John Friedmann 1926 – 2017

On 18 juni 2017, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen op UCLA Newsroom van 13 juni 2017:

Gerelateerde afbeelding

Afgelopen zondag 11 juni 2017 overleed in Vancouver, Canada, John Friedmann, 91 jaar oud. De Amerikaanse planoloog Friedmann, geboren in Wenen in 1926, doceerde jarenlang (van 1980 tot 1996) stedelijke en regionale planning aan UCLA in Los Angeles en was niet alleen academicus, maar ook man van de praktijk. Ik herinner me nog hoe ik tijdens mijn studie planologie aan de Rijksuniversiteit Groningen voor het eerst in aanraking kwam met zijn werk. Dat was eind jaren zeventig. Hoe hij in ‘Retracking America. A Theory of Transactive Planning’ (1973) zich de toekomstige samenleving  voorstelde als een lerende gemeenschap, zoiets was totaal nieuw voor me. Zijn latere ‘Planning in the Public Domain’ (1987) bleek een standaardwerk en een gids in hoe je als planoloog kennis omzet in actie. Alles draaide bij Friedmann om het verbeteren van de menselijke conditie door het veranderen van de samenleving. De Groningse hoogleraar G.J. van den Berg introduceerde Friedmann als een van de grondleggers van een nieuwe relevante maatschappelijke discipline die breder en verstrekkender is dan stedenbouwkunde. Het doel van planning, schreef Friedmann, is menselijke ontplooiing. Friedmann belichaamde de idealen van de jaren zeventig.

Mij dierbaar is ‘The Tao of Transactive Planning’. Dit korte hoofdstuk in ‘Transactive Planning’ vond ik destijds en ook nu nog getuigen van grote wijsheid.  De Tao, aldus Friedmann, zegt dat de planner niet teveel moet doen. Wu-Wei (http://zefhemel.nl/wu-wei/) stelt dat mensen veranderen, instituties veranderen, de omgeving verandert; de planner leert, en wacht geduldig tot de verandering komt. Verandering is niet te forceren. De planner moet in de eerste plaats luisteren en niet oordelen. Tijd is nodig. Ideeën vatten post, worden door anderen vervormd en zetten zich om in acties, die op hun beurt de samenleving veranderen. “If the planner listens carefully and long enough, his own thoughts may eventually be given back to him as the ideas of others. Only then the planner can truly be said to have succeeded in his task.” Ofschoon ik het destijds niet helemaal doorgrondde, ben ik die les toch nooit vergeten en nu ik ouder en ervarener ben, begrijp ik eerst goed wat Friedmann hiermee bedoelde. Ook goud waard is deze: “If the processed knowledge of planners is serviceable only insofar as it is used as an instrument for learning; if learning cannot be imparted to others except through dialogue; and if dialogue creates a process in which each partner has as much to give as to receive, then the Tao provides good counsel.” Wat een inzicht! 

Tagged with:
 

De toekomst te lijf gaan

On 28 april 2015, in filosofie, by Zef Hemel

Gehoord aan de Herengracht te Amsterdam op 23 april 2015:

Cosmopolis: The Hidden Agenda of Modernity

Noem het toeval. Twee gebeurtenissen op één dag: iemand vertelde me ‘s ochtends dat de Franse filosoof Bruno Latour afgelopen zaterdag in Utrecht vooral gesproken had over Stephen Toulmin’s ‘’Kosmopolis’ (1990). Later die dag beweerde iemand anders dat mijn opvatting van antifragiele, open planning (‘Beyond Resilience’) lariekoek was. Hij vond het niet wetenschappelijk. Hij bleek natuurkundige. Zijn eigen bijdrage was er een van extrapolaties, feiten en harde cijfers. Ineens zag ik het verband. Om me intellectueel te wapenen haalde ik Toulmin’s meesterwerk na jaren weer uit de kast. Ik liet me verrassen door de actualiteit van diens stellingname, ook na vijfentwintig jaar. In ‘Kosmopolis’ ging de Britse wetenschapsfilosoof op zoek naar de intellectuele houding die wij nodig hebben om de toekomst te lijf te kunnen gaan. Het modernisme als houding leek hem niet langer adequaat. “In plaats van vol vertrouwen extrapolaties te maken naar de sociale en culturele toekomst, zijn we gestrand en weten we niet waar we ons bevinden.” Dit is een tijd, schreef hij, van toenemende interdependentie, culturele verscheidenheid en historische veranderingen. Alles is in beweging. Stabiliteit en uniformiteit willen garanderen werkt dan juist averechts.

Toulmin pleitte hartstochtelijk voor meer speelruimte die wij nodig hebben om diversiteit en aanpassingsvermogen te beschermen. Hij zag een terugkeer naar praktische, lokale, tijdelijke en contextgebonden kennis – voor hem een bewijs dat we het modernisme voorbij zijn. De natiestaat overeind houden of de uniformiteit van de wetenschap bewaken zijn wel het laatste wat we moeten doen, vond hij. Maar tussen de regels door lees je dat hij het ergste vreesde. Hij was bang dat politiek, management en wetenschap het modernisme zouden blijven omarmen. “Als wij denken en handelen blijven onderwerpen aan alle eisen van een niet-herziene moderniteit – strengheid, nauwkeurigheid en systematiek – dreigen wij onze ideeën en instellingen niet stabiel maar star te maken, en niet in staat te zijn ze op een redelijke manier te wijzigen in overeenstemming met de andere eisen van nieuwe situaties.” Nu, vijfentwintig jaar later, is wat hij vreesde bewaarheid. Daarom nog een citaat: “In een tijd van interdependentie en historische veranderingen zijn stabiliteit en duurzaamheid alleen niet genoeg.” Duidelijk nu? We moeten verder durven springen.

Tagged with:
 

Volksvlijt 2

On 16 februari 2015, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Roeterseiland, op 9 februari 2015:

Zaal Amsterdamlezingen 2015 (maandag 2 februari 2015 met Ben Kröse)

Tijdens de Amsterdamlezing van Zef Hemel over ‘Smart Cities, Open Planning’, maandagavond op Roeterseiland campus, ontspon zich een discussie met de zaal over de platforms die onze steden intelligent kunnen maken. Hoe open zijn ze? Moeten we ze niet begrenzen? En wie initieert? Hemel stelde dat alles begint bij een enkeling. Hij of zij neemt het initiatief en stelt een groep samen. Die groep is al een platform, maar echt intelligent is hij nog niet. Vereisten daarvoor zijn: diversiteit van de deelnemers, groei door een open karakter, gevoed worden door inspiratie, permanente interactie, decentraliteit. Wat dat laatste betreft, elk platform moet dicht op de realiteit gaan zitten. Allerlei voorbeelden kwamen voorbij: de Hells Angels, de Industrieele Club, het televisieprogramma Utopia, Vrienden van het Singelpark Leiden, de G1000, Pakhuis de Zwijger, de Amsterdam Economic Board, de vele startups, de Amsterdamse gemeenteraad, ‘Volksvlijt 2016’. De meeste platforms bleken niet echt open, zijn onvoldoende divers. Vele missen ook voldoende contact met de realiteit, dan blijft het bij praten, redetwisten, het spreken in abstracties. Hemel probeerde de output breed te definiëren. Hij zei dat we de resultaten vaak niet eens in de gaten hebben, soms kan het jaren duren voordat deze zich manifesteert. Alles hangt af van de inspiratie, de concreetheid, de herhaling, de omvang en gevarieerdheid van de samenstelling.

Tijdens het gesprek kwam moderator Hooimeijer met het voorbeeld van een asielzoekerscentrum. De mensen die daar verblijven zijn vaak afkomstig uit de hele wereld en verschillen ook sterk qua achtergrond. In Nederland zitten ze opgesloten in barakken en mogen soms jarenlang niets doen. Potentieel, gaf Hemel toe, zijn deze centra hele krachtige platforms, die we echter helemaal niet gebruiken. Een oudere heer achterin de zaal vond het allemaal tamelijk vaag: hij miste de grote verhalen. Hemel stelde hem gerust en verzekerde dat de platforms op den duur spannende toekomstverhalen genereren. Een ander klaagde dat alle van onderop gegenereerde intelligentie uiteindelijk vastloopt in bureaucratie. Hemel adviseerde hem om er omheen te bewegen en niet teleurgesteld te zijn. En hoe voorkomen we dat slechts een klein deel van de bevolking meedoet? Hemel gaf toe dat we hierop voortdurend inspanning moeten plegen. Ook om te voorkomen dat ‘tribes’ en ‘groupthink’ ontstaan is het nodig dat de platforms open blijven en dat de diversiteit blijft toenemen. Een middelbare scholier stond op en wierp tegen dat de campussen op de tekening in ‘Volksvlijt 2016’ op gesloten bolwerken leken. Hemel voorspelde dat de campussen in elkaar zouden grijpen en dat ze uiteindelijk één groot kluwen zouden vormen. De verwachte uitkomst van het platform vergeleek hij met een Afrikaanse termietenstad.

Tagged with:
 

Failure to Perceive

On 12 februari 2015, in boeken, duurzaamheid, theorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Collapse’ (2006) van Jared Diamond:

De top van het Franse bouwconglomeraat Vinci was deze week in Amsterdam voor een vierdaagse retraite. Veertig CEO’s – merendeels ingenieurs – spraken met elkaar over globalisering, leiderschap en innovatie. Steeds meer bedrijven kiezen Amsterdam als plek om dit soort programma’s te doorlopen. Door de London School of Economics en Oxford University was ik gevraagd met hen op de maandagmorgen aan het begin van het programma in gesprek te gaan. Het probleem dat ik centraal stelde was de tragiek van ons lineaire denken. En dat terwijl vrijwel alle ontwikkelingen non-lineair verlopen en onder invloed van de informatietechnologie ook nog eens in hun nonlineariteit groeien en versnellen. De dingen verspreiden zich epidemisch, alles lijkt ‘out of control’. Scenario’s helpen hierin onvoldoende, rationeel management raakt sleets, projectcontrole blijkt een wassen neus, oude praktijken van het maken van plannen werken niet meer. Welk gedrag stelt ons in staat op deze permanente onzekerheid adequaat te reageren? Daarover ging ons boeiende gesprek aan de Prinsengracht.

In ‘Collapse’ beschrijft hoogleraar geografie aan UCLA Jared Diamond deze tragiek haarfijn en genadeloos. De ondertitel van zijn boek luidt:  ‘How Societies Choose to Fail or Succeed’. Elke CEO en manager zou dit boek moeten lezen. Het gaat over ecologische catastrofes in de geschiedenis van de mensheid. Waarom, vraagt Diamond zich af, namen (en nemen) grote groepen mensen collectief vaak zulke foute beslissingen, die hen dikwijls te gronde richten? Hij onderscheidt vier factoren: mensen zijn niet in staat te anticiperen op problemen die zich ogenschijnlijk nog niet voordoen; als de problemen zich manifesteren, onderkennen ze deze niet; als ze ze eenmaal onderkennen weten ze niet snel genoeg een adequate oplossing te verzinnen; als ze de problemen daadwerkelijk proberen op te lossen falen ze. Niet altijd gaat het mis. Soms gaat het goed. Wanneer falen ze niet? Als ze, schrijft Diamond, moed tonen en hun waardestelsel waaruit ze handelen en denken bijtijds weten aan te passen.

Tagged with:
 

Antifragile

On 2 december 2014, in duurzaamheid, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Antifragile’ (2013) van Nassim Nicolas Taleb:

IMG_0924.JPG
Hoe te handelen in een wereld die onvoorspelbaar is? Onze neiging tot het bouwen van stabiele systemen die kleine schokken kunnen opvangen en neutraliseren is groot, maar de echt grote schok, als hij komt, zal juist daardóór catastrofale gevolgen hebben. Dat zijn de zogenaamde ‘Zwarte Zwanen’, de vele crises, verrassingen en planningsfouten die we, juist nu, beleven. Waarom niet meer dynamische organisaties bouwen die sterker worden als ze worden blootgesteld aan onverwachte negatieve èn positieve gebeurtenissen? Dat is de essentie van Nassim Nicolas Taleb’s nieuwste boek. Taleb is hoogleraar Risk Engineering aan de New York University. Hij duidt de systeemeigenschap die hierbij hoort aan als ‘antifragiliteit’. Antifragiel, schrijft hij, is iets anders dan veerkracht, robuustheid of aanpassingsvermogen. Die laatste eigenschappen gaan slechts over overleven. Met antifragiliteit worden de systemen juist sterker, beter.

Fragiel – kwetsbaar – worden systemen en organisaties als ze efficiënter worden gemaakt, als tussenlagen worden geschrapt, als je ‘je gaat erover of niet’-principes toepast, als de aansturing ‘topdown’ is geregeld, als de werkvloer alleen maar mag uitvoeren wat het bestuur heeft bedacht, kortom als rust, orde, stabiliteit in de systemen wordt nagestreefd. Het gevolg zal zijn dat de systemen of organisaties vroeg of laat zullen inklappen, want juist de kwetsbaarheid wordt erdoor vergroot. (Dan volgt, noodgedwongen, weer een reorganisatie). Maar ook profiteren de systemen niet van gunstig toeval die verborgen zit in onzekerheid. Hoe bouw je dan aan antifragiliteit? Taleb: door de processen ‘bottomup’ te organiseren, door lichter te sturen met minder regels en minder beleid, door alleen in te grijpen als iets ernstig uit de hand loopt, door uit te gaan van opties en de gedachte dat vele wegen naar Rome leiden. Asymetrie in de systemen inbouwen, experimenteren als basis van organisatie, plezier beleven aan chaos, holistisch denken toelaten, kleinschaligheid koesteren, lokaal organiseren, kleine financiële risico’s durven nemen, ‘less is more’-inschattingen maken, allemaal zaken die de organisaties en systemen sterker maken. Maximale kans ook om te prifiteren van gelukkig toeval. Jammer alleen dat managers en ook planners – Taleb noemt ze ‘Fragilistas’ – nog steeds precies het tegenovergestelde doen.

Tagged with:
 

Open City

On 20 juli 2014, in participatie, ruimtelijke ordening, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in de Stadsschouwburg in Amsterdam op 18 juli 2014:

Richard Sennett interviewen is een droom. Afgelopen vrijdag kwam hij uit. Sennett sprak in de Amsterdamse stadsschouwburg, aan het begin van de eindpresentaties van de summer school ‘Thinking City’. Via een Skype-verbinding weliswaar, want hij bleek te moe om te reizen. Sennett is 71 jaar. Vanuit zijn Londense werkkamer sprak hij over zijn nieuwste boek, dat nog moet verschijnen: Open City. De socioloog, auteur van boeken als ‘The Fall of Public Man’, ‘The Craftsman’ en ‘Together’, maakt zich grote zorgen over de huidige mondiale verstedelijking. Sinds de Tweede Wereldoorlog bouwen wij onze steden helemaal verkeerd, dat wil zeggen op een bureaucratische wijze, te rigide, in te grote eenheden, met gescheiden functies, in veelal geïsoleerde campussen, met gated communities, een planning die teveel top-down is, alles vanuit omvattende masterplannen. Dit levert ons geen leefbare steden op. Zelfs Silicon Valley, waar iedereen van droomt, vond hij veel te ‘smooth‘. Sennett noemde onze moderne steden ‘gesloten steden’, nee ‘frozen cities’.

De slums die overal in Azië, Afrika en Zuid-Amerika verschijnen hebben van dit alles juist te weinig: geen structuur, weinig overheidsbemoeienis, te zeer bottom-up. Ook zij zijn daardoor onleefbaar. Ergens gaat iets helemaal mis. Sennett noemde het voorbeeld van Shanghai, waar hij veel onderzoek heeft gedaan: die metropool is simpelweg niet leefbaar. Wat nodig is, zei hij, is meer anarchisme. Theoretisch is het probleem vooral dat planners, managers en bestuurders telkens weer streven naar stabiliteit. Echter, stabiele complexe systemen zijn dood-in-de-pot, het levert bevroren toestanden op; je moet juist streven naar een dynamisch evenwicht met voldoende ruimte voor bottom-up initiatieven. Zeker, de vorm van de stad is cruciaal. Maar moderne architecten willen hem beheersen en liefst bevriezen. De vorm moet juist aansluiten bij de telkens veranderende behoeften van de samenleving. Sennett noemde het voorbeeld van scholen in Londen die samen met de gebruikers werden ontworpen; mensen konden kiezen uit verschillende alternatieven. Gebruikers en omwonenden bleken veel intelligenter en redelijker dan door de experts gedacht. Sennett vond het hierna genoeg. Het gesprek had een half uur geduurd. Daarna volgden de eindpresentaties van de zestig deelnemers aan de summer school. Een mooier programma was nauwelijks denkbaar.

Tagged with:
 

Coevolution

On 14 juli 2014, in participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in Amsterdam Noord op 11 juli 2014:

AESOP staat voor Association of European Schools Of Planning. Hun jaarcongres was dit keer in Utrecht. Er namen zo’n duizend wetenschappers uit heel Europa aan deel. Thema: ‘From Control To Coevolution’. Planning gaat niet meer top-down, maar vereist samenwerking tussen vele partijen. Zoiets. Tijdens de derde dag waren er een een achttal Mobile Tracks georganiseerd door en in Nederlandse steden. Een van die steden was Amsterdam. Koen Raats, Rick Vermeulen en ondergetekende ontvingen als vertegenwoordigers van de Universiteit van Amsterdam ruim honderd deelnemers afgelopen vrijdag in de hoofdstad, om precies te zijn op de noordelijke IJ-oevers. De reis door Amsterdam Noord begon op de NDSM, gevolgd door een wandeling naar de Buiksloterham, we eindigden bij de Tolhuistuin. Op elk van de drie locaties stonden telkens drie mensen gereed: een planner, een gebruiker en een wetenschapper. Na een korte introductie konden de AESOP-leden vragen aan hen stellen. Zo ontstond een levendige gedachtenwisseling over planning, deels theoretisch, deels praktisch, vaak heel persoonlijk, steeds vanuit sterk verschillende perspectieven.

Soms waren de vragen feitelijk, maar de meeste vragen gingen over de gevolgde werkwijze, geen ging over het waarom. Wat de Europese wetenschappers vooral bezighield was de wijze waarop in Amsterdam tussen al die partijen, in al dat overleg, telkens weer overeenstemming werd bereikt, hoe plannen voortdurend veranderden, geld werd gevonden, begrip werd opgebracht, voortgang geboekt, kortom hoe telkens weer de flexibiliteit werd gevonden en de harmonie bewaard. Hoe zat het met het risicomanagement? Was dat er niet? Steeds werd gerefereerd aan de Nederlandse planningscultuur die zo sterk ontwikkeld is en die de soepele samenwerking tussen al die partijen in al die wisselende omstandigheden kennelijk mogelijk maakt. Een hoogleraar uit Cyprus vond de werkwijze Zuid-Europese trekjes krijgen. Anderen vonden de gang van zaken waarbij de gemeente samen met de bewoners de straat ontwierp een regelrechte luxe. Een planner uit Griekenland wist het zeker. Helemaal op het einde van de dag, op de binnenplaats van A-Labs op Overhoeks, vatte ze het samen: jullie in Amsterdam hebben de grond in handen. Vanuit die sterke positie kunnen jullie het je veroorloven co-evolutie te bedrijven, anders was dit heus niet mogelijk geweest. Het was niet: From Control to Coevolution, maar: Control ànd Coevolution. Zoiets, zei ze, is alleen in Amsterdam mogelijk.

Tagged with:
 

Extremistan

On 2 juli 2014, in planningtheorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Black Swan’ (2010) van Nassim Nicholas Taleb:

Typische luchthavenlectuur. Maar wat een lectuur! Las eindelijk Taleb’s ‘The Black Swan’. Verplichte leesvoer voor planologen. De Libanese schrijver, bekend van ‘Fooled by Randomness’ (2004), publiceerde een boek over het verschijnsel van de willekeurige gebeurtenissen die ons leven op zijn kop zetten. Telkens weer doen we alsof de toekomst geen verrassingen kent. Maar niets is minder waar. De toekomst wordt alleen maar onzekerder. Dat komt door de snel toenemende complexiteit. Mediocristan maakt plaats voor Extremistan. Lang dachten de mensen dat zwanen wit waren. Totdat er ineens een zwarte zwaan bleek te bestaan. Achteraf praten we de zwarte zwaan goed, maar vooraf hadden we geen idee. Telkens zoeken we bevestiging voor de gebeurtenissen die we verwachten, of maken we verhalen die de toevallige verschijnselen weer in een zinvol verband moeten plaatsen. Verhalen en verklaringen achteraf zijn in die zin verraderlijk. Want daardoor zijn we teveel op het ons bekende, althans op het door ons verwachte gericht. Anders gezegd, we denken en willen dat de wereld minder toeval kent dan er in werkelijkheid bestaat. We willen de vele ‘zwarte zwanen’ eenvoudig niet zien. Onze blindheid voor toeval maakt ons kwetsbaar. Echter, dat de toekomst steeds onzekerder wordt begint bij sommigen duidelijk te worden. De noodzaak van ‘resilience’, adaptief vermogen, maatwerk, bottom-up, creativiteit wordt steeds meer ingezien.

We zouden fundamentele onzekerheid als uitgangspunt moeten nemen in ons werk en moeten leren begrijpen dat er positieve en negatieve zwarte zwanen zijn. De eerste bouwen zich doorgaans geleidelijk op, de tweede doen zich abrupt voor. Alles draait om ‘schaalbaarheid’ van de verschijnselen. Is het verschijnsel schaalbaar, dan is het besmettelijk. En besmettelijkheid kan grote gevolgen hebben. Denk aan welvaart, roem, inkomen, stedelijke bevolking, oorlog, bedrijfsomvang, financiële markten. “Mediocristan is where we must endure the tyranny of the collective, the routine, the obvious, and the predicted; Extremistan is where we are subjected to the tyranny of the singular, the accidental, the unseen, and the unpredicted.” Om beter toegerust te zijn op het onbekende zouden we ons oordeel langer moeten uitstellen, veel meer moeten durven experimenteren, praktijkervaring benutten, empirisch zijn. Taleb stelt dat theorievorming steeds minder werkt, voorspellen verliest haar betekenis, filosofie wordt irrelevant. Zelf noemt hij zich ‘sceptisch empiricus’. Hij wantrouwt verklaringen en verhalen. Of toch niet? Taleb: “There may be a way to use a narrative – but for a good purpose. Only a diamond can cut a diamond; we can use our ability to convince with a story that conveys the right message – what storytellers seem to do.”

Tagged with:
 

Dit zijn wij

On 25 juni 2014, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in De Volkskrant van 21 juni 2014:

Christien Brinkgreve, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een boek over verhalen. Een samenvatting ervan verscheen in Sir Edmund, de bijlage van De Volkskrant, afgelopen weekeinde. In ‘Vertel. Over de kracht van verhalen’ doet ze precies wat ze in de titel belooft: schrijven over de kracht van verhalen. Daarmee sluit ze aan bij de narratieve stroming die ook in de wetenschap van de planologie tegenwoordig opgeld doet (althans rond mijn leerstoel) en die bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam de afgelopen tien jaar in de praktijk van de stadsontwikkeling veelvuldig werd beproefd. Want waaruit bestaat die kracht? Een samenvatting: verhalen brengen lijn in de gebeurtenissen, ze geven je greep op hoe het verder moet, ze vergroten je vermogen je te verplaatsen in andere rollen, ze verlichten je in een situatie van onzekerheid, ze maken de toekomst minder bedreigend, ze zijn voor iedereen te volgen, ze tonen de dilemma’s van het bestaan, ze geven richtlijnen over goed en kwaad, ze kunnen telkens opnieuw worden ingezet, ze maken duidelijk hoe je iets moet doen, ze helpen je bij de zoektocht naar identiteit, ze stomen je klaar voor een nieuwe toekomst, ze openen nieuwe perspectieven, ze maken het mogelijk om gedachten en associaties met elkaar te delen, ze geven een warm gevoel van verbondenheid.

Een sterk verhaal geeft het gevoel van: dit zijn wij, aldus Brinkgreve. In situaties van grote onzekerheid kunnen verhalen dus grote diensten bewijzen. Ook in de ruimtelijke ordening. De toekomst is immers per definitie ongewis. Het narratieve gehalte in de stadsontwikkeling en de ruimtelijke ordening is tot nu toe echter pover ontwikkeld. De planologie is heel instrumenteel geworden en ook totaal gejuridificeerd. Alleen mediation lijkt nog te kunnen helpen. Maar beter dan mediation is het herontdekken en weer losmaken van een narratieve werkwijze, ook al is dat in een technocratische omgeving buitengewoon ingewikkeld. Niemand houdt daar van verhalenvertellers. En voor je het weet zijn het weer de verleidelijke ontwerpen van de starchitects die de planners moeten redden. Dat liever niet. Zeker, ze verlichten je even, maar daarna ruik je onraad. Ze geven je bovendien weinig richtlijnen over goed en kwaad. Ze geven ook zelden een warm gevoel van verbondenheid. En ze tonen al helemaal niet de dilemma’s van het bestaan. Integendeel, ze walsen vaak met hun schone schijn over de dilemma’s heen. Vandaag neem ik na precies tien jaar afscheid van de Dienst Ruimtelijke Ordening van Amsterdam. Zou Brinkgreve niet een masterclass aan de Amsterdamse planologen kunnen geven?

Tagged with:
 

Followers!

On 17 oktober 2013, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The End of Leadership’ (2012) van Barbara Kellerman:

Moet een paper schrijven over leiderschap in de Nederlandse ruimtelijke ordening voor een Brits wetenschappelijk congres. Daartoe lees ik onder andere een recent werk van Barbara Kellerman, Harvard University, getiteld ‘The End of Leadership’. Zelden kreeg ik een mooiere inhoudsopgave onder ogen. Die ene bladzijde aan het begin van het boek maakt precies duidelijk wat er met leiderschap aan de hand is: ‘lessening power’, ‘leveling the playing field’, ‘losing control’. Het gevolg: ‘downgrading leaders’ en ‘upgrading followers’. Kellerman eindigt met niet minder dan een paradigmawisseling van een overspannen leiderschapsindustrie, maar tegelijk een historisch laag vertrouwen in instituties met hun leiders. “Politics is roiling, innovation is accelerating, competition is intensifying, and globalization is expanding. The world of the second decade of the twenty-first century is networked and interdependent and transnational – with leaders weaker and followers stronger, or at least less pliable.” Haar oplossing? Meer aandacht voor de followers.

Waarom zoveel aandacht voor followers? Waarom leiderschap problematiseren? Kellerman: “We hunger ourselves to have power, authority, and influence and, simultaneously, we long ourselves to be led wisely and well.” Echter, tegelijkertijd accepteren we leiders steeds minder. Kellerman wijt deze paradox voor een niet gering deel aan het internet. Dat maakt ons mondiger. Ze laat zien dat dit ook in China en Rusland gebeurt. “At the moment in history when the leader is so obviously weakened, or tarnished, or in some other way relatively disabled; and when what happens in the world at large is so obviously consequential; and when so many followers are not in the least inclined actually to follow, the traditional view of ‘the leader’’, the suggestion that ‘the leader’ is all-important is simply passé.” Denk niet dat dit voor ruimtelijke ordening niet geldt. Ook daar moeten planners nu precies weten wat al die followers willen.

Tagged with: