‘Het leven van mijn tijd’

On 11 november 2018, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘4321’ (2017) van Paul Auster:

Afbeeldingsresultaat voor 4321 auster

Pas op het einde van de nieuwste roman van Paul Auster wordt duidelijk wie de echte Archibald Ferguson is. Van de vier parallelle levens van de opgroeiende jongen aan de Amerikaanse oostkust blijkt de laatste, nummer 4, degene te zijn die de roman uiteindelijk schrijft. Hij is de Archibald die creatief is, die veel schrijft en die graag beroemd wil worden. De andere Archibalds besluiten een andere weg te gaan, hun drie levens zijn door nummer 4 verzonnen. Hun levens wijken ook steeds meer af van de oorspronkelijke Archi en sterven bovendien allemaal te vroeg. Alleen de echte Archi Ferguson blijft over. Meer dan ooit gaat deze vuistdikke roman van de Amerikaanse schrijver Paul Auster over toeval in het leven. Of eigenlijk gaat deze bildungsroman over de stad New York, ze is een lofzang op complexiteit. Want ofschoon hij geboren wordt in een eenvoudig joods gezin in Newark, steekt de hoofdpersoon al op jonge leeftijd met zijn vrienden de Hudson over om in New York hun geluk te beproeven. “Compactheid, immensiteit, complexiteit, zoals Ferguson het eens zei toen hem gevraagd werd waarom hij de stad boven de voorsteden verkoos, een gevoel dat door de vijf leden van zijn groepje gedeeld werd,” waarop alle vijf besloten om in New York te gaan studeren.

Ook elders in de roman wordt afgerekend met de provincie. Rochester in het noordwesten van de staat New York is een stad in een krimpregio waar hij in een van zijn levens verzeild raakt om er een journalistieke carrière te beginnen, maar er valt daar weinig te beleven. Het leven is er te eenvoudig. Nog voordat hij besluit om naar New York terug te keren sterft hij als gevolg van een brand in het verlopen huis waar hij woont door een sigaret van zijn werkloze benedenbuurman. En zijn studie aan Princeton in een ander leven wordt door het verlies van een beurs al na één jaar afgebroken, waarna hij zijn studie afmaakt in New York. Het vertrek van zijn vriendin Amy naar San Francisco in weer een ander leven kan hem niet verleiden om mee te gaan naar de westkust. Terwijl zij hem brieven schrijft over de Summer of Love, haar Hof van Eden, schrijft hij haar terug: “Zo te horen heb je er de tijd van je leven. (…) Ik heb hier in New York het leven van mijn tijd.” In weer een ander leven maakt hij een kort uitstapje naar Londen om zijn uitgever te ontmoeten. Bij het oversteken van de straat wordt hij overreden door een auto. “De goden keken vanaf hun berg naar beneden en haalden de schouders op.” De roman eindigt in 1974, als nummer 4 besluit naar Parijs te vertrekken. “De volgende vijfenhalf jaar woonde hij in een tweekamerflatje in de rue Descartes in het vijfde arrondissement, gestaag werkend aan zijn roman over de vier Fergusons, die tot een veel dikker boek uitgroeide dan hij zich had voorgesteld, en toen hij op 25 augustus 1975 het laatste woord schreef, omvatte het manuscript uiteindelijk een totaal van elfhonderddrieëndertig met dubbele regelafstand getypte pagina’s.” Ach ja, New York. En ook Parijs.

Tagged with:
 

Ideale stad

On 16 juni 2014, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in The Invention of Solitude (1982) van Paul Auster:

Dit stukje is opgedragen aan Mirjana Milanovic, stedenbouwkundige. Vanavond spreekt ze in De Balie, Amsterdam. Onderwerp: de ideale stad. Net als voor mij is haar favoriete auteur Paul Auster. Zijn debuutroman, The Invention of Solitude, is inderdaad een schitterend werk dat gaat over vaderschap. In het eerste deel, ‘Portrait of an Invisible Man’, beschrijft Auster zijn vader, in het tweede deel, ‘The Book of Memory’ wijdt hij uit over zijn zoon en diens verhouding tot hem, de vader. New York, Parijs en Amsterdam spelen in deze autobiografische roman een betekenisvolle rol. Vooral Amsterdam. Althans, in ‘The Book of Memory’ voert hij Amsterdam veelbetekenend op. Het begint met een bezoek aan het achterhuis van Anne Frank op een regenachtige zondagmorgen. Daar, in het achterhuis, moest hij – ‘A’, de hoofdpersoon – zowaar huilen, bij het zien van de verschoten Hollywood-fotootjes die Anne had gespaard. Toen besloot hij zijn boek te schrijven. “As in the phrase: ‘she wrote her diary in this room’.”

Drie dagen bleef hij in Amsterdam. Hij verdwaalde er. Dat lag niet aan hem, maar aan de stad. “The plan of the city is circular (a series of concentric circles, bisected by canals, a cross-hatch of hundreds of tiny bridges, each one connectin to another, and then another, as though endlessly), and you cannot simply ‘follow’ a street as you can in other cities. To get somewhere you have to know in advance where you are going.” Drie dagen lang liep hij in cirkels rond. “He wandered. He walked around in circles. He allowed himself to be lost.” Was hij in de hel beland? Was Amsterdam de afspiegeling van de onderwereld? Hoe langer hij liep, hoe meer hij besefte dat hij dichter bij zijn innerlijk kwam. Het vervulde hem zelfs met geluk. “As if on the brink of some previously hidden knowledge, he breathed it into his very bones and said to himself, almost triumphantly: I am lost.” De ideale stad, hij lijkt op de hel.

Tagged with:
 

Literatuur van de straat

On 8 april 2014, in boeken, literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Winter Journal’ (2012) van Paul Auster:

De poging tot autobiografie van Paul Auster – de 64 jarige schrijver uit New York die terugblikt op zijn leven – liet me niet onberoerd. Iedereen zou zijn leven net als Auster in ‘Winter Journal’ deed kunnen beschrijven, aan de hand van zijn eigen lichaam, de adressen nalopen waar hij heeft gewoond, de dood navoelen van de ouders, de weersomstandigheden inventariseren, het voedsel, de vrouwen, de liefdes, de scholen, de hotels, de kwetsuren nogmaals kunnen ervaren, enzovoort. Mooi is de beschrijving van zijn verhuizing van Manhattan naar de overkant van de East River, naar Brooklyn in 1980. Hij belandt er in Carroll Gardens, een in zichzelf gekeerde Italiaanse gemeenschap in een buurt die destijds te boek stond als de veiligste in het verder gevaarlijke New York. Bekeken voelde hij zich er, begluurd door de vrouwen op stoepen, anders dan Afro-Amerikanen weliswaar niet ruw buitengesloten, maar ook niet welkom.

En altijd maar dat lopen. Auster beschrijft zichzelf voortdurend wandelend door de stad. Wanneer hij de sensaties beschrijft die hij ervoer met zijn lichaam in beweging door ruimtes, eindigt hij met wandelen over trottoirs, "for that is how you see yourself whenever you stop to think about who you are: a man who walks, a man who has spent his life walking through the streets of cities." Schrijven staat voor hem gelijk aan lopen. Helemaal op het eind komt hij op dat gegeven terug. "In order to do what you do, you need to walk. Walking is what brings the words to you, what allows you to hear the rhythms of the words as you write them in your head." Ook al schrijft hij zijn boeken achter zijn bureau, net als Dante heeft hij voor zijn boeken vele paren sandalen versleten. "You sit at your desk in order to write down the words, but in your head you are still walking, always walking, and what you hear is the rhythm of your heart, the beating of your heart." De stad als inspiratiebron voor grote schrijvers, de literatuur ligt op straat.

Tagged with:
 

Sleutel tot verandering

On 20 maart 2012, in literatuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 13 maart 2012:

‘Extremely Loud & Incredibly Close’ (2005) van schrijver Jonathan Safran Foer gaat over het New York van na 9/11. Foer zelf woont in Brooklyn, om de hoek woont Paul Auster; ‘Extremely Loud’ lijkt sterk op het werk van Auster. De clou van ‘Extremely Loud’ moet Foer echter hebben ontleend aan Kurt Vonnegut’s ‘Slaughterhouse Five’, waar de piloot van de bommenwerper troost vindt door de film van het bombardement op Dresden achterstevoren af te draaien. Ook Vunnegut woonde in New York, op de hoek van East 48th Street en Second Avenue, met zicht op Brooklyn. Alle drie de schrijvers zijn Joods, maar wat vooral telt is dat alle drie hun domicilie in New York hebben en dat alle drie over die stad schrijven. “Die avond lag ik in mijn bed iets te bedenken: onder elk kussen in New York zou een speciale afvoer moeten komen die in verbinding staat met de grote vijver in Central Park. De tranen van iedereen die zich in slaap huilt, zouden dan naar één plek stromen, en ‘s ochtends meldt de weerman of het peil in de Tranenvijver is gestegen of gezakt, en dan weet je of New York in mineur is of niet. En als er echt iets verschrikkelijks gebeurt – zoals een atoombom, of dan toch op zijn minst een aanval met chemische wapens – zou er een keiharde sirene afgaan die alle bewoners oproept naar Central Park te komen om zandzakken rond de grote vijver te leggen.” Het boek gaat over New York dus, maar het is ook een typisch Joods boek; wat dat betreft had de plaats van handeling ook Jerusalem of Dresden kunnen zijn.

In een interview met Foer naar aanleiding van de verfilming van ‘Extremely Loud’ vertelt hij over zijn schrijven. Hij schrijft heel intuïtief. “Ik benader schrijven niet met een structuur.” Hij wil in de eerste plaats verhalen vertellen. Elkaar verhalen vertellen en samen eten zijn volgens hem beide ‘essentiële menselijke activiteiten’. Hij wil met zijn boeken ook niet overtuigen, maar zaken bespreekbaar maken. Hij wil de wereld veranderen, maar niet door radicaal te zijn, wel door de cultuur en de conversatie bij te sturen. “Je kunt tot mensen doordringen als je niet agressief, irritant of prekerig doet, maar nederig en eerlijk. Daarmee erken je hoe moeilijk het kan zijn om overtuiging in actie om te zetten.” Foer is tegen het zwartwitdenken, want zo zitten mensen niet in elkaar. “Ons denken en voelen zijn grijs en genuanceerd.” Hij zou, besluit hij,  nooit de politiek in gaan of actievoerder kunnen zijn, waarna de journalist – Diederik van Hoogstraten – hem in het interview neerzet als denker, geen activist, wat weer een typisch voorbeeld van zwartwitdenken is. Ikzelf denk dat Foer een hele goede planoloog zou zijn. Hij kent namelijk de sleutel tot verandering.

Oprecht

On 23 oktober 2009, in stedelijkheid, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 22 oktober 2009:

Het verschil met de avond tevoren kon nauwelijks groter. Bezochten gisteravond ruim honderd kunstenaars de Vrijstaat om hun plek op te eisen in de stad, nu zat er een tiental dak- en thuislozen zonder – inderdaad – een dak boven hun hoofd. Zij eisten helemaal niets. Ze hadden niets te eisen. Ze vroegen alleen maar om een warme ruimte in de winter om in te slapen. Douchen konden ze inmiddels dankzij de Regenboog acht jaar geleden begon; daardoor stonken ze niet meer zo, vertelde Youssef. En er was meer te eten. Youssef was ambassadeur van Belangenbehartiging Amsterdamse Dak- en Thuislozen (BADT). Zelf trok hij al eenentwintig jaar van tehuis naar tehuis – er zijn er zo’n tien in de stad. Omdat hij daarvoor had gekozen. In het Beatrixpark begon hij zijn dag, mediterend, tussen de bomen, planten en dieren. Zo verzamelde hij energie om aan de dag te kunnen beginnen, dan trok hij de stad in – de negentiende eeuwse wijken en het centrum -, zoals hij zei. De stad was voor hem gewoon natuur. De mensen die hij op straat observeerde waren niet anders dan de dieren. Hij deed me denken aan Quinn, de hoofdpersoon uit City of Glass van Paul Auster. "New York was voor hem een onmetelijke ruimte, een labyrint met talloze gangen, en hoe ver hij ook liep, hoe goed hij de buurten en straten ook leerde kennen, de stad gaf hem altijd weer het gevoel dat hij was verdwaald." Ooit was Youssef moslim in Algerije, nu geloofde hij in de heelheid van het universum. Ineens ging zijn mobieltje af. Iemand wilde hem spreken. Toen bleek dat hij ook nog een eigen website had, ontwikkeld door de Rietveld Academie, waarop hij verslag doet van zijn omzwervingen door de stad: www.ikbenalles.nl. Het was het begin van een fascinerende reeks gesprekken.

Want na Yousef sprak Andy. Twee jaar geleden had Andy weer een huisje bemachtigd in Oud-West, na vele jaren omzwervingen door de stad – een zwervend bestaan dat ooit begon na de sloop van zijn woning door de woningcorporatie, een ingrijpende gebeurtenis die hem destijds in een caravan buiten de stad deed belanden. Daar was de ellende pas werkelijk begonnen, want de caravan bleek koud, te koud. "Woningcorporaties, dat zijn boeven, meneer! Die moet u als gemeente beter in de gaten houden!" Andy kwam oorspronkelijk uit Egmond. Liefst wilde hij weer de stad uit, naar zee. Maar het vrijwilligerswerk dat hij nu deed hield hem in Amsterdam gevangen. Hij vond de drukke stad maar niets. Vooral het openbaar vervoer vond hij slecht; om de haverklap vielen de trams en treinen uit. Andy reisde best veel, maar z’n ov-kaart werkte vaak niet en vaak deed hij uren langer over zijn reis dan gedacht.

Na Andy kwam Marieke. Ze woonde sinds enige tijd weer op een vast adres, in de Rivierenbuurt. Zesendertig jaar had ze door de stad gezworven. Het was allemaal begonnen met een echtscheiding. Met haar kindje belandde ze op straat. Ze was zwak van gezondheid, maar de lucht in de Rivierenbuurt was beter dan waar ook in de stad. Dat had ze ontdekt toen ze bij een kennis op zolder mocht logeren. Het was beter nu. Net als Andy wilde ook zij het liefst de stad uit. Ze hield van het kleinschalige, van rust. Alleen de historische stad vond ze mooi, de rest mochten ze van haar afbreken. Nieuw-West en Zuidoost vond ze verschrikkelijk en onmenselijk. Haar relaas werd abrupt onderbroken door Rob, die, geheel in het zwart gekleed en met een grote zwarte hoed op waaronder donkere haren wapperden, op skates het podium opkwam. Voor zich uit hield hij een gele bon van de politie. "Alweer een boete voor slapen in het park!", riep hij verontwaardigd uit. Hij wilde alleen maar in de open lucht slapen, want hij hield van vrijheid. Hij had een stekje in het Westerpark, maar de politie slingerde hem steeds weer op de bon. Al vele malen was hij in de gevangenis beland. Omdat hij buiten sliep. Soms sliep hij in Westpoort, maar ook daar werd hij verjaagd. Achter uit de zaal riep Ferry dat hij maar niet begreep dat de dak- en thuislozen alleen straf krijgen en nooit eens een beloning. "Die straf kan ik best dulden wanneer ik op zijn tijd ook eens een beloning krijg, maar die krijg ik niet – de politie straft ons alleen maar, voortdurend!"

Max Pam verzorgde een intermezzo. Hij sprak een column uit over zogenaamde ‘clochard-reizen’ die een Nederlands reisbureau ooit organiseerde voor rijke Nederlanders naar Parijs. "Voor types als Herman Heinsbroek, de voormalige minister van Economische Zaken namens de LPF, die niet in een dienstauto wilde rijden, maar in zijn eigen Bentley." Hoever kan je gaan als je je als rijke verveelt? Voor deze ervaringsindustrie is niets te dol. Maar, vroeg Pam zich af, ervaar je wel het daklozenbestaan wanneer je een paar dagen optrekt met daklozen en met hen slaapt onder de brug? Natuurlijk niet. Want er is altijd weer het bed thuis, met alles erop en eraan.

Een tweede intermezzo werd verzorgd door twee dakloze schrijvers, ze waren leden van ‘Kantlijn’ die ook de kopij voor de achterkant van de daklozenkrant verzorgde. Andy, afkomstig uit Plymouth maar al zesentwintig jaar in Amsterdam, droeg voor uit eigen werk. Omdat hij Albert Camus aanhaalde en ik daar iets van zei, raadde hij mij aan die Franse auteur toch eens te lezen. Daarna was het de beurt aan Esther. Ze droeg een mooi gedicht voor over het zwoegen. Als metafoor. De voordrachten gingen over verhalen vertellen, over je leven als verhaal, en over dromen.

De architect Friso ten Holt vertelde op het laatst hoe hij tien jaar geleden in aanraking kwam met de huisvestingsproblemen van de Amsterdamse dak- en thuislozen. Op Steigereiland had hij een voorziening gebouwd. Het erge, zei hij, was dat de overheid indertijd niet durfde te zeggen dat het voor dak- en thuislozen was bestemd, omdat zij vreesde dat de buurt de bouw ervan dan zou verhinderen. Achteraf was er veel ophef over ontstaan, terwijl de overlast overigens reuze meeviel. "Waarom doen we dit? Waarom verhinderen wij met z’n allen dat deze mensen ergens kunnen slapen?" Hij had een maquette meegebracht van een camping voor daklozen. De plekken waren op een etage boven de grond in twee rondingen geparcelleerd, met een afdak erboven en met veel ruimte om zelf in te richten – een soort casco dus. Onder het platform konden werk- en ontspanningsruimten worden gesitueerd, zei hij. De aanwezige daklozen juichten en klapten, al was er ook commentaar: waarom alles in één complex ondergebracht? Het was juist zo prettig of althans helemaal niet erg voor de daklozen als ze de ene plek naar de andere moesten reizen.

Ten slotte speelde Ferry op zijn gitaar. Simon and Garfunkel. Mooi. We pakten onze spullen en verlieten de Vrijstaat, alles overpeinzend. Er lag mist over het IJ. Het was al koud. Stel je voor, dacht ik, dat je nu buiten moest slapen.

Tagged with:
 

De boel bij elkaar houden

On 16 augustus 2009, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Big Sort’ (2009) van Bill Bishop:

In alle boekhandels van New York lag Bill Bishop’s ‘The Big Sort’. Het is een voor Amerikanen, (maar ook voor Nederlanders!) buitengewoon relevant boek. Het vertelt het verhaal van de ruimtelijke uitsortering van de Amerikanen naar achtergrond, smaak, maatschappelijk opvatting en politieke voorkeur in de afgelopen dertig jaar. Ik kocht een exemplaar.

De auteur is een journalist uit Austin, Texas. Samen met statisticus Robert Cushing ontdekte hij De Grote Uitsortering, anders gezegd, hij ontdekte dat de recente verscherping en verharding van het politieke klimaat in de USA en de politieke segregatie van Republikeinen en Democraten niet zozeer te maken hebben met George Bush of Dick Cheney, de oorlog in Irak of 9/11, maar met de wijze waarop de Amerikanen de afgelopen decennia zijn gaan wonen: aan de basis ligt een ruimtelijke herschikking, op zijn beurt aangedreven door welvaartsgroei. "Freed from want and worry, people were reordering their lives around their values, their tastes, and their beliefs. They were clustering in communities of like-mindedness, and not just geographically." En doordat mensen steeds onder gelijkgestemden gingen wonen, werden hun voorkeuren niet meer tegengesproken, maar juist versterkt en veelal nog extremer. Met als resultaat: maatschappelijke en politieke verharding."What’s happened, (…) is that ways of life now have a distinct politics and a distinct geography." (…) "We alle live with the results: balkanized communities whose inhabitants find other Americans to be culturally incomprehensible; a growing intolerance for political differences that has made national consensus impossible; and politics so polarized that Congress is stymed and elections are no longer just contests over policies, but bitter choices between ways of life." Maar het gaat verder. "Just as counties have grown more distant from one another politically, regional economies are also separating – some booming and vibrant, others weak and dissipating."

De burgeroorlog die in Paul Auster’s ‘Man in the Dark’ wordt ontketend, lijkt daarmee een scherpe vertaling van een onbehagelijk gevoel onder de Amerikanen die wordt aangedreven door de mechanismen achter ‘The Big Sort’. Overigens, de politieke verharding en ontevredenheid in Nederland en de groeiende tegenstellingen tussen de Randstad en de provincies en tussen Amsterdam en de Zuidvleugel kent ongetwijfeld eenzelfde achtergrond. Door de welvaartsgroei zijn onder VINEX (en al eerder door de overloop en de gebundelde deconcentratie) mensen met eenzelfde achtergrond en overtuiging steeds meer bij elkaar gaan wonen in wijken en buurten die kennelijk gelijkgestemden aantrokken en andersdenkenden afstootten. Op buurtniveau is daardoor een geweldige homogenisatie opgetreden. De tegenstellingen tussen buurten zijn daardoor sterk gegroeid. Dat geldt niet alleen voor buurten, maar ook voor regio’s en voor Nederland als geheel. Mensen met talent trekken naar steden die het goed doen, omgekeerd ontstaan concentraties van minder getalenteerde mensen in steden die het niet goed doen.

Tagged with:
 

Maanpaleis

On 25 april 2009, in literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Maanpaleis’ (1990) van Paul Auster:

Vorige week was ik in New York. Komt het daardoor dat ik in een gesprek met Bart Brands moest denken aan ‘Maanpaleis’ van Paul Auster? De passage die ik zocht kon ik niet vinden. Bij toeval stuitte ik op een andere, even lezenswaardige passage die ik me niet meer goed herinnerde en die gaat over vrijheid. Het betreft de beschrijving door Effing van de figuur van Tesla tegenover hoofdpersoon Fogg. Fogg staat op het punt om de biografie van de oude, bedlegerige en stervende Effing te schrijven. In plaats van bij het begin van zijn leven te beginnen, opent Effing een exposé over Tesla.

Twain Tesla, uitvinder van de wisselstroom, was een bijzondere man die op Long Island, in het dorpje Shoreham, een uitkijktoren bouwde en waar de jonge Effing zich als door een magneet toe aangetrokken voelde. Hij dorst hem nimmer aan te spreken. Slechts eenmaal kruisten hun blikken elkaar. Maar toe gebeurde het. Het was alsof hij dwars door Effing heenkeek, "alsof ik niet bestond." (…) "Voor het eerst van mijn leven besefte ik dat ik niets was, helemaal niets. Nee, daardoor raakte ik niet zo van streek als je zou denken. Aanvankelijk was ik verbijsterd maar toen ik van de eerste schok was bekomen, voelde ik me gesterkt, alsof het me gelukt was mijn eigen dood te overleven. Nee, dat was het niet, niet precies. Ik was toen nog maar zeventien jaar, amper meer dan een jongen. Toen Tesla’s ogen dwars door me heen keken, kreeg ik een voorproef van de dood. Dat benadert meer wat ik bedoel. Ik proefde de smaak van sterfelijkheid in mijn mond en op dat moment begreep ik dat ik niet het eeuwige leven had. Het duurt lang voor je daar achter komt, maar als je het ten slotte weet, verander je innerlijk totaal, je kunt nooit meer dezelfde zijn. Ik was zeventien en opeens, zonder een spoortje van twijfel, begreep ik dat mijn leven van mij was, dat het me toebehoorde en niemand anders."

"Ik heb het over vrijdheid, Fogg. Een wanhoopsgevoel dat zo groot wordt, zo verpletterend, zo catastrofaal dat je geen andere keus hebt dan erdoor bevrijd te worden. Dat is de enige keus, of je kruipt in een hoekje en crepeert."

Spinoza noemt dat "je leven zien in het licht van de eeuwigheid." Ik voel het. Vandaag ben ik jarig.

Tagged with:
 

Hier werden wij verliefd II

On 9 mei 2007, in literatuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Advocaat van de hanen’ (1990) van A.F.Th. van der Heijden:

Nog nooit eerder had ik een boek van A.F.Th. gelezen. Omdat ‘Advocaat van de hanen’ in het Amsterdam van het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw speelt, ben ik daar maar eens in begonnen. De dood van Hans Kok weet ik nog goed, de commotie eromheen, de gespannen sfeer in de stad. Het was kort na het dieptepunt van de laagconjunctuur en de Amsterdamse economie kroop heel langzaam uit een diep dal. Advocaat Ernst Quispel, de hoofdpersoon in de roman, maakt het allemaal van nabij mee. Eerst woont hij nog in De Pijp, later verhuist hij  naar het Museumplein. Je volgt hem op de voet door de stad, letterlijk op de voet, want hij lijkt meestal de benenwagen te nemen. Ik kan me in ieder geval geen auto herinneren. Zelfs als hij op het eind naar Schiermonnikoog reist, neemt hij de trein.

Op zijn voettochten door de stad leer je niet alleen de hoofdpersoon goed kennen, maar ook de stad zelf. Meermalen beschrijft de auteur het centrum binnen de singelgracht als een labyrint. Een labyrint waar de hoofdpersoon zijn meisjes oppikt. Die aanduiding van labyrint is geheel conform de postmoderne opvatting van de stad als theater, labyrint en toneelstuk waar, aldus Jonathan Raban, ieder zijn eigen stuk opvoert. In dit geval een labyrint waar Quispel zijn scabreuze avontuurtjes beleeft. En het bekomt hem slecht. Hij heeft het weliswaar goed, maar buiten zijn jaarlijkse vier weken delirium is hij allesbehalve gelukkig. Het is de ironie van de welvaart. Quispel is blasé. "Blasé van een houten ham."

Alweer een auteur die sterk beïnvloed is door Paul Auster. En die een waddeneiland nodig heeft om tot diep inzicht te komen. Amsterdam is het Sodom en Gomorra. Remco Daalder heeft gelijk.

Tagged with: