Cadeautje van de president

On 29 juni 2011, in politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 28 juni 2011:

Nieuwe zomerreeks in NRC Handelblad: wereldsteden. Eindelijk eens geen toeristische suggesties voor stedentrips, maar informatie over de grootstedelijke realiteit. De eerste aflevering ging over Parijs. De titel klonk veelbelovend: ‘Le Grand Paris: de levende stad als Utopia’. Het resultaat viel tegen. Jammer dat de journalist, Dirk Vandenberghe, zich richtte op het prestigeproject van Sarkozy (twee nieuwe metrolijnen, kosten 35 miljard euro, en de ontwerpen van tien ‘wereldvermaarde architectenbureaus’) en niet op de lokale planningscontext waarin deze politieke eenmansactie zich met veel bombarie richtte. Vandenberghe begint goed door de transformatie van Place de la Republique als uitgangspunt voor zijn reportage te nemen. Hij vergeet erbij te vermelden dat die actie plaatsvindt op instigatie van de burgemeester Delanoë, die al heel wat langer zijn ambt bekleedt dan Mr. Sarkozy het zijne. Stadsontwikkeling is politiek, zeker in Parijs. Het aanleggen van stadsstranden, het introduceren van stadsfietsen, het verbeteren van de openbare ruimte voor voetgangers, het overbruggen van de kloof tussen het centrum binnen de ring, tevens gemeentegrens, en daarbuiten, kortom het leefbaarder maken van Parijs is de agenda van het links-groene college dat de stadsstaat Parijs nu al tien jaar (sinds 2001) bestuurt. ‘Le Grand Paris’ van Sarkozy is een recente rechtse presidentiële interventie in het tienjarige bottom-up proces van groeiende regionale samenwerking, genaamd ‘Paris Métropole” – een proces dat overigens treffende gelijkenis vertoont met de groeiende samenwerking binnen de ‘Metropoolregio Amsterdam’.

Hugo Bevort, directeur van het kabinet  van Pierre Mansat, wethouder sinds 2001 van regionale samenwerking rond Parijs, wilde het ons wel vertellen. Tot 2000 bestond er feitelijk geen samenwerking tussen Parijs en haar buurgemeenten. Binnen de grenzen van Parijs, die samenvallen met de inmiddels gesloopte negentiende eeuwse vestingwerken waar tegenwoordig de Boulevard Périphérique loopt, wonen ruim twee miljoen mensen. Daarbuiten leven nog eens acht miljoen Fransen die zich ook Parijzenaar voelen. Het bestuurlijke stelsel van Frankrijk is enorm versnipperd, zo ook in en rond Parijs. Ile-de-France bestaat uit bijna 1300 gemeenten en acht departementen. Iedereen leefde langs elkaar heen. “For a long time, the metropolis has been a de facto situation without any political translation.” Daar kwam verandering in toen Delanoë en Mansat aan de macht kwamen. Heel geleidelijk, van onderop, bouwden zij de regionale samenwerking uit. “This approach does not consist in bringing up a ready-made solution for discussion, which would be downright presumptious, but rather in mapping out a political path to build Paris Métropole.” Parijs startte een dialoog met haar buurgemeenten op basis van gelijkwaardigheid, gezamenlijk namen ze concrete, alledaagse vraagstukken als uitgangspunt voor publiek debat, ze bouwden aan een participatieve democratie, ze organiseerden in 2006 een grote metropolitane conferentie, het was de geboorte van ‘Paris Métropole’. “The metropolitan conference thus became a place – often termed as informal – but the absence of power doesn’t exclude a good organization, an agenda, a programme and people who act.” Sindsdien heeft elke gemeente een stem in deze conferentie, die jaarlijks plaatsvindt. Daar wordt democratisch over de toekomst van Groot Parijs besloten. Het jaar na de conferentie trad er een nieuwe, rechtse president aan, die zich niets gelegen liet liggen aan dit regionale bottom-up proces. Die selecteerde gewoon tien buitenlandse architecten, waaronder het Nederlandse MVRDV, die grootschalige plannen voor Parijs ontwierpen; het waren ‘Grands Projets’ die natuurlijk zonder gevolg bleven. Daarna besliste hij dat Parijs twee nieuwe metrolijnen nodig had en doneerde daarvoor nog eens 35 miljard euro. ‘Paris Métropole’ ontmoet hier ‘Le Grand Paris’. De president wordt bedankt.

Onvergeeflijk

On 17 januari 2011, in economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in Financial Times van 11 januari 2011:

Ian Morris is hoogleraar Geschiedenis en Archeologie aan Stanford University, San Francisco. Hij schreef een fenomenaal boek over de wereldeconomie. Het heet: ‘’Why the West rules – for now”. Martin Wolf schreef er een recensie over in de Financial Times van 11 januari 2011. Volgens Morris groeit de wereldeconomie vanuit twee kerngebieden: het Westen en het Oosten. Het Oosten haalt het Westen op dit moment snel in. Tot zover niets nieuws. Voor Morris houdt groei verband met vier factoren: energie, urbanisatie, militaire capaciteit en informatietechnologie. Hij is ervan overtuigd dat de eerste de belangrijkste is. Het was ook geen industriële revolutie, maar een energierevolutie die het Westen eind achttiende eeuw op voorsprong zette: toen leerde het Europese kerngebied fossiele brandstoffen gebruiken. Die bleken bovendien in overvloed voorradig. Dat was cruciaal. Na 1800 is het wereldwijde energieverbruik gigantisch gestegen. Op dit moment haalt het Oosten ons qua energiegebruik echter snel in. In 2035 zullen wij 50 procent meer energie gebruiken dan nu. Energie en ideeën, aldus Morris, ze zijn de basis van onze beschaving.

Daar valt natuurlijk geen speld tussen te krijgen. De vraag is alleen of energie werkelijk de bepalende factor is. Cruciaal is ze zeker. Zoals hier al vele malen verkondigd ligt in werkelijkheid urbanisatie aan de basis van economische groei en van de toename van ideeën en ideeënuitwisseling in de wereld. En inderdaad, de steden konden pas echt omvangrijk worden toen fossiele brandstoffen in overvloed voorradig bleken en eenvoudig in energie konden worden omgezet. De groei van de Hollandse steden in de zeventiende eeuw was te danken aan turf en windmolens, die van Londen in de negentiende eeuw aan steenkool, die van de steden in de USA en het Verre Oosten in de twintigste eeuw aan goedkope aardolie. Het feit dat wij in Nederland de aardgasvondst in 1959 niet hebben aangewend om een echte metropool te bouwen is, achteraf gezien, natuurlijk onvergeeflijk. Ideeën en ideeënuitwisseling waren hier te lande veel krachtiger geweest als we dat wel hadden gedaan. Binnenkort is het aardgas op. Wat heeft deze energiebron ons aan ‘economische structuurversterking’ opgeleverd? Asfalt, beton, mainports en een Betuwelijn. We hebben onszelf veroordeeld tot muilezels van de wereld, of althans van Duitsland. Onvergeeflijk, eeuwig zonde.

Tagged with:
 

Het script van de dingen

On 14 december 2010, in economie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in De erfenis van de utopie (1998) van Hans Achterhuis:

Een van de felste confrontaties tijdens het gesprek over Ruimte & Economie van het Forum voor Stedelijke Vernieuwing in het Haagse Stroom, precies een week geleden, betrof die rond de verhouding tussen het verstedelijkingspatroon en de aard van de economie. Het is gebruikelijk om het verstedelijkingspatroon als resultante van een economische ontwikkeling te beschouwen. Een agrarische economie produceert dan een gelijkmatig hiërarchisch patroon van verzorgingskernen, een industriële economie produceert een dikwijls grilliger patroon van industriesteden, gekoppeld aan delfstoffenwinning en aan overslagpunten, een diensteneconomie produceert metropolen. Maar kun je het ook omkeren? Kan het verstedelijkingspatroon ook een bepaald soort economie genereren? Alles hangt natuurlijk af van de vraag of het verstedelijkingspatroon opzettelijk, dus los van de economie, kan worden vormgegeven. In de planmatig georiënteerde twintigste eeuw gebeurde dat mijns inziens wel, althans in Nederland. Antistedelijke sentimenten gepaard gaande met een centrale herverdeling van omvangrijke stromen publieke middelen volgens het principe van de ‘verdelende rechtvaardigheid’ bevestigden en herbevestigden het van origine agrarische verstedelijkingspatroon van Nederland. Een snelwegennet dat alles met alles verbond deed de rest. Resultaat: een veelvoud van twaalf net niet uit de kluiten gewassen provinciesteden. De bijbehorende economie is daarvan de resultante, niet de oorzaak. Het idee werd tijdens die gedenkwaardige avond uiteraard fel bestreden. Het zou getuigen van onwaarschijnlijk ‘maakbaarheidsdenken.’

Hans Achterhuis spreekt van ‘het script van de dingen’. Wij mensen worden geleefd door de dingen. Wij gedragen ons naar de fysieke omstandigheden waarin wij leven, maar dat willen wij natuurlijk niet weten. Wij denken dat wij de dingen de baas zijn, maar de dingen zijn juist ons de baas. Zo kan een regering ons theoretisch aansporen om bepaald economisch gedrag te vertonen door onze omgeving op een bepaalde manier in te richten. Hans Achterhuis citeert de Franse socioloog Bruno Latour die in ‘De morele last van de sleutelhanger’ (1997) het voorbeeld noemt van de loden bal aan de hotelkamersleutel. Opdat de gast niet vergeet de sleutel weer in te leveren bij de receptie. Een schriftelijk verzoek bleek namelijk niet voldoende. Toen verzon de hoteleigenaar de loden bal. Zo zijn er, aldus Achterhuis, hele ketens die de mensen met de dingen verbinden. En zo heeft zestig jaar verzorgingsstaatbeleid een fysieke inrichting van Nederland voortgebracht die ervoor heeft gezorgd dat wij ons als hotelgasten gedragen. Elke ochtend leveren wij de sleutel in bij de receptie. Dat heeft de hoteleigenaar zo bedacht.

Tagged with:
 

Werkezel van de wereld

On 26 oktober 2010, in theorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in De Rationele Optimist (2010) van Matt Ridley:

Aardig boek van Matt Ridley. Hij is wel schatplichtig aan Robert Wright, die met zijn ‘’Non Zero’ hetzelfde eigenlijk veel beter deed, namelijk aantonen dat er wel degelijk sprake is van vooruitgang. Maar Ridleys weergave van de wereldgeschiedenis schiet in één opzicht tekort. Hij schrijft alle vooruitgang toe aan het fenomeen ‘handel’. Door handel te drijven worden goederen en diensten uitgewisseld, waardoor arbeidsdeling ontstaat. Hoe meer handel, hoe meer arbeidsdeling, hoe meer specialisatie. “Ik meen te mogen beweren dat de cumulatieve aanwas van kennis door specialisten, waardoor wij steeds meer verschillende dingen kunnen consumeren door allemaal steeds minder te produceren, het belangrijkste verhaal voor de mensheid is. (…) Dit is het hoofdthema van de geschiedenis: de verbreiding van uitwisseling, specialisering en de daardoor ontstane uitvinding, de schepping van tijd.” Waar zit de denkfout van Ridley? Essentieel voor de vooruitgang van de mensheid, de kennis, uitwisseling en arbeidsdeling is niet handel, maar verstedelijking. Bij Ridley is de stad slechts in één hoofdstuk samengebracht, waar ze als een effect van handel wordt weggezet. Daar schrijft hij: “Handel trekt mensen naar de steden en doet de sloppenwijken groeien. (…) In 2008 leefde voor het eerst meer dan de helft van de wereldbevolking in steden. Dat is geen slechte zaak. Het is een maatstaf voor economische vooruitgang dat meer dan de helft van de bevolking de zelfvoorziening achter zich kan laten en de mogelijkheden kan opzoeken van een leven dat in plaats daarvan gebaseerd is op uitwisseling. Tweederde van de economische groei voltrekt zich in steden.”

Ridley beschouwt steden als maatstaven, niet als oorzaken van vooruitgang. Dit is een fundamentele fout. Hij is zo gefocust op handel dat hij de steden eerder ziet als triomf van het kunststuk ‘handel drijven’, dan als de bron ervan. De meeste handel vindt immers plaats binnen steden, verstedelijking leidt tot arbeidsdeling, kennis hoopt zich op in steden, kennisuitwisseling vindt binnen steden plaats. Wat steden doen is importen vervangen, jazeker dat ìs handel drijven. Maar dan wel met als doel zoveel mogelijk zèlf te maken, voor de lokale markt. Handel trekt mensen niet naar steden, maar steden trekken handel aan. Verstedelijking is de motor van economische voorspoed. Vandaar ook dat meer dan de helft van de mensheid inmiddels in steden woont en dat die steden tweederde van de economische groei voor hun rekening nemen. Wie verstedelijking ontloopt, loopt economische vooruitgang mis. En wie teveel op handel inzet, degradeert zich tot werkezel van de wereld.

Tagged with:
 

Urban renaissance

On 24 juli 2010, in ruimtelijke ordening, stadsvernieuwing, by Zef Hemel

Gelezen in Nova Terra juni 2010:

Vier medewerkers van het Planbureau voor de Leefomgeving  hebben uitgerekend hoe woningbouw en bevolkingsverloop zich hebben ontwikkeld in de vier grote steden tussen 2001 en 2008. In die periode nam de Nederlandse bevolking toe van 16,1 naar 16,4 miljoen. Was er sprake van voortgaande spreiding en suburbanisatie? Of stroomden de grote steden weer vol? Hun voorlopige analyse, afgedrukt in een nummer van Nova Terra over het compacte stadbeleid, is veelzeggend: “Kijkend naar de intensiteit van de veranderingen valt op dat in Amsterdam de meeste ontwikkelingen plaatsvinden en in Utrecht de minste.” Verder wordt er betekenisvol gezwegen. Maar de kaartjes liegen niet.

Wat het viertal bijvoorbeeld niet schrijft is dat de ontwikkelingen in Rotterdam en Den Haag weliswaar groter zijn dan in Utrecht, maar dat het daar per saldo een afname van woningen betreft, terwijl in Amsterdam en Utrecht het woningaantal, binnenstedelijk gebouwd, juist toeneemt. Een ander verschil tussen Amsterdam en Utrecht enerzijds en Rotterdam en Den Haag anderzijds is dat in de grote steden van de zuidelijke Randstad dynamiek in de woningvoorraad sterk gespreid is over de stad, terwijl in Amsterdam en Utrecht de dynamiek zich concentreert in het centrumgebied: hoogstedelijk dus. In Amsterdam gaat het dan om het hele gebied binnen de ring A10. De hoofdstad spant in alle opzichten de kroon: een hoge intensiteit van binnenstedelijke nieuwbouw, het hoge positieve saldo, de concentratie in het centrumgebied, de grote omvang van het centrumgebied waar de ontwikkeling zich afspeelt, kortom in de hoofdstad is iets fundamenteel anders aan de hand dan in de andere grote steden van dit land. Het is de enige plek in Nederland waar de beleidsdoelen ècht worden gehaald: compacte verstedelijking, sterke verdichting, bevolkingstoename in de stad, de vorming van een echt grootstedelijk milieu. Rob van Engelsdorp Gastelaars heeft gelijk. Terwijl de rest van Nederland feitelijk suburbaniseert, ontstaat er één grote stad.

Ontstedelijking

On 26 juni 2009, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Lost Massey Lectures’ (2007) i.c. Paul Goodman:

Gisteren gesproken bij de opening van een nieuwe vestiging van het Bureau Stedelijke Planning in Amsterdam aan het IJ. Het onderwerp: verstedelijking en uitdijende centra. Ik zei dat ik niets met de term ‘verstedelijking’ aankon. Wat wordt eronder verstaan? In Nederland komt het veelal neer op ont-stedelijking.

Thuisgekomen knaagde er iets. Ineens bedacht ik me. Had ik niet onlangs de Canadese Massey Lectures gekocht vanwege een lezing van Jane Jacobs? Al bladerend stuitte ik min of meer toevallig op een lezing van Paul Goodman, getiteld ‘The Moral Abiguity of America’. De lezing dateert van 1966. Goodman, gestorven in 1972, was een Amerikaanse schrijver en sociaal criticus uit New York. Zijn lezing gaat over ‘Urbanization and rural reconstruction’. Ik lees hem opnieuw.

Verstedelijking, schrijft Goodman, vloeit niet noodzakelijkerwijs voort uit technologische ontwikkeling. Integendeel, je zou dan eerder ontstedelijking verwachten. Sterker, ontstedelijking werd als toekomstperspectief ook aangenomen door mensen als Marx, Engels, Kropotkin, Geddes, Frank Lloyd Wright en andere liefhebbers van moderne technologie. Ook, schrijft Goodman, is verstedelijking geen noodzakelijk gevolg van bevolkingsgroei. Toch groeien de Amerikaanse steden. Waarom? Goodman denkt dat het niet natuurlijke en sociaal-psychologische redenen zijn, maar politieke. "The remarkable increase in technical efficiency could just as well prduce rural affluence or a co-operative society of farmers and consumers."

Ongelooflijk, zo negatief Goodman over grote steden schrijft. Het is 1966. In Nederland was dat negativisme niet anders. Maar dan komt het: "Another term that has vanished from planning vocabulary is ‘city’. There is no longer a science of city-planning but a science of urbanism, which analyzes and relates the various urban functions, taking into account priorities and allocating available finances." Deze man, en vele anderen, hadden de grote steden dus eigenlijk opgegeven. Verstedelijking ging door, maar kwam neer op het groeien van niet-stad – suburbanisatie. Voorzover er nog steden groeiden, was dat een politiek keuze. Ongelooflijk hoe ver weg dit allemaal lijkt.

Maar in het gezelschap van genodigden van het Bureau Stedelijke Planning, afkomstig uit heel Nederland, leek men nog te geloven dat Paul Goodman het bij het rechte eind had. Ze leken nog te leven in 1966. Vreemd. Het was alsof ik ver terug ging in de tijd. Alsof Amsterdam zich in een andere tijdzone bevindt.

Tagged with:
 

Veerkracht

On 22 juni 2009, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 29 mei 2009:

Sommige boodschappen zijn onwelkom. Heleen Mees wijst er in ‘The World’s Next Supermodel’ op dat de huidige crisis vooral Europa en Japan treft. De recessie zal er naar verwachting langer en dieper zijn dan in de VS. Daarmee weerspreekt ze al diegenen die het graag hebben over de ‘dempende werking’ van de Europese verzorgingsstaatmodel, dat de gevolgen van de crisis op het Europese continent milder maakt en beter te verdragen. Nee, stelt Mees, "bij een krimpende economie zal de staatsschuld in de verschillende lidstaten van de EU als gevolg van het zogenaamde noemereffect snel kunnen oplopen; de staatssteun wordt immers uitgedrukt als percentage van het bruto nationaal product. Als de Amerikaanse economie weer gaat groeien, gebeurt daar precies het tegenovergestelde." Volgens haar bewijst de crisis dat de Amerikaanse economie veerkrachtiger is dan die van Europa en Japan bij elkaar. "Het is slechts een tussenstand, maar vooralsnog is het Amerikaanse kapitalisme – met een aanpassing hier en daar – opnieuw ‘s werelds volgende supermodel."

Wat de feiten betreft geef ik Heleen Mees vooralsnog gelijk: Amerika reageert veerkrachtiger. Maar of dat komt door het superieure Amerikaanse economische model weet ik niet. Daar liggen volgens mij andere factoren aan ten grondslag – factoren die veel bepalender zijn. De Europese en Japanse bevolking krimpt, die van Amerika niet. Dat komt door immigratie: in Europa en Japan ontbreekt die, in Amerika houdt hij aan. De Europese en Japanse steden groeien daardoor nauwelijks meer, terwijl in Amerika nog hele verstedelijkingszones worden gevormd door samentrekkende bevolkingsgroepen. Stedelijke dynamiek als gevolg van immigratie en een cultuur van openheid en tolerantie is uiteindelijk bepalender voor de veerkracht van een nationale economie dan haar monetaire of fiscale politiek. Ontbreekt de stedelijke dynamiek, dan kan de recessie erg lang duren. De beste bestrijding van de huidige crisis, kortom, is investeren in grootstedelijke dynamiek, in openheid en in weloverwogen immigratie.

De ondergang van hele streken

On 23 oktober 2008, in economie, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Verleden van Nederland’ van Geert Mak, Jan Bank, Piet de Rooy, René van Stipriaan (2008):

Interessant om te lezen hoe de economische crisis van 1929 – ‘de ineenstorting van Wall Street’ – hier te lande destijds werd ontvangen. Die crisis verscheen als een donkere wolk uit het niets. Maar aanvankelijk juichte het welvarende Nederland, dat in de jaren twintig vooral feest vierde in de steden omdat het flink profiteerde van de vrede van 1918. Voor de overwegend christelijke bevolking was dat een zondig leven, dus ‘black tuesday’ werd door haar vooral gezien als een afrekening met de ergste zondaars. "Men zag het als een gezonde schok voor de wereldeconomie."

Voor Nederland was er vooral één probleem: de boeren helpen. Want de toestand in de akkerbouw verslechterde snel. In die sector werkten veel landarbeiders. En die waren nogal tot het ‘rode’ geneigd. De boeren zelf waren juist ultrarechts georiënteerd en hadden veelal weinig op met de democratie. "In overheidskringen vreesde men zelfs voor de ondergang van hele streken." Om de leegloop van het platteland te keren werd er flink geld in de akkerbouw gepompt: 200 miljoen gulden per jaar. Op het overige werd er door de regering juist stevig bezuinigd. De gevolgen hiervan kennen we: het werkte economisch averechts.

Maar voor de Nederlandse steden was het beleid zo mogelijk nog erger. Hun economie kreeg evenzeer een gevoelige klap: niet alleen de industrie klapte in elkaar, het spenderen in de steden was ineens voorbij. En wat de auteurs van ‘Verleden van Nederland’ niet vermelden is dat door de akkerbouwsubsidies de Nederlands bevolking inderdaad, zoals beoogd, werd vastgehouden op het platteland en dus niet de steden ging versterken. Natuurlijk, een leger werkloze landarbeiders naar de toch al geplaagde Randstad trekkend was destijds geen aanlokkelijk perspectief. Maar of het alternatief nou verstandig was, kunnen we achteraf evenzeer betwijfelen. De werkgelegenheid in de landbouw zou alleen maar verder afnemen. Dus na de Tweede Wereldoorlog moest deze verspreide, overwegend agrarische bevolking ook nog eens door een kostbaar industrialisatiebeleid van werk worden voorzien. Het resultaat van dit alles is een uitermate gespreid verstedelijkingspatroon. Bovendien, echte grote steden zijn er in dit land niet gekomen. Voor de postindustriële creatieve economie is dat geen gunstige uitgangspositie. En het is, achteraf, ook niet duurzaam.

Tagged with:
 

Denemarken doet het beter

On 27 juli 2008, in internationaal, by Zef Hemel

Opgemerkt tijdens vakantie in juli 2008:

Voor het eerst van m’n leven door Denemarken gereden. Eerste indrukken? De Denen lijken op de Nederlanders. En Denemarken lijkt op Nederland. Twee kleine landen in Noordwest-Europa, omgeven door water en grenzend aan Duitsland en de Noordzee. Maar, er zijn in ieder geval twee opvallende verschillen tussen beide natiestaten te noemen. De eerste is het dominante kwaliteitsbesef van de Denen tegenover het overwegende kwantiteitsdenken van de Nederlanders. Nederlanders denken alleen maar aan veel dingen tegen een zo laag mogelijke prijs. Veel containers, veel vliegtuigen, veel dozen, veel woningen, veel vrachtwagens, veel steden. En dat alles zo goedkoop mogelijk.

De Denen daarentegen zoeken in alles kwaliteit. In het eten, in de producten die ze maken, in het landschap, zelfs in de parkeerplaatsen langs de snelwegen. Dat doen ze bewust, het is een door hun politieke elite bewust gedane keuze. Het brengt hen grote welvaart, méér welvaart dan de Nederlanders. En een schoner milieu.

Dat brengt me op het tweede verschil. Het tweede grote verschil tussen Denemarken en Nederland schuilt in het occupatiepatroon, in de ruimtelijke ordening. Kopenhagen is veruit de grootste stad van het land, de rest van Denemarken is overwegend platteland (de tweede stad van het land is Aarhus, vergelijkbaar in grootte met Eindhoven). Het Kopenhagen dat ik zag is een geweldige stad, ruim een miljoen inwoners groot (groter dus dan Amsterdam), waar, alweer, het denken in kwaliteit de boventoon voert. Zelfs de stadscamping waar ik met mijn gezin stond, was in alle opzichten geweldig. Het is voor Nederlanders een jaloersmakende situatie. Denemarken heeft niet de fout gemaakt die Nederland met zijn naoorlogse ruimtelijke ordening wèl heeft gemaakt: alles spreiden en verdunnen. Een van de voordelen hiervan is de directe verbinding per metro van het stadscentrum van Kopenhagen met de luchthaven, Kastrup, terwijl bij ons de Noord-Zuid lijn eindigt op de Zuidas, waarna tout Amsterdam voor de laatste vijf kilometer moet overstappen in de trein.

Het enige nadeel van deze concentratiepolitiek, is dat de voetbalcompetitie in Denemarken tegenvalt. De clubs in Kopenhagen krijgen weinig tegenspel in de nationale competitie. De Deense sterspelers spelen daarom vooral in het buitenland.

Maar is dat bij ons zoveel anders? Want kunnen Maastricht, Deventer, Zwolle, Den Haag, Breda en Nijmegen werkelijk nog profclubs op hoog niveau op de been houden? Ik denk dat dit verschil steeds geringer wordt. De Denen doen het, kortom, beter.

Tagged with:
 

Agendaloze Randstad

On 24 mei 2008, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gelezen in Ex antetoets Startnotitie Randstad 2040 van de planbureaus (2008):

Drie planbureaus hebben de startnotitie die moet leiden tot een nieuwe rijks-langetermijnvisie op de Randstad vooraf geëvalueerd. Het is een genadeloos stuk geworden, ook al wekt het de indruk bijeen geknipt en geplakt te zijn. Direct al aan het begin wordt droogjes geconstateerd dat "slechts twee opgaven als knellerder gezien (worden) dan voorheen: de klimaatverandering, en de urgente vraag naar (recreatieve) natuur rondom de stedelijke gebieden (…)" Dat is dus niet de verstedelijking, een groeiende bevolking of de economie. Nee: "Andere opgaven, die bijvoorbeeld voort kunnen komen uit veranderende demografische patronen (vergrijzing, al dan niet selectieve krimp, andere migratiepatronen), ontbreken echter vrijwel geheel of zijn niet vertaald in nieuwe beleidsopgaven." Met andere woorden, hier wordt de prangende vraag gesteld waarom een nieuwe rijksnota over de Randstad wordt voorbereid als er zo weinig nieuws onder de zon is.

Laten we eens kijken wat de planbureaus hebben op te merken over de uitgangspunten voor de verstedelijkingsstrategie: die, stellen ze, varieert naar regio. Niet overal is het verstandig om in te zetten op verdichting en concentratie, zeker niet wanneer sprake is van hoge groei."In die gebieden worden goedkope locaties binnen bestaand bebouwd gebied schaars en zijn nieuwe locaties slechts tegen hoge kosten te ontwikkelen." Om welke gebieden gaat het? De planbureaus laten zich er niet over uit en verwijzen naar het IBO verstedelijking. Enfin, regionale differentiatie dus. Niet overal in de Randstad hetzelfde. En tussen lage economische groei en hoge groei gaapt een groot gat van liefst één miljoen woningen. Wat te doen?

Zou het lukken om binnen de ruimtelijke constellatie van de Randstad verschil te maken? Het druist zo in tegen het dominante gelijkheidsdenken. En waar zal zich hoge groei voordoen en waar lage(re)? Durven de betrokken bestuurders zich hierover uit te spreken? We wachten af.