Als een detective

On 19 juli 2017, in boeken, filosofie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor together sennett

Tijd voor de zomervakantie. Even geen nieuwe blogs. Daarom is dit voorlopig mijn laatste. Hij gaat over samenwerken. Mensen zijn zo verschillend, de complexiteit van de samenleving is zo groot, arbeid raakt geflexibiliseerd, organisaties vallen uit elkaar, er zijn steeds minder gezamenlijke rituelen. Daardoor wordt het almaar moeilijker om met elkaar samen te werken. Over het plezier in samenwerken schreef de Amerikaanse socioloog Richard Sennett een boek. In ‘Together’ onderzoekt hij hoe mensen weer contact met elkaar kunnen maken en samen iets ondernemen. Als basis nam hij het idee van de Franse filosoof Montaigne dat wij de ander niet kunnen kennen. Daardoor begrijpen wij elkaar niet. Het enige dat erop zit is elkaar voortdurend te bevragen om zo misverstanden te voorkomen en fout gelopen relaties te repareren. Debat heeft geen zin. Dan neem je vooral stelling en zoek je je eigen gelijk. Dialogische praktijken zijn anders. Die werken het beste als ze empathisch zijn en informeel. Je bent bescheiden, nieuwsgierig naar de ander, staat open voor nieuwe inzichten, beweegt je in een onbekende omgeving. De aanpak is zoekend, je werkt met fragmenten van kennis. Het begint allemaal met goed luisteren. Eigenlijk, aldus Sennett, zouden we allemaal detective moeten zijn.

Sennett moet niets hebben van solidariteit of consensus. Dat leidt maar tot gesloten rijen. We hoeven het ook niet eens met elkaar te zijn om te kunnen samenwerken. Onderling begrip is veel belangrijker. In Norman Thomas (1884-1968), voorman van de Socialistische Partij in de VS, zag hij hoe een leider, net als Montaigne, dialogische praktijken ontwikkelde. Thomas nam niet plaats op een verhoging, maar zocht een plek in de groep, liefst in een cirkel; hij liet mensen nooit stemmen, maar gaf zwijgende mensen het woord; na afloop van bijeenkomsten pakte hij sommige mensen bij de arm; in vergaderingen volgde hij nooit de agenda, maar stond uitvoerig stil bij een of twee agendapunten; gesprekken liet hij zich ontwikkelen en transformeren naar telkens een ander niveau. Al deze procedures, schreef Sennett, waren gericht op informeel problemen oplossen en informeel problemen vinden. Iedereen werd uitgenodigd om te participeren. Thomas’ methode was gericht op ongedwongen plezier. En wat zijn standpunten nu precies waren deed er niet zoveel toe; hem ging het om het horen van zoveel mogelijk verschillende mensen. “For Montaigne, this was the point of dialogics – looking at things in the round to see the many sides of any issue or practice, the shifting focus making people cooler and more objective in their reactions.” Fragmentarisch, zoekend. Net als mijn blog.

Tagged with:
 

Hoe ongelijk is Tokio? deel II

On 12 juni 2017, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Why inequality is different in Japan’ (2015) van Yuriko Koike:

Income of Japan's Prefectures

Inkomensniveau per provincie in Japan (bron: GeoCurrents 2011)

Wat wilde ik eigenlijk bewijzen met mijn blog over de geringe ongelijkheid van Tokio? Dat was de pertinente vraag die mij via Twitter bereikte. En waarom ik Saskia Sassen daarbij als bron gebruikte. Die bron was immers al vijfentwintig jaar oud. Dat ik de autoriteit van Sassen op dit gebied hoog aansla was kennelijk niet voldoende. Mijn antwoord is eenvoudig. Ik wilde laten zien dat de megastad Tokio minder ongelijk is dan Londen of New York of zelfs ‘de metropool Nederland’. Omvang zegt niets over polarisatie. Zeker, Tokio telt met 461.000 miljonairs de meeste rijken van alle steden op aarde (zie kaart), maar qua miljardairs spannen New York en Londen de kroon. Belangrijker is het ontbreken van criminaliteit en de afwezigheid van achterbuurten of getto’s in Tokio en het straatbeeld dat gedomineerd wordt door een welvarende middenklasse. Tokio oogt verrassend egalitair, welvarend en eerlijk, veel eerlijker en fatsoenlijker dan Nederland. Ik wilde dus weten of mijn indruk klopte. Het eerste boek dat me te binnen schoot was ‘The Global City’ (1991) van Saskia Sassen. Sassen, schreef ik, was gespitst op sociale polarisatie toen zij haar grondige studie naar het fenomeen van de postindustriële wereldstad verrichtte. Maar in Tokio vond ze weinig aanwijzingen. Gelukkig ontdekte ze het probleem van de uitgebuite dagloners. En Japanse vrouwen verdienen minder dan mannen. (En op het Japanse platteland is meer armoede).

Een recente studie is die van Yuriko Koike, lid van het Japanse parlement, geschreven voor het World Economic Forum in 2015. In ‘Why inequality is different in Japan’ legt Koike uit waarom de Japanse samenleving veel minder ongelijk is dan alle andere ontwikkelde landen. Japan kent een zeer hoge inkomstenbelasting voor de rijken (45%) en de belasting op het schenken van erfenissen en vermogens is nog hoger (55%). Dit maakt het moeilijk voor Japanners om vermogen op te bouwen. Binnen drie generaties verliest een Japanse familie weer zijn opgebouwde bezit.  Extreme rijkdom bestaat niet in Japan. Vandaar dat een groeiend aantal rijke Japanners zijn heil zoekt in Singapore of Australië. Trouwens, het tentoonspreiden van rijkdom door bezit en leefstijl past niet in de Japanse cultuur. Zelfs de rijksten leiden een bestaan dat eenvoudig is en voor de buitenwereld niet opvalt. Geen dure jachten, luxueuze villa’s, eigen vliegtuigen, ook miljonairs reizen gewoon met het openbaar vervoer en lunchen met collega’s in een eethuisje om de hoek. Echter, ‘Abenomics’ ligt wel degelijk onder vuur omdat het financieel-economische beleid van premier Abe de grote industriële conglomeraten bevoordeelt door lagere winstbelastingen. Vandaar dat Piketty’s ‘Capital in the Twenty-First Century’ grif over de toonbank gaat in Japanse boekhandels. Tokio is meer egalitair dan Nederland en ook in dat opzicht een voorbeeld voor onze vaderlandse Metropool.

Tagged with:
 

Angst, sensatiezucht en idealisme

On 19 april 2016, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord op 18 april 2016 in de OBA te Amsterdam:

Christianne Smit, universitair hoofddocent Politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, vertelde afgelopen maandagavond een prachtig verhaal over de tweede Gouden Eeuw van Amsterdam in een volgepakte theaterzaal van de OBA, tijdelijk omgetoverd in het Paleis voor Volksvlijt. Het was de eerste Amsterdamlezing van dit jaar, georganiseerd vanuit de Wibautleerstoel aan de UvA, een reeks deze keer gewijd aan de derde Gouden Eeuw. Aan de hand van haar historische onderzoek, opgetekend in ‘De Volksverheffers: sociaal hervormers in Nederland en de wereld 1870-1914’ (2015), schetste Smit een tamelijk onrustig beeld van Amsterdam, toen de kloof tussen rijk en arm snel groter werd, veel migranten naar de grote stad trokken, het platteland leegliep en de samenleving uit elkaar dreigde te vallen. De parallellen met het heden waren opvallend. De Amsterdamse elite van destijds, vertelde ze, wilde de boel bij elkaar houden en het waren de liberalen die daartoe tal van initiatieven namen; veelal betrof het jonge juffrouwen, ongetrouwde dochters van rijke burgers, wier idealistische werk deels werd ingegeven door optimisme, deels door angst. Ze trokken de arme buurten in, vaak uit sensatiezucht, maar vooral om gewone mensen die achterliepen vooruit te helpen; ze wilden de arbeiders iets leren, iets bijbrengen, zonder dat deze tot de middenklasse konden toetreden, “want dat kon gewoon niet.” Zo begon de tweede Gouden Eeuw – door het creëren van een grootstedelijke gemeenschap, het ontwikkelen van sociale cohesie.

Opmerkelijk was dat veel van die initiatieven rechtstreeks afkomstig waren uit Londen, dat niet alleen in de ernst van de maatschappelijke problemen Amsterdam verre overtrof, maar dat ook aan de lopende band innovaties produceerde.  Want zo zijn metropolen: hun oplossingsvermogen is veel groter dan die van kleine steden. Smit noemde het echtpaar Barnett dat met Toynbee Hall in East End het eerste buurthuis ter wereld stichtte. Ze organiseerden er leesclubs, cursussen, concerten, debatavonden en lezingen. Rijke studenten uit Oxford en Cambridge konden er aan den lijve ondervinden hoe het was om als arme stakker te leven. Toynbee Hall, een robuust Brits landhuis te midden van krotten, was niet minder dan een sociaal laboratorium dat ook in Nederland de aandacht trok. Smit noemde het Volkshuis in Leiden (1899), de Toynbee Vereniging (1895) en Ons Huis in de Rozenstraat in Amsterdam (1892). Ook Floor Wibaut zou na zijn verhuizing naar Amsterdam aangestoken worden door het virus en een Toynbee vereniging oprichten. Smit wees erop dat nog steeds overal in Amsterdam buurthuizen bestaan, net zoals er nog talrijke openbare bibliotheken functioneren. De sociale innovaties van destijds waren dus buitengewoon succesvol. Ze horen bij een infrastructuur die het idee van democratie moest helpen verspreiden en het pad effenen naar emancipatie. Nee, de socialisten liepen in deze niet voorop. Die wilden hun eigen buurthuizen, maar ze wilden bovendien een schietbaan om de revolutie voor te bereiden, echter een vergunning daarvoor kregen ze niet. En toen de buurthuizen en bibliotheken iets te succesvol bleken, nam de overheid het van de weldoeners over. Maar dat was veel later, zo rond de Eerste Wereldoorlog.

Tagged with:
 

Troeptrimmen

On 19 februari 2015, in afval, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord op Het Loopveld, Amsterdam, op 14 februari 2015:

Oprichtster en eigenaar Fit Earth

Het gesprek in de sportkantine afgelopen zaterdag ging weer eens over drukte in de stad. Over het fietsparkeren, de vele toeristen, het vuilnis op straat. Ouders wisten wel een oplossing. Alle aandacht richtte zich in eerste instantie op het zwerfafval. Veel bewoners van de grachtengordel, wist iemand, zetten hun vuilnis ‘s avonds al op straat. Geen wonder dat het dan een bende wordt. Hoe ze dat wist? Elke ochtend fietst ze langs de grachten naar haar werk, aan het IJ. Nee, het waren niet zozeer de bedrijven. De bewoners mogen dan klagen, ze zijn zelf mede oorzaak van de troep, concludeerde ze. Iemand anders suggereerde dat de woede zich richt op de toeristen en dat de gemeente hierop wordt aangesproken, maar dat veel klachten vermoedelijk betrekking hebben op het gedrag van de eigen buren. Hierna maakten we de voorlopige balans op: we moeten, om het probleem op te lossen, bij ons eigen gedrag beginnen.

Vervolgens regende het oplossingen. Een van de ouders vertelde dat ze gefascineerd was door afval. Elke ochtend nam ze een tas mee. Je wilt niet weten wat je onderweg tegenkomt, zei ze. Veel afval raapte ze op, bundelde het en wierp het in een vuilnisbak of container. Ze vertelde over ‘troeptrimmen’, dat is een nieuwe sportieve manier om zwerfafval op te ruimen. Op een website las ik: “Het zwerfafval met kniebuigingen, rekkend en strekkend oprapen heeft een positief effect op het lijf, de geest en de buurt. Ergernis nummer drie in Nederland kun je dus omzetten in een positieve beweging.” Ze had nog meer tips. Met drie regels kunnen we alle straten en pleinen van onze steden schoon krijgen: 1. gooi nooit iets weg op straat; 2. raap elke dag tenminste één ding op; 3. moedig twee mensen aan om hetzelfde te doen. De tafel in de sportkantine die ochtend fungeerde even als een buitengewoon intelligent platform. Alles van onderop!

Tagged with:
 

De oude en de nieuwe wereld

On 18 februari 2014, in bestuur, politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Zuiderkerk te Amsterdam op 13 februari 2014:


Hij zat vast in het verkeer. Daarom was hij iets later. Hij moest er even inkomen, maar toen hij eenmaal begon ontwikkelde hij stoom en kracht. Ach, hij had het al zo vaak gezegd: we leven in een kantelperiode. Samenleving, technologie en economie veranderen, alle drie tegelijkertijd. Dat gebeurt zelden in de geschiedenis. Aan het woord: Jan Rotmans, hoogleraar Transitiekunde aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Rotmans sprak afgelopen week de Zuiderkerklezing in Amsterdam. De oude wereld, zei hij, was ooit verticaal, centraal en top-down geordend. Ze wordt nu horizontaal, decentraal en bottom-up. Een totale omkering. De instituties begrijpen het alleen nog niet; zij leven nog in de oude wereld. Maar die is hopeloos vastgelopen. Immers, onze economie is verspillend, mensen staan in dienst van de instituties in plaats van andersom, optimalisering en efficiency domineren en leiden tot vervreemding. Mensen gaan daarom zelf aan de slag, omdat ze de instituties niet meer vertrouwen. De macht verschuift van overheid naar burger. Definitief. ‘Samen-zelfredzaam’ wordt normaal.

Wat betekent dit voor steden? Rotmans meende dat steden organismen zijn die zichzelf heel goed kunnen redden. De lokale overheid stuurt daarom veel te zwaar. "Niet sturen is helemaal niet slecht voor steden. Probeer het maar eens." Alle vernieuwing, zei hij, begint met experimenteren. Kunstenaars zijn ons voorbeeld; hun vrijheid hebben wij ook nodig. Er moet veel meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. En alles moet weer veel dichter bij de mensen worden georganiseerd. Het perspectief van mensen is holistisch. Beleid moet daarom licht en holistisch zijn, met oog voor de menselijke maat. Alle succesvolle steden volgen deze beweging, stelde hij, en ze houden hieraan vast. Hieruit, beloofde hij, zal weer een nieuw soort solidariteit voortkomen, geen tweedeling. Hij riep daarom het lokale bestuur en haar ambtenaren op niet meer alles te willen organiseren, maar vooral mogelijk te maken dat mensen het zelf doen. Dat zoiets moeilijk is gaf hij toe, zeker als je denkt steeds het initiatief te moeten nemen en meent de oplossing voor het probleem al te weten. Doe het niet. Doe eens een tijdje helemaal niets. Denk na en bespiegel en kijk wat er dan gebeurt. Dat zei hij tegen al die verzamelde ambtenaren. Geestig. Indrukwekkend.

Tagged with:
 

De sloop voorbij

On 8 januari 2014, in kunst, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in Dichtbij van 6 december 2013:

Gisteren een zogenaamde expert-meeting bijgewoond van Stad Forum over een eventuele tweedeling in Amsterdam. Is er sprake van tweedeling? Zo ja, wordt het erger? En wat kunnen we eraan doen? Het laatste deel van het gesprek ging over beeldvorming. De experts waren het erover eens dat je niet moet stigmatiseren, dus dat je Zuidoost, Noord of Nieuw West – ‘buiten de ring’ – niet mag wegzetten als kansarme zones. Zo’n kwalificatie zou de problemen alleen maar verergeren. Problematisch, begreep ik, zijn deze gebieden dus wel. Maar van studenten die er wonen begreep ik juist dat zij bijvoorbeeld Geuzenveld steeds spannender vinden: een wijk met veel goedkope woningen, een gemengde bevolking, lekker stedelijk van karakter, toch voldoende groen en met veel gedurfde experimenten. Ook in Zuidoost kan je aan klusflat Kleiburg aflezen dat veel mensen wel degelijk in zulke hoogbouw willen wonen, zelfs als deze dichtbij Kraaiennest ligt. De metamorfose van het Bijlmerpark is bovendien nu al een groot succes gebleken en het nieuwe Bijlmertheater functioneert ook heel goed.

Vlak voor de kerst vertelde iemand me over ‘Tales of the Nine’ in Geuzenveld als bewijs dat dit gebied ver buiten de ring A10 interessant is om te volgen. Het gaat hier om een buurtinitiatief van de Oekraiense Anna Stolyarova die kunstenaars uit de hele wereld vraagt om grote muuroppervlakken in de wijk te beschilderen. De schilderijen verbeelden in totaal negen verhalen, die met excursies door de buurt en workshops worden verlevendigd. Doel van het initiatief is de buurtbewoners – vooral youngsters – te inspireren en te betrekken bij de toekomst van de buurt: “Our aim is to raise awareness within our neighborhood of the social and political barriers that youngsters find on a daily basis around them, and out to achieve their and ours full integration into the contemporary Dutch society.” Inspiratiebron zijn onder andere Claudio Ethos en Bastardilla uit Sao Paulo, maar ook andere kunstprojecten in Braziliaanse steden, in Tirana, Albanië, en in de Bronx in New York. Wie de pagina op Facebook bezoekt ziet trouwens tal van verwante initiatieven in Nieuw-West, ontwikkeld vanuit lokale broedplaatsen, zoals VLLA in Slotervaart. Dat brengt me bij het Van Eesterenmuseum. De vrijwilligers die dit museum runnen beogen herwaardering van het bouwkundige erfgoed van Amsterdam Nieuw-West. Er is door hen zelfs een modelwoning geopend. Allemaal liefdevolle initiatieven die rechtstreeks aan positieve gevoelens appelleren: parken, erfgoed, voorzieningen, kunst in de openbare ruimte. Wat in de favela’s werkt, werkt ook in Amsterdam.

Tagged with:
 

Politiek laboratorium

On 2 januari 2014, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 9 november 2013:

Kijk, kijk. De inauguratie van de nieuwe burgemeester van New York, Bill de Blasio, werd op 1 januari 2014 zowaar uitgezonden op de nationale televisie. Voor het eerst ooit brachten Amerikaanse nationale zenders een degelijk evenement live in beeld. Tot nu toe was dit voorbehouden aan Amerikaanse presidenten. Het tekent de zwakte van Washington als politiek centrum en de groeiende betekenis van metropolen als politieke entiteiten wereldwijd, zeker als ze Wall Street binnen hun grenzen hebben. Zo werd door de media ook het aantreden van De Blasio gezien: als een gewaagd politiek experiment, en de stad New York als niet minder dan een ‘politiek laboratorium’. De verlamming die is toegeslagen in de belangrijkste natie-staat ter wereld wordt in Amerika ruimschoots gecompenseerd door grote dynamiek en daadkracht in haar grote steden. Na het tijdperk-Bloomberg, waarin de grootste stad van Amerika stad werd gerund als een bedrijf – ‘make government work like business’ -, is het nu aan de linkse politiek om de New Yorkse samenleving duurzamer, welvarender en rechtvaardiger te maken.

Wat zijn de onderwerpen waar de buurtwerker en voormalig ombudsman De Blasio op scoort? Ongelijkheid, extreme rijkdom versus snel groeiende armoede (ook wel: de wegvallende middenklasse) en willekeur in het optreden van de politie. Daar wil de nieuwe burgemeester iets aan doen. In zijn rede ‘A Tale of Two Cities’ zette hij de schrijnende tegenstelling tussen het rijke New York van Bloomberg – de plutocraten – tegenover het arme New York van de migranten en werklozen. Terwijl de Big Apple redelijk economisch succesvol is, zijn het vooral de vastgoedprijzen en de woonkosten die skyhigh stijgen. Hierdoor vallen steeds meer mensen buiten de boot en worden verdreven. De cijfers: in 2001 telde New York 8,1 miljoen inwoners, in 2013 is dat 8,3 miljoen. Het deel van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft is eveneens gegroeid, maar percentueel constant gebleven: 21,2 procent. De werkloosheid is in de twaalf jaar Bloomberg opgelopen van 7,6 procent naar 8,6 procent. De omvang van de stedelijke economie is in die tien jaar licht afgenomen, van 513,7 miljard dollar naar 509,4. De Blasio wil via lokale belastingheffing de lokale ongelijkheid bestrijden. Wordt hem dat gegund? De redactie van The Economist moet het nog zien. Maar die van The Washington Post neemt De Blasio serieus. ‘“There’s a progressive movement in this country that’s having a real effect,” he says, adding that “the inequalities we’re facing are becoming just fundamentally unacceptable.” De Blasio is right about that’. De krant verwacht geen loochening, wel een duidelijke koerscorrectie. Iedereen zal de komende tijd op New York letten. Al was het maar omdat een sneeuwstorm de stad bedreigt.

Tagged with:
 

The Great Inversion

On 19 juni 2013, in economie, sociaal, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The future of the American city’ van Edward Luce in FT:

Edward Luce, commentator voor de USA van de Financial Times, schreef onlangs een onthutsend artikel over de toekomst van de Amerikaanse stad. Hij stelde vast dat de verhoudingen tussen stad en suburb volledig zijn omgedraaid: ooit woonden de rijken in de buitenwijken en de armen in de grote steden, tegenwoordig wonen de rijken in de centra van de grote steden en blijven de armen achter in de suburbs. De economie van de groeikernen en suburbane gebieden verdampt, stelt Bruce Katz van het Brookings Institute, terwijl die van de grootstedelijke centra juist sterk groeit. Anders gezegd, de beste banen vindt men tegenwoordig in de grote stad, daar moet je zijn. “Owning a car is optional.” De armen daarentegen zijn tegenwoordig veroordeeld tot filerijden naar de grote stad. “They are too busy plying the freeways.” Het kan verkeren.

Luce erkent dat de deskundigen het er nog niet over eens zijn of deze verarming van de buitenwijken een tijdelijk verschijnsel is of een trend. Sommigen denken dat het iets tijdelijks is, iets dat samenhangt met de financiële crisis. Als de Verenigde Staten eenmaal de opgaande lijn weer te pakken hebben, zullen de suburbs weer de motoren blijken van de Amerikaanse economie. En inderdaad, Luce geeft tal van voorbeelden van Amerikaanse gezinnen in de buitenwijken die hard worden geraakt door de recessie, terwijl de grote steden veel beter bestand blijken tegen de crisis. Blijft het feit dat gezinnen in de suburbs van de Amerikaanse steden sterk zijn verarmd en dat voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis meer armen in de buitenwijken wonen dan in de grote steden. Luce haalt een recente studie aan waaruit blijkt dat de publieke en private geldstromen naar Chicago zevenmaal groter zijn dan naar haar suburbane omgeving, en vijfmaal groter naar het centrum van Los Angeles in vergelijking met de buitenwijken. De armen rijden auto, betalen benzine, dragen de lasten van autoverzekeringen en hebben ook nog eens minder kans op werk. Ze hebben er in de VS ook al een naam voor: ‘The Great Inversion’.

Tagged with:
 

Success breeds inequality

On 12 juni 2013, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic Cities van 30 januari 2013:

Hoogopgeleiden trekken samen in een beperkt aantal steden, de andere steden verarmen of lopen leeg. Dat gebeurt in Europa, maar vooral in de Verenigde Staten. We noemen dat: ‘Success breeds success.’ In goede Nederlands: ‘de duivel schijt op de grote hoop’. Jaap van Till en ondergetekende schreven er al over in ‘Verbonden netwerken’, een publicatie van het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, mei 2002. In datzelfde jaar beschreef Richard Florida het verschijnsel in ‘The Rise of the Creative Class’. Nu, tien jaar later, is het een feit. Florida opende onlangs een debat over de schaduwkanten van deze sociale uitsortering in ‘The Atlantic’. In ‘More Losers Than Winners in America’s New Economic Geography’ beschrijft hij hoe steden als Washington, Boston, San Jose, Raleigh-Durham en San Francisco steeds meer hoogopgeleiden trekken, terwijl andere Amerikaanse steden nauwelijks van deze ontwikkeling profiteren. In Nederland gebeurt hetzelfde. Hoogopgeleiden trekken samen in Amsterdam en in mindere mate in Utrecht, Groningen en Maastricht, de andere steden blijven zitten met lageropgeleiden.  “At first blush, everyone seems to profit from the clustering and sorting of talent.” Salarissen stijgen van zowel de creatieven als de dienstverleners en de industrie-arbeiders. Maar de status van creatieve metropool is niet alleen begerenswaardig; ze blijkt gepaard te gaan met een venijnig sociaal probleem.

Door het succes prijzen de creatieve steden zichzelf uit de markt. Vooral het woongenot wordt er flink duurder. Door hun salarissen te verminderen met de huisvestingskosten ontstaat een reëler beeld van de welvaart van individuele huishoudens. Wat blijkt? Onder de creatieven is nog steeds sprake van een stijgende lijn. Maar onder de dienstverleners en de industrie-arbeiders daalt juist het netto besteedbare inkomen als gevolg van de snel stijgende woonlasten, ook al gaan ze er in salaris op vooruit. Lager opgeleiden profiteren daardoor niet tot nauwelijks van het succes van het creatieve milieu waarin ze verkeren. Er ontstaat een kloof. De voordelen van het wonen en werken in succesvolle steden als Washington en San Francisco komt eigenlijk alleen ten goede aan de hoogopgeleiden, niet aan de gewone man. Wat te doen?Eigenlijk is het heel simpel. De lonen van de laagstbetaalden in de dienstensector zouden verder moeten stijgen door betere scholing. En voor succesvolle steden zit er niets anders op dan meer goedkope woningen te bouwen, ook al hongert de creatieve klasse er vooral naar dure appartementen. Dat geldt dus ook voor Amsterdam. Ten slotte moeten we niet vergeten dat ook de allerarmsten profiteren van de voorzieningen in de grote stad.

Tagged with:
 

Depressief

On 27 maart 2013, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 21 maart 2013:

In Nederland slikken ruim 900.000 mensen een antidepressivum. Dat is erg veel. In achterstandswijken wordt door mensen zelfs gemiddeld méér geslikt dan elders: 117 (Nederland = 100), lees: 17 procent boven het gemiddelde. Het stond te lezen in NRC Handelsblad van afgelopen week. Het gaat om onderzoek van het CBS waarbij de gegevens van de basisadministraties van achttien steden werden gekoppeld aan die van apothekers. Het verschil, aldus journaliste Frederiek Weeda, verbaast de onderzoekers allerminst. “In achterstandsbuurten wonen meer depressieve mensen.” Hoezo? “Bekend is dat bewoners van achterstandswijken gemiddeld lager opgeleid, ongezonder en armer zijn dan mensen in andere wijken.”  Logisch. Tot zover niets opvallends. Het onderzoek bevestigt eerder wat we al vermoeden: in de grote steden van de Randstad zijn veel mensen arm, laag opgeleid en ongezond. Daar moet je niet wezen.

Opmerkelijk worden de uitkomsten pas als wordt vastgesteld dat er in de steden buiten de Randstad gemiddeld juist méér wordt geslikt dan in bijvoorbeeld Rotterdam of Amsterdam. Sterker, in Amsterdam en Rotterdam wordt zelfs minder geslikt dan het landelijke gemiddelde. Huh? In de Amsterdamse Bijlmermeer ligt het gebruik liefst 31 procent onder het landelijke gemiddelde. Rara, hoe kan dat? Het moet daar in die grote steden toch het allerergste zijn? Krijgen patiënten daar niet te weinig hulp? Weten ze van het bestaan van antidepressiva wel onvoldoende af? Rust er daar onder die allochtonen in de Bijlmer niet nog een taboe op? Kortom, het moet daar in het Westen toch veel erger zijn gesteld met de geestelijke gezondheid dan in Leeuwarden of Maastricht?  Nee, concluderen de onderzoekers, het is juist omgekeerd. In de grote steden van de Randstad is de hulpverlening professioneler dan in de provincie, huisartsen en psychiaters hebben daar betere methoden om depressieve mensen te helpen. In de grote stad ben je als patiënt dus beter af. Verhelderend.

Tagged with: