Het geheim van Singapore

On 27 november 2018, in economie, sociaal, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in de Trêveszaal te Den Haag op 22 november 2018:

Afbeeldingsresultaat voor map singapore public housing hdb

Bron: SRX Property

Het regeringsdiner tijdens het bezoek van de president van Singapore aan Nederland vond plaats in de chique Trêveszaal op het Binnenhof in Den Haag. Minister-president Rutte zat voor. Als een van de genodigden luisterde ik toe. Eerst wees de premier op de langjarige betrokkenheid van de Nederlander Albert Winsemius bij de opbouw van de stadstaat Singapore. Daarna kon het gesprek beginnen. Onderwerpen waren onderwijs en innovatie, sociale inclusie en circulaire economie. Bij elk van de drie onderwerpen vertelde een Nederlandse bewindspersoon over het staande beleid, waarna zijn Singaporese collega het stokje overnam. Zo konden alle aanwezigen getuige zijn van een boeiende vergelijking tussen stadstaat Singapore en Nederland op elk van de drie onderwerpen. Vooral sociale inclusie vond ik interessant. Minister Koolmees vertelde het Nederlandse verhaal. Van Singaporese kant was het de president zelf, mevrouw Halimah Yacob, die intervenieerde. Zij wees op het recht van een dak boven het hoofd als uitgangspunt voor integratie. Elke inwoner van Singapore, zei zij, krijgt een betaalbare woning toegewezen van de regering. Dit verklaart het extreem hoge aandeel sociale woningbouw in Singapore: meer dan 80 procent van alle woningen wordt beheerd door de Housing and Development Board. Vanaf 1999 worden er door HDB ook op grote schaal woningen voor de middelklasse gebouwd. Het wonen in Singapore is extreem duur, maar door deze krachtige bemoeienis van de staat blijft wonen voor alle Singaporezen betaalbaar.

Van Nederlandse zijde werd hier niet op gereageerd. Misschien was het omdat de minister van wonen ontbrak. Dat het nota bene Albert Winsemius zelf was die Singapore destijds aanzette tot grootschalige sociale woningbouw, het werd aan tafel niet opgemerkt. Winsemius wist dat betaalbare huisvesting buitenlandse bedrijven naar Singapore zou lokken. Het heeft gewerkt en het werkt nog steeds. Dat wonen in de grote steden, Amsterdam voorop, op dit moment voor de meeste mensen onbetaalbaar wordt, is puur slecht voor de Nederlandse economie en ook slecht voor de ‘squeezed middle class’ die populistische begint te stemmen. Het vraagt om een sterk interveniërende overheid als het om wonen gaat. Maar dat gebeurt in Nederland gek genoeg niet. Er wordt nog steeds vertrouwd op de markt. VINEX was een marktgerichte benadering na de bruteringsoperatie van kabinet Lubbers II. Vanaf toen werden Nederlanders aangemoedigd om een eigen woning te kopen. Tijdens de financiële crisis van 2008 bleek hoe gevaarlijk dit was. In navolging van Singapore zouden wij hier óók een Housing and Development Board moeten instellen, die op grote schaal betaalbare woningen gaat bouwen in hoge dichtheid, te beginnen in en rond Amsterdam. Zou bovendien helpen bij het onderwerp in kwestie, te weten sociale inclusie. Hoogste tijd voor een Singaporese Winsemius die onze regering gaat adviseren.

Tagged with:
 

All Too Human

On 7 mei 2018, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De middellandman’ (2017) van Nico Haasbroek:

Afbeeldingsresultaat voor all too human tate catalogue

Bron: Tate Britain

Hoe ziet armoede er tegenwoordig uit? Afgelopen week zocht ik naar de zelfkant van de samenleving tijdens mijn bezoek aan Londen. Zelf woon ik in een arme buurt in Amsterdam, aan de zuidkant van de Pijp. Eerder schreef ik over de Rotterdamse journalist Nico Haasbroek. In ‘De middellandman’ onderzocht ook Haasbroek armoede en eenzaamheid in zijn eigen buurt. Dat viel niet mee. Dat moeizame beeld herken ik. Toen Nico de New York-Londense sociologe Saskia Sassen rondleidde door Middelland zag ook zij geen armoede op straat. Arme mensen schamen zich, concludeerde Nico. Sterker, het is een taboethema. Waarna hij zijn tanden zette in het onderwerp. Zo sprak hij met armoedeonderzoekers van de Erasmus Universiteit, een wijkagent, de medewerkers van een koffiehuis. Ze vertelden hem dat hij op de gordijnen moest letten. Hangen er dekens of hangt er niets, dan is het raak. Armoedestrategieën, leerde hij, zijn bezuinigen, delen, slim gebruik maken van regels en instanties, meedraaien in de informele economie. Van een verkoper van straatkranten begreep hij dat een bedelaar misschien veel geld bij elkaar bedelt en weinig kosten maakt terwijl iemand met een enorme hypotheekschuld diepongelukkig kan zijn. Armoede is relatief, concludeerde Nico. En dan is er de wijkagent.

Ze kunnen overal zitten, zegt de wijkagent. Van hem leert Nico dat je veel moet lopen. Alleen op straat leer je de armoede kennen. Ook leert hij over het trekken van grenzen. Een politieman moet soepel en tactisch reageren, maar ook net iets scherper zijn dan de jongens in de buurt. Zwart-wit denken helpt niet. “Ik ga als agent nooit te ver. Het blijft altijd bij bijna.” Die uitspraak vond ik treffend. Volgens de wijkagent is Middelland ‘soms een donkere wolk maar wel met gouden randjes’. Bewoners houden verslaafden in de gaten, hulpverleners werken in sociale teams aan notoire probleemgevallen, de wijkagent is lid van tal van beheerplatforms in de wijk. De sociale cohesie in Middelland, stelt Haasbroek vast, is redelijk goed, dat komt doordat de mensen er redelijk mixen, de problemen vallen mee, er zijn nog sporen van een drugsprobleem, maar die lossen op. Problematisch zijn vooral opgroeiende kinderen van alleenstaande moeders. Zijn uitgebreide armoedeverslag deed me denken aan de schitterende tentoonstelling die ik afgelopen week zag in Londen. In ‘All too human. Bacon, Freud and a Century of Painting Life’ in de Tate Britain stuitte ik op een generatie schilders de menselijke figuur schilderden in zijn alledaagse omgeving. “Embracing the visual and tactile qualities of paint, these artists set out to explore what it is that makes us human.” Bij het zien van al die schilderijen viel me weer eens op hoe ongelooflijk arm het naoorlogse Londen was.

Tagged with:
 

Als een detective

On 19 juli 2017, in boeken, filosofie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Together’ (2012) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor together sennett

Tijd voor de zomervakantie. Even geen nieuwe blogs. Daarom is dit voorlopig mijn laatste. Hij gaat over samenwerken. Mensen zijn zo verschillend, de complexiteit van de samenleving is zo groot, arbeid raakt geflexibiliseerd, organisaties vallen uit elkaar, er zijn steeds minder gezamenlijke rituelen. Daardoor wordt het almaar moeilijker om met elkaar samen te werken. Over het plezier in samenwerken schreef de Amerikaanse socioloog Richard Sennett een boek. In ‘Together’ onderzoekt hij hoe mensen weer contact met elkaar kunnen maken en samen iets ondernemen. Als basis nam hij het idee van de Franse filosoof Montaigne dat wij de ander niet kunnen kennen. Daardoor begrijpen wij elkaar niet. Het enige dat erop zit is elkaar voortdurend te bevragen om zo misverstanden te voorkomen en fout gelopen relaties te repareren. Debat heeft geen zin. Dan neem je vooral stelling en zoek je je eigen gelijk. Dialogische praktijken zijn anders. Die werken het beste als ze empathisch zijn en informeel. Je bent bescheiden, nieuwsgierig naar de ander, staat open voor nieuwe inzichten, beweegt je in een onbekende omgeving. De aanpak is zoekend, je werkt met fragmenten van kennis. Het begint allemaal met goed luisteren. Eigenlijk, aldus Sennett, zouden we allemaal detective moeten zijn.

Sennett moet niets hebben van solidariteit of consensus. Dat leidt maar tot gesloten rijen. We hoeven het ook niet eens met elkaar te zijn om te kunnen samenwerken. Onderling begrip is veel belangrijker. In Norman Thomas (1884-1968), voorman van de Socialistische Partij in de VS, zag hij hoe een leider, net als Montaigne, dialogische praktijken ontwikkelde. Thomas nam niet plaats op een verhoging, maar zocht een plek in de groep, liefst in een cirkel; hij liet mensen nooit stemmen, maar gaf zwijgende mensen het woord; na afloop van bijeenkomsten pakte hij sommige mensen bij de arm; in vergaderingen volgde hij nooit de agenda, maar stond uitvoerig stil bij een of twee agendapunten; gesprekken liet hij zich ontwikkelen en transformeren naar telkens een ander niveau. Al deze procedures, schreef Sennett, waren gericht op informeel problemen oplossen en informeel problemen vinden. Iedereen werd uitgenodigd om te participeren. Thomas’ methode was gericht op ongedwongen plezier. En wat zijn standpunten nu precies waren deed er niet zoveel toe; hem ging het om het horen van zoveel mogelijk verschillende mensen. “For Montaigne, this was the point of dialogics – looking at things in the round to see the many sides of any issue or practice, the shifting focus making people cooler and more objective in their reactions.” Fragmentarisch, zoekend. Net als mijn blog.

Tagged with:
 

Hoe ongelijk is Tokio? deel II

On 12 juni 2017, in economie, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Why inequality is different in Japan’ (2015) van Yuriko Koike:

Income of Japan's Prefectures

Inkomensniveau per provincie in Japan (bron: GeoCurrents 2011)

Wat wilde ik eigenlijk bewijzen met mijn blog over de geringe ongelijkheid van Tokio? Dat was de pertinente vraag die mij via Twitter bereikte. En waarom ik Saskia Sassen daarbij als bron gebruikte. Die bron was immers al vijfentwintig jaar oud. Dat ik de autoriteit van Sassen op dit gebied hoog aansla was kennelijk niet voldoende. Mijn antwoord is eenvoudig. Ik wilde laten zien dat de megastad Tokio minder ongelijk is dan Londen of New York of zelfs ‘de metropool Nederland’. Omvang zegt niets over polarisatie. Zeker, Tokio telt met 461.000 miljonairs de meeste rijken van alle steden op aarde (zie kaart), maar qua miljardairs spannen New York en Londen de kroon. Belangrijker is het ontbreken van criminaliteit en de afwezigheid van achterbuurten of getto’s in Tokio en het straatbeeld dat gedomineerd wordt door een welvarende middenklasse. Tokio oogt verrassend egalitair, welvarend en eerlijk, veel eerlijker en fatsoenlijker dan Nederland. Ik wilde dus weten of mijn indruk klopte. Het eerste boek dat me te binnen schoot was ‘The Global City’ (1991) van Saskia Sassen. Sassen, schreef ik, was gespitst op sociale polarisatie toen zij haar grondige studie naar het fenomeen van de postindustriële wereldstad verrichtte. Maar in Tokio vond ze weinig aanwijzingen. Gelukkig ontdekte ze het probleem van de uitgebuite dagloners. En Japanse vrouwen verdienen minder dan mannen. (En op het Japanse platteland is meer armoede).

Een recente studie is die van Yuriko Koike, lid van het Japanse parlement, geschreven voor het World Economic Forum in 2015. In ‘Why inequality is different in Japan’ legt Koike uit waarom de Japanse samenleving veel minder ongelijk is dan alle andere ontwikkelde landen. Japan kent een zeer hoge inkomstenbelasting voor de rijken (45%) en de belasting op het schenken van erfenissen en vermogens is nog hoger (55%). Dit maakt het moeilijk voor Japanners om vermogen op te bouwen. Binnen drie generaties verliest een Japanse familie weer zijn opgebouwde bezit.  Extreme rijkdom bestaat niet in Japan. Vandaar dat een groeiend aantal rijke Japanners zijn heil zoekt in Singapore of Australië. Trouwens, het tentoonspreiden van rijkdom door bezit en leefstijl past niet in de Japanse cultuur. Zelfs de rijksten leiden een bestaan dat eenvoudig is en voor de buitenwereld niet opvalt. Geen dure jachten, luxueuze villa’s, eigen vliegtuigen, ook miljonairs reizen gewoon met het openbaar vervoer en lunchen met collega’s in een eethuisje om de hoek. Echter, ‘Abenomics’ ligt wel degelijk onder vuur omdat het financieel-economische beleid van premier Abe de grote industriële conglomeraten bevoordeelt door lagere winstbelastingen. Vandaar dat Piketty’s ‘Capital in the Twenty-First Century’ grif over de toonbank gaat in Japanse boekhandels. Tokio is meer egalitair dan Nederland en ook in dat opzicht een voorbeeld voor onze vaderlandse Metropool.

Tagged with:
 

Angst, sensatiezucht en idealisme

On 19 april 2016, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gehoord op 18 april 2016 in de OBA te Amsterdam:

 

Christianne Smit, universitair hoofddocent Politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, vertelde afgelopen maandagavond een prachtig verhaal over de tweede Gouden Eeuw van Amsterdam in een volgepakte theaterzaal van de OBA, tijdelijk omgetoverd in het Paleis voor Volksvlijt. Het was de eerste Amsterdamlezing van dit jaar, georganiseerd vanuit de Wibautleerstoel aan de UvA, een reeks deze keer gewijd aan de derde Gouden Eeuw. Aan de hand van haar historische onderzoek, opgetekend in ‘De Volksverheffers: sociaal hervormers in Nederland en de wereld 1870-1914’ (2015), schetste Smit een tamelijk onrustig beeld van Amsterdam, toen de kloof tussen rijk en arm snel groter werd, veel migranten naar de grote stad trokken, het platteland leegliep en de samenleving uit elkaar dreigde te vallen. De parallellen met het heden waren opvallend. De Amsterdamse elite van destijds, vertelde ze, wilde de boel bij elkaar houden en het waren de liberalen die daartoe tal van initiatieven namen; veelal betrof het jonge juffrouwen, ongetrouwde dochters van rijke burgers, wier idealistische werk deels werd ingegeven door optimisme, deels door angst. Ze trokken de arme buurten in, vaak uit sensatiezucht, maar vooral om gewone mensen die achterliepen vooruit te helpen; ze wilden de arbeiders iets leren, iets bijbrengen, zonder dat deze tot de middenklasse konden toetreden, “want dat kon gewoon niet.” Zo begon de tweede Gouden Eeuw – door het creëren van een grootstedelijke gemeenschap, het ontwikkelen van sociale cohesie.

Opmerkelijk was dat veel van die initiatieven rechtstreeks afkomstig waren uit Londen, dat niet alleen in de ernst van de maatschappelijke problemen Amsterdam verre overtrof, maar dat ook aan de lopende band innovaties produceerde.  Want zo zijn metropolen: hun oplossingsvermogen is veel groter dan die van kleine steden. Smit noemde het echtpaar Barnett dat met Toynbee Hall in East End het eerste buurthuis ter wereld stichtte. Ze organiseerden er leesclubs, cursussen, concerten, debatavonden en lezingen. Rijke studenten uit Oxford en Cambridge konden er aan den lijve ondervinden hoe het was om als arme stakker te leven. Toynbee Hall, een robuust Brits landhuis te midden van krotten, was niet minder dan een sociaal laboratorium dat ook in Nederland de aandacht trok. Smit noemde het Volkshuis in Leiden (1899), de Toynbee Vereniging (1895) en Ons Huis in de Rozenstraat in Amsterdam (1892). Ook Floor Wibaut zou na zijn verhuizing naar Amsterdam aangestoken worden door het virus en een Toynbee vereniging oprichten. Smit wees erop dat nog steeds overal in Amsterdam buurthuizen bestaan, net zoals er nog talrijke openbare bibliotheken functioneren. De sociale innovaties van destijds waren dus buitengewoon succesvol. Ze horen bij een infrastructuur die het idee van democratie moest helpen verspreiden en het pad effenen naar emancipatie. Nee, de socialisten liepen in deze niet voorop. Die wilden hun eigen buurthuizen, maar ze wilden bovendien een schietbaan om de revolutie voor te bereiden, echter een vergunning daarvoor kregen ze niet. En toen de buurthuizen en bibliotheken iets te succesvol bleken, nam de overheid het van de weldoeners over. Maar dat was veel later, zo rond de Eerste Wereldoorlog.

Tagged with:
 

Troeptrimmen

On 19 februari 2015, in afval, duurzaamheid, by Zef Hemel

Gehoord op Het Loopveld, Amsterdam, op 14 februari 2015:

 

Het gesprek in de sportkantine afgelopen zaterdag ging weer eens over drukte in de stad. Over het fietsparkeren, de vele toeristen, het vuilnis op straat. Ouders wisten wel een oplossing. Alle aandacht richtte zich in eerste instantie op het zwerfafval. Veel bewoners van de grachtengordel, wist iemand, zetten hun vuilnis ‘s avonds al op straat. Geen wonder dat het dan een bende wordt. Hoe ze dat wist? Elke ochtend fietst ze langs de grachten naar haar werk, aan het IJ. Nee, het waren niet zozeer de bedrijven. De bewoners mogen dan klagen, ze zijn zelf mede oorzaak van de troep, concludeerde ze. Iemand anders suggereerde dat de woede zich richt op de toeristen en dat de gemeente hierop wordt aangesproken, maar dat veel klachten vermoedelijk betrekking hebben op het gedrag van de eigen buren. Hierna maakten we de voorlopige balans op: we moeten, om het probleem op te lossen, bij ons eigen gedrag beginnen.

Vervolgens regende het oplossingen. Een van de ouders vertelde dat ze gefascineerd was door afval. Elke ochtend nam ze een tas mee. Je wilt niet weten wat je onderweg tegenkomt, zei ze. Veel afval raapte ze op, bundelde het en wierp het in een vuilnisbak of container. Ze vertelde over ‘troeptrimmen’, dat is een nieuwe sportieve manier om zwerfafval op te ruimen. Op een website las ik: “Het zwerfafval met kniebuigingen, rekkend en strekkend oprapen heeft een positief effect op het lijf, de geest en de buurt. Ergernis nummer drie in Nederland kun je dus omzetten in een positieve beweging.” Ze had nog meer tips. Met drie regels kunnen we alle straten en pleinen van onze steden schoon krijgen: 1. gooi nooit iets weg op straat; 2. raap elke dag tenminste één ding op; 3. moedig twee mensen aan om hetzelfde te doen. De tafel in de sportkantine die ochtend fungeerde even als een buitengewoon intelligent platform. Alles van onderop!

Tagged with:
 

De oude en de nieuwe wereld

On 18 februari 2014, in bestuur, politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Zuiderkerk te Amsterdam op 13 februari 2014:

Hij zat vast in het verkeer. Daarom was hij iets later. Hij moest er even inkomen, maar toen hij eenmaal begon ontwikkelde hij stoom en kracht. Ach, hij had het al zo vaak gezegd: we leven in een kantelperiode. Samenleving, technologie en economie veranderen, alle drie tegelijkertijd. Dat gebeurt zelden in de geschiedenis. Aan het woord: Jan Rotmans, hoogleraar Transitiekunde aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Rotmans sprak afgelopen week de Zuiderkerklezing in Amsterdam. De oude wereld, zei hij, was ooit verticaal, centraal en top-down geordend. Ze wordt nu horizontaal, decentraal en bottom-up. Een totale omkering. De instituties begrijpen het alleen nog niet; zij leven nog in de oude wereld. Maar die is hopeloos vastgelopen. Immers, onze economie is verspillend, mensen staan in dienst van de instituties in plaats van andersom, optimalisering en efficiency domineren en leiden tot vervreemding. Mensen gaan daarom zelf aan de slag, omdat ze de instituties niet meer vertrouwen. De macht verschuift van overheid naar burger. Definitief. ‘Samen-zelfredzaam’ wordt normaal.

Wat betekent dit voor steden? Rotmans meende dat steden organismen zijn die zichzelf heel goed kunnen redden. De lokale overheid stuurt daarom veel te zwaar. "Niet sturen is helemaal niet slecht voor steden. Probeer het maar eens." Alle vernieuwing, zei hij, begint met experimenteren. Kunstenaars zijn ons voorbeeld; hun vrijheid hebben wij ook nodig. Er moet veel meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. En alles moet weer veel dichter bij de mensen worden georganiseerd. Het perspectief van mensen is holistisch. Beleid moet daarom licht en holistisch zijn, met oog voor de menselijke maat. Alle succesvolle steden volgen deze beweging, stelde hij, en ze houden hieraan vast. Hieruit, beloofde hij, zal weer een nieuw soort solidariteit voortkomen, geen tweedeling. Hij riep daarom het lokale bestuur en haar ambtenaren op niet meer alles te willen organiseren, maar vooral mogelijk te maken dat mensen het zelf doen. Dat zoiets moeilijk is gaf hij toe, zeker als je denkt steeds het initiatief te moeten nemen en meent de oplossing voor het probleem al te weten. Doe het niet. Doe eens een tijdje helemaal niets. Denk na en bespiegel en kijk wat er dan gebeurt. Dat zei hij tegen al die verzamelde ambtenaren. Geestig. Indrukwekkend.

Tagged with:
 

De sloop voorbij

On 8 januari 2014, in kunst, sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in Dichtbij van 6 december 2013:

Gisteren een zogenaamde expert-meeting bijgewoond van Stad Forum over een eventuele tweedeling in Amsterdam. Is er sprake van tweedeling? Zo ja, wordt het erger? En wat kunnen we eraan doen? Het laatste deel van het gesprek ging over beeldvorming. De experts waren het erover eens dat je niet moet stigmatiseren, dus dat je Zuidoost, Noord of Nieuw West – ‘buiten de ring’ – niet mag wegzetten als kansarme zones. Zo’n kwalificatie zou de problemen alleen maar verergeren. Problematisch, begreep ik, zijn deze gebieden dus wel. Maar van studenten die er wonen begreep ik juist dat zij bijvoorbeeld Geuzenveld steeds spannender vinden: een wijk met veel goedkope woningen, een gemengde bevolking, lekker stedelijk van karakter, toch voldoende groen en met veel gedurfde experimenten. Ook in Zuidoost kan je aan klusflat Kleiburg aflezen dat veel mensen wel degelijk in zulke hoogbouw willen wonen, zelfs als deze dichtbij Kraaiennest ligt. De metamorfose van het Bijlmerpark is bovendien nu al een groot succes gebleken en het nieuwe Bijlmertheater functioneert ook heel goed.

Vlak voor de kerst vertelde iemand me over ‘Tales of the Nine’ in Geuzenveld als bewijs dat dit gebied ver buiten de ring A10 interessant is om te volgen. Het gaat hier om een buurtinitiatief van de Oekraiense Anna Stolyarova die kunstenaars uit de hele wereld vraagt om grote muuroppervlakken in de wijk te beschilderen. De schilderijen verbeelden in totaal negen verhalen, die met excursies door de buurt en workshops worden verlevendigd. Doel van het initiatief is de buurtbewoners – vooral youngsters – te inspireren en te betrekken bij de toekomst van de buurt: “Our aim is to raise awareness within our neighborhood of the social and political barriers that youngsters find on a daily basis around them, and out to achieve their and ours full integration into the contemporary Dutch society.” Inspiratiebron zijn onder andere Claudio Ethos en Bastardilla uit Sao Paulo, maar ook andere kunstprojecten in Braziliaanse steden, in Tirana, Albanië, en in de Bronx in New York. Wie de pagina op Facebook bezoekt ziet trouwens tal van verwante initiatieven in Nieuw-West, ontwikkeld vanuit lokale broedplaatsen, zoals VLLA in Slotervaart. Dat brengt me bij het Van Eesterenmuseum. De vrijwilligers die dit museum runnen beogen herwaardering van het bouwkundige erfgoed van Amsterdam Nieuw-West. Er is door hen zelfs een modelwoning geopend. Allemaal liefdevolle initiatieven die rechtstreeks aan positieve gevoelens appelleren: parken, erfgoed, voorzieningen, kunst in de openbare ruimte. Wat in de favela’s werkt, werkt ook in Amsterdam.

Tagged with:
 

Politiek laboratorium

On 2 januari 2014, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 9 november 2013:

Kijk, kijk. De inauguratie van de nieuwe burgemeester van New York, Bill de Blasio, werd op 1 januari 2014 zowaar uitgezonden op de nationale televisie. Voor het eerst ooit brachten Amerikaanse nationale zenders een degelijk evenement live in beeld. Tot nu toe was dit voorbehouden aan Amerikaanse presidenten. Het tekent de zwakte van Washington als politiek centrum en de groeiende betekenis van metropolen als politieke entiteiten wereldwijd, zeker als ze Wall Street binnen hun grenzen hebben. Zo werd door de media ook het aantreden van De Blasio gezien: als een gewaagd politiek experiment, en de stad New York als niet minder dan een ‘politiek laboratorium’. De verlamming die is toegeslagen in de belangrijkste natie-staat ter wereld wordt in Amerika ruimschoots gecompenseerd door grote dynamiek en daadkracht in haar grote steden. Na het tijdperk-Bloomberg, waarin de grootste stad van Amerika stad werd gerund als een bedrijf – ‘make government work like business’ -, is het nu aan de linkse politiek om de New Yorkse samenleving duurzamer, welvarender en rechtvaardiger te maken.

Wat zijn de onderwerpen waar de buurtwerker en voormalig ombudsman De Blasio op scoort? Ongelijkheid, extreme rijkdom versus snel groeiende armoede (ook wel: de wegvallende middenklasse) en willekeur in het optreden van de politie. Daar wil de nieuwe burgemeester iets aan doen. In zijn rede ‘A Tale of Two Cities’ zette hij de schrijnende tegenstelling tussen het rijke New York van Bloomberg – de plutocraten – tegenover het arme New York van de migranten en werklozen. Terwijl de Big Apple redelijk economisch succesvol is, zijn het vooral de vastgoedprijzen en de woonkosten die skyhigh stijgen. Hierdoor vallen steeds meer mensen buiten de boot en worden verdreven. De cijfers: in 2001 telde New York 8,1 miljoen inwoners, in 2013 is dat 8,3 miljoen. Het deel van de bevolking dat onder de armoedegrens leeft is eveneens gegroeid, maar percentueel constant gebleven: 21,2 procent. De werkloosheid is in de twaalf jaar Bloomberg opgelopen van 7,6 procent naar 8,6 procent. De omvang van de stedelijke economie is in die tien jaar licht afgenomen, van 513,7 miljard dollar naar 509,4. De Blasio wil via lokale belastingheffing de lokale ongelijkheid bestrijden. Wordt hem dat gegund? De redactie van The Economist moet het nog zien. Maar die van The Washington Post neemt De Blasio serieus. ‘“There’s a progressive movement in this country that’s having a real effect,” he says, adding that “the inequalities we’re facing are becoming just fundamentally unacceptable.” De Blasio is right about that’. De krant verwacht geen loochening, wel een duidelijke koerscorrectie. Iedereen zal de komende tijd op New York letten. Al was het maar omdat een sneeuwstorm de stad bedreigt.

Tagged with:
 

The Great Inversion

On 19 juni 2013, in economie, sociaal, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The future of the American city’ van Edward Luce in FT:

Edward Luce, commentator voor de USA van de Financial Times, schreef onlangs een onthutsend artikel over de toekomst van de Amerikaanse stad. Hij stelde vast dat de verhoudingen tussen stad en suburb volledig zijn omgedraaid: ooit woonden de rijken in de buitenwijken en de armen in de grote steden, tegenwoordig wonen de rijken in de centra van de grote steden en blijven de armen achter in de suburbs. De economie van de groeikernen en suburbane gebieden verdampt, stelt Bruce Katz van het Brookings Institute, terwijl die van de grootstedelijke centra juist sterk groeit. Anders gezegd, de beste banen vindt men tegenwoordig in de grote stad, daar moet je zijn. “Owning a car is optional.” De armen daarentegen zijn tegenwoordig veroordeeld tot filerijden naar de grote stad. “They are too busy plying the freeways.” Het kan verkeren.

Luce erkent dat de deskundigen het er nog niet over eens zijn of deze verarming van de buitenwijken een tijdelijk verschijnsel is of een trend. Sommigen denken dat het iets tijdelijks is, iets dat samenhangt met de financiële crisis. Als de Verenigde Staten eenmaal de opgaande lijn weer te pakken hebben, zullen de suburbs weer de motoren blijken van de Amerikaanse economie. En inderdaad, Luce geeft tal van voorbeelden van Amerikaanse gezinnen in de buitenwijken die hard worden geraakt door de recessie, terwijl de grote steden veel beter bestand blijken tegen de crisis. Blijft het feit dat gezinnen in de suburbs van de Amerikaanse steden sterk zijn verarmd en dat voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis meer armen in de buitenwijken wonen dan in de grote steden. Luce haalt een recente studie aan waaruit blijkt dat de publieke en private geldstromen naar Chicago zevenmaal groter zijn dan naar haar suburbane omgeving, en vijfmaal groter naar het centrum van Los Angeles in vergelijking met de buitenwijken. De armen rijden auto, betalen benzine, dragen de lasten van autoverzekeringen en hebben ook nog eens minder kans op werk. Ze hebben er in de VS ook al een naam voor: ‘The Great Inversion’.

Tagged with: