandioos economisch, sociaal-cultureel laboratorium, een eclatant succes? Piketty, zelf woonachtig in Parijs, vertelt liever het oude verhaal van Karl Marx. Nogmaals, ik ben pas op de helft van zijn magistrale boek. Misschien ontdekt de auteur alsnog de zegeningen van de in de twintigste eeuw door Europeanen weggebombardeerde maar dus nooit verslagen metropolen.

Tagged with:
 

Frankenstein’s landschappen

On 18 april 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘’Frankenstein’ (1818) van Mary Shelley:

Gerelateerde afbeelding

Eindelijk kwam ik eraan toe om ‘Frankenstein’ van Mary Shelley te lezen. De boekhandelaar die het afgelopen winter verkocht wees me op het feit dat het boek in 2018 tweehonderd jaar geleden verschenen is. Merkte daar niets van. Vond het heerlijk om te lezen. De vrouw van dichter Shelley heeft het verhaal op zeer jonge leeftijd geschreven. Zeer verdienstelijk, moet ik zeggen. Ze won er een wedstrijd mee die door Lord Byron in kleine kring was uitgeschreven. Het ging erom wie in staat was het griezeligste verhaal te componeren. ‘Frankenstein’ is de moeder van alle horror, een genre waar ik overigens weinig mee heb. Maar ik vond het mooi. Wat me het meeste trof was het landschap. Bij elke scene waande ik me in een schilderij van Caspar Friedrich. De lange reis die Frankenstein in het boek maakt is werkelijk imposant en duidt op grote onrust. Elke locatie is weloverwogen gekozen. Alles is woest en schilderachtig. Het begint bij Geneve, en voert al snel naar Ingolstadt. Daar, in het zuiden van Duitsland, creëert de jonge Frankenstein het monster. Vervolgens vlucht hij terug naar Zwitserland en wordt hij achterna gezeten door zijn eigen creatie, tot in de Alpen. Na een ongemakkelijke ontmoeting gaat hij in een boot over de Rijn en de Noordzee via Londen naar Schotland. Later volgt hij zijn monster nog via de kusten van Ierland naar Londen, dan door naar Parijs en verder, naar het oosten, tot in het winterse Siberië toe. Dit romantische landschap blijft me als lezer het meeste bij, meer nog dan de schurk die zoveel doden op zijn geweten heeft.

De eerste ontmoeting tussen de schepper en zijn monster vindt plaats hoog in de bergen, dicht bij de bron van de Arveiron, daar waar de machtige gletsjer heroïsch naar beneden kruipt. “These sublime and magnificent scenes afforded me the greatest consolation that I was capable of receiving. (…) They congregated around me; the unstained snowy mountain-top, the glittering pinnacle, the pine woods, and ragged bare ravine, the eagle, soaring amidst the clouds – they all gathered round me and bade me be at peace.” Hier klimt Frankenstein naar boven, helemaal naar de top, gaat zitten op een rots, de zee van ijs overziend. Even voelt hij zich weer op zijn gemak. Totdat hij het monster in de verte ontwaart – “the wretch whom I had created.” Verder geen stedenbeschrijvingen in dit boek, ook van Londen niet. Die stad is enkel vertrekpunt voor een reis door de bossen bij Windsor naar Oxford: “The colleges are ancient and picturesque; the streets are almost magnificent; and the lovely Isis, which flows beside it through meadows of exquisite verdure, is spread forth into a placid expanse of waters, which reflects its majestic assemblage of towers, and spires, and domes, embosomed among aged trees.” Noordelijker, helemaal op de afgelegen Orkney eilanden, bereikt hij ten slotte zijn eenzame bestemming. Daar, waar hij zich voornam een tweede monster te scheppen om de ander gezelschap te houden, keert hij weerom. Zelfs van Parijs op de terugweg ontbreekt een beschrijving. Parijs was toentertijd bepaald niet fraai. De openbare werken van Baron Haussmann lieten nog ruim dertig jaar op zich wachten. Landschap dus, geen stad, en verder veel gemoedstoestanden. Uiteindelijk sterft Frankenstein, diep bedroefd, tussen de Siberische ijsschotsen.

Tagged with:
 

Hoe Haussmann aan zijn einde kwam

On 23 maart 2018, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Paris Reborn’ (2013) van Stéphane Kirkland:

Afbeeldingsresultaat voor paris reborn kirkland

Hoe kwam de grote stedenbouwkundige Haussmann eigenlijk aan zijn einde? In ‘Paris Reborn. Napoléon III, Baron Haussmann, and the Quest to Build a Modern City’ van de Franse architectuurhistoricus Stéphane Kirkland kon ik het nalezen. Haussmann was bijna zestien jaar de prefect van Parijs geweest, hij was door de keizer benoemd want een burgemeester had Parijs niet. In die jaren zette hij de hele stad op zijn kop. De boulevards, passages en de parken zijn zogezegd alle van hem, al zou zijn politieke baas Napoléon III het hem allemaal op een enveloppe hebben voorgetekend. Echter, zo eenvoudig is stadsontwikkeling niet, zelfs niet in Parijs. Kirkland beschrijft nauwgezet hoe eerdere regeringen nalieten om Parijs te moderniseren en uit te breiden. De problemen waar Haussmann voortdurend op stuitte hadden zeker ook met die opgelopen achterstand te maken. Wat hij overhoop haalde was niet mals en ook de burgers van Parijs kunnen behoorlijk lastig zijn, zeker in zijn tijd. Uiteindelijk moest hij het veld ruimen vanwege enorme budgetoverschrijdingen. Weggaan wilde hij echter niet. De schulden die de stad had gemaakt kon hij goed verklaren en vond hij ook gerechtvaardigd. Latere generaties moesten gewoon aan het kostbare karwei meebetalen. Per decreet werd hij op 5 januari 1870 op een zijspoor gezet. Op19 juli verklaarde Napoléon III aan Pruisen de oorlog. Die winter al lagen de Pruisische legers voor de poorten van Parijs. Daar brak vervolgens een burgeroorlog uit, die aan duizenden Parijzenaars het leven kostte. En Haussmann?

In 1873 begon Frankrijk als Derde Republiek. Het waren moeilijke tijden. In die drie jaar na zijn aftreden had Parijs al drie prefecten versleten. Nog vijf jaar te gaan en Frankrijk zou het herstel van de oorlog met opnieuw een wereldtentoonstelling, die van 1878, vieren. Haussmann leefde al die tijd teruggetrokken in een klein appartement in rue Boissy d’Anglas, vlak achter place de la Concorde. Hij had het eerst nog geprobeerd als ondernemer, maar was daarin niet geslaagd. Nog even had hij een rentree in de politiek gewaagd, maar ook dat avontuur liep op niets uit. In 1878 was hij, aldus Kirkland, totaal uit beeld verdwenen. Niemand die nog over de grote openbare werken van Haussmann sprak. “He was now a relic, a man of a bygone era whose key protagonists were mostly dead and whose precepts seemed irrelevant.” In de bitterkoude januarimaand van 1891 stierf hij aan een longontsteking, 81 jaar oud. Laat het einde van Haussmann voor ieder die aan de stad werkt een waarschuwing zijn. Stedenbouw is een hard en ondankbaar vak. Ook Kirkland vond dat de ingrepen van Haussmann bruut waren geweest en dat er een mildere vorm van stadsontwikkeling denkbaar was geweest. Desalniettemin, het was een groots idee en een even grootse uitvoering. “It can only invite us to consider the urban vision of our society and ask ourselves what kind of world we wish to build for our own posterity.” Zeker, dat moeten we doen.

Tagged with:
 

Gelezen in ‘La haine de la ville’ (2001) van Bernard Marchand:

Afbeeldingsresultaat voor paris et le desert francais

Amsterdam laten groeien, dat gaat ten koste van de andere steden, dat is niet goed. Dan ontstaat één grote stad, die alle andere opeet. Met die stelling wijzen sommige van mijn collega’s me terecht. Ze pleiten voor een ‘meer gebalanceerd geheel van steden,’ of zoals het Rijk schrijft in REOS en Agenda Stad: “door te verbinden in stedennetwerken bundelen steden hun krachten.” Zulke omfloerste beleidstaal doen me denken aan ‘Paris et le désert français’ (1947), het boek van Jean-Francois Gravier dat we tijdens de studie geografie eind jaren zeventig moesten lezen. Parijs, schreef de jonge Gravier, gedroeg zich als een monopolist, die alle andere Franse steden opslokte. Met zijn ‘tentakels’ vrat hij aan alles, de agglomeratie leek op een monster. De andere steden kregen van haar geen kans. De wijze waarop de hoofdstad zich gedroeg was zelfs meedogenloos, nee koloniaal. Gravier scoorde er politiek mee in Frankrijk, maar dat gebeurde pas na het verschijnen van de tweede druk, in 1958. Niet alleen president De Gaulle liep weg met ‘Le Désert’, maar zeker ook de latere presidenten. Zelfs in 1972 verscheen er nog een nieuwe druk van zijn boek. In Nederland gonsde het na, want ook wij zaten gevangen in de ruimtelijke spreidingsdoctrine. Maar wetenschappelijk deugde het boek allesbehalve. Bernard Marchand schreef er over in ‘La haine de la ville’ (2001). Gravier bleek een rechtse nationalist, een meeloper met het regime van Pétain, Gravier haatte de grote stad. Zijn stellingname, aldus Marchand, klopte van geen kanten.

Parijs was helemaal niet te groot en zou, ondanks alle naoorlogse decentralisatiebeleid, nog veel groter worden. De andere steden deden het gewoon slechter. Maximilien Sorre wees daar al in 1961 op. Het viel Marchand op hoe Gravier tendentieus met woorden speelde. Hij pleitte voor een ‘harmonieuze ontwikkeling’, voor het ‘herstel van evenwicht’, hij schreef over de ‘Parijse inflatie’, de ‘hypertrofie van de hoofdstad’. Zijn berekeningen van de bedragen die Parijs van de regering méér ontving dan de rest van het land bleken achteraf niet te deugen. Gravier berekende ook de optimale en maximale omvang van een stad: volgens hem was dat twee miljoen inwoners. Volgens Marchand was dat grote onzin. Het huidige Parijs van ruim 10 miljoen inwoners functioneert uitstekend, zelfs beter dan ten tijde van Lodewijk XIV, toen Parijs slechts 400.000 inwoners telde. Alles wat Gravier beweerde, schreef Marchand, was een anachronisme. De Franse kwaliteitskrant Le Monde kwam er in 2008 nog eens op terug. Gravier, schreef zij, was utopisch, excessief, neigend naar autoritarisme. De beweging waarvan hij deel uitmaakte wilde de mensen terugbrengen naar het platteland. Daar was ruimte, de natuur mooier, de lucht schoner, het leven beter. Het zou de naoorlogse Franse ruimtelijke ordening tekenen, en ook die in Nederland, zelfs tot op de dag van vandaag. De krant vroeg zich af hoe Frankrijk eruit zou hebben gezien als dat ruimtelijke ordeningsbeleid zich niet had voltrokken. U mag het raden.

Tagged with:
 

Arrogant?

On 7 januari 2018, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 6 januari 2017:

De toekomst van de stad

In een groot interview met Lex Boon in Het Parool van afgelopen zaterdag noemde de Rijksbouwmeester Floris Alkemade Amsterdam arrogant. “Ik ga geen steden arrogant noemen, maar ik vrees dat het wel het meest juiste woord is.” Dat er buiten Amsterdam geen ontwikkeling zou zijn, zo zei hij vanaf de achterbank van zijn dienstauto, is niet juist. Zo’n gedachte getuigt van arrogantie. Is Amsterdam arrogant? Ziet de hoofdstad de rest van het land niet staan? Alkemade onderbouwt het niet. Het is eerder dit. Alle grote metropolen worden door hun omgeving als arrogant gezien. In 2013 werd New York door de Amerikanen uitgeroepen tot meest arrogante stad by far (MailOnline 21 augustus 2013). Parijs werd in 2013 uitgeroepen tot hoofdstad van de arrogantie door de Financial Times. De Franse metropool zou te weinig op de buitenwereld  zijn gericht (Atlantico 2 februari 2013). Ook Londen wordt door vrijwel alle Britten als arrogant getypeerd. De Schotse Sunday Herhald vond dat de tien miljoen Londenaren binnen de ringweg M25 in een aparte stadstaat leefden en de rest van het Koninkrijk beschouwden als ‘de provincie’ (15 augustus 2013). SNP-leider Gordon Wilson noemde Londen zelfs een ‘kankergezwel’. In alle gevallen wordt naar de grootstedelijke elite gewezen, de geconcentreerde welvaart en het feit dat de inwoners van grote steden zich als wereldburgers beschouwen, niet als inwoners van het land. En ja hoor: er zou teveel publiek geld naar deze arrogante steden gaan.

De rest van het interview met Alkemade, die de belangrijkste adviseur is van de Nederlandse regering op het gebied van stedenbouw en ruimtelijke ordening, gaat over de snelle groei van Amsterdam en waarom die niet zou deugen. Let op de toon. Alkemade: “Als je twee miljoen inwoners kunt vinden die graag in Amsterdam willen wonen, ga gerust je gang.” Hoe arrogant is dat? En let op de belangrijkste passage in het interview: als Alkemade wordt gewezen op de extreme prijzen die Amsterdammers voor een woning moeten betalen, ziet hij dit als de motor van toenemende segregatie. Amsterdam, met andere woorden, moet vooral níet groeien. Nee, op hulp van het Rijk hoeft de hoofdstad niet te rekenen. “In die zin hebben we het geluk dat we in Nederland niet één grote centralistische metropool hebben zoals Londen of Parijs, waarbij je als je niet in het centrum woont in een tweederangs periferie of banlieu belandt.” Het is een cliché, een populistische argumentatie die zo oud is als er steden zijn. De ruimtelijke ordening in ons land is er groot mee geworden. Conclusie: als het aan Den Haag ligt gaan we toe naar een nieuwe ronde van ruimtelijke deconcentratie. En kijk, zelfsturende auto’s ziet Alkemade als een belofte, dus nog meer blik en asfalt erbij; zelfs de Randstad vindt hij te klein. Zijn visie is niet duurzaam en ook niet profijtelijk. Het is precies waar ik in mijn boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ voor vreesde. De ruimtelijke concentratie die wijlen Dirk Frieling wilde komt er in ieder geval niet.

Tagged with:
 

De kunst van het verdwijnen

On 3 december 2017, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Rijksmuseum op 30 november 2017:

Afbeeldingsresultaat voor matthijs maris londen

Matthijs Maris, Vanished illusions.

Eind negentiende eeuw werd Matthijs Maris (1839-1917) beschouwd als een van de beroemdste schilders van Nederland. Hij woonde er echter niet. Het Rijksmuseum wijdt aan zijn merkwaardige oeuvre een tentoonstelling, die nog is te zien tot en met 7 januari 2018. Afgelopen donderdag bezocht ik de zalen. Maris verhuisde in 1869 op dertig jarige leeftijd naar Parijs en trok in 1877 door naar Londen, waar hij in 1917 eenzaam stierf. Slechts een enkele keer bezocht hij zijn familie in Nederland. Vrijwel zijn gehele oeuvre kwam tot stand in de twee buitenlandse grote steden. Liefst veertig jaar leefde en werkte hij in Londen, in Parijs woonde hij acht jaar. Zijn bijzondere leven deed me denken aan Karl Marx (1818-1883). Hoewel iets ouder, verhuisde ook tijdgenoot Marx al vroeg naar Parijs, om later door te verhuizen naar Londen, alwaar hij in 1883 in eenzaamheid stierf. Zonder Londen was Das Kapital niet denkbaar geweest. Datzelfde geldt voor het schilderij ‘Vanished Illusions’. Maris was, net als Marx, een revolutionair. In 1870 vocht hij zelfs mee tijdens de Parijs Commune aan de kant van de opstandelingen. Kort daarvoor had Marx zijn Das Kapital gepubliceerd.

Maris verhuisde naar het buitenland en dan met name naar de grote stad vanwege de lokale kunstmarkt, die hij overigens haatte. In geld was hij niet geïnteresseerd. Ook niet in vooruitgang trouwens. Maar een kunsthandelaar uit Londen wist hem te overtuigen. Hij moest toch leven. Die afkeer van geld en dat armoedige bestaan in de beide metropolen, eigenlijk had hij dat ook met Marx gemeen. Maris vond zelfs dat mensen teveel voor zijn schilderijen betaalden. Hij ontbeerde echter een Friedrich Engels die hem in zijn levensonderhoud onderhield. Veel geld had hij niet nodig. Hij bleef ongetrouwd, tenminste ik las niets over een vrouw of kinderen. En zijn werk? Geen beelden van een modern Parijs, en ook niet van het industriële Londen. Wel boeiend en steeds raadselachtiger. Zijn laatste periode in Londen intrigeert het meest. De feeërieke middeleeuwse taferelen en dromerige meisjes maken plaats voor abstracte denkbeelden, dromen en herinneringen. Alles wordt vaag en onscherp. Verdwenen is de realiteit. De realiteit van de industriële stad. Carel Peters noemde hem in Vrij Nederland een modernist met een oude ziel en Bram de Klerck zag in hem een revolutionair en een compromisloze dromer (NRC Handelsblad 12 oktober 2017). Ik begreep het pas toen ik ‘Vanished Illusions’ zag waaraan hij jaren had gewerkt en dat op zijn schildersezel stond toen hij in 1917 overleed. De wereld stond in brand. Vijandige zeppelins vlogen over Londen. Hij werkte aan een vrouw, voorover liggend op de trappen van een altaar, bijna vallend. Maris haatte de moderniteit. Hij bleek een vernieuwer.

Tagged with: