Geen welverdiende rust

On 23 februari 2020, in geschiedenis, stedenbouw, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De Bazel. Tempel aan de Vijzelstraat in Amsterdam’ (2007):

Afbeeldingsresultaat voor de bazel tempel boek

In zijn korte, boeiende lezing tijdens de Déjà Vu over toerisme in de Amsterdamse binnenstad sprak architectuurhistoricus Aart Oxenaar afgelopen week over de op gang komende toeristenstromen na de totstandkoming van zowel Rijksmuseum als Centraal station eind 1880. Onder andere toonde hij een ontwerp van architect Cuypers – de ontwerper van beide gebouwen – voor het te dempen Damrak, opgevat als een brede stadsboulevard tussen station en ‘raadhuis’ (!) op de Dam. Aan deze grootstedelijke boulevard zou later de beurs van H.P.Berlage verrijzen. De vraag, aldus Oxenaar, was destijds hoe vreemdelingen vervolgens het Rijksmuseum te voet dan wel per tram zouden bereiken. Waarop hij beelden van de doorgebroken Vijzelstraat liet zien, gerealiseerd door Berlage en supervisor De Bazel in de jaren 1916-1927. Deze route staat tegenwoordig bekend als ‘Rode Loper’. Eenmaal thuis raadpleegde ik ‘De Bazel. Tempel aan de Vijzelstraat in Amsterdam’, het boek dat in 2007 verscheen bij de heropening van de voormalige Nederlandsche Handel-Maatschappij, vanaf dat moment bestemd tot Stadsarchief. Over de stedenbouwkundige geschiedenis van de Vijzelstraat schreef Vincent van Rossem daarin een essay, getiteld ‘Een monumentale ravage’. Hier begon mijn verbazing.

De Vijzelstraat, aldus Van Rossem in 2007, is “een toonbeeld van stedenbouwkundige waanideeën uit een betrekkelijk recent verleden.” Die waanideeën vormden zich volgens hem toen het Centraal Station in het open havenfront werd gesitueerd. Het gemeentebestuur besloot een grootsteedse avenue te creëren voor de ‘aanstroomende vreemdelingen’. Er zouden grachten worden gedempt. Dit was het begin van wat Van Rossem, in navolging van Jan Veth, beschouwt als ‘stedenschennis’. Aan die in zijn ogen betreurenswaardige periode waarin de binnenstad werd omgevormd tot ‘modern zakencentrum’, komt voorgoed een einde in 1999, wanneer de Amsterdamse binnenstad eindelijk tot beschermd gezicht wordt verklaard. Van Rossem hoopt dat “de handelsmetropool na vele eeuwen van een welverdiende rust mag gaan genieten.” Even verderop schrijft hij: “De toekomst van de binnenstad, zo lijkt het, is nu voorgoed voorbij, maar vreemd genoeg zien we sinds enige tijd steeds meer moeders met kinderen. (…) De oude handelsmetropool herleeft, op een wijze die niemand had voorzien. Het wordt weer een gewone stad, met levenslustige kleine kinderen, bakkers, slijters, slagers en groenteboeren.” We zijn inmiddels ruim tien jaar verder. Van een welverdiende rust is, verzeker ik u, beslist geen sprake.

Tagged with:
 

Toerist als zondebok?

On 21 februari 2020, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gehoord in Déjà Vu ‘Toerisme’ in Spui25 te Amsterdam:

Planning in the Public Domain: John Friedmann ...

Opnieuw aandacht voor de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad. Dit keer een aflevering van Déjà Vu in Spui25 die ging over toerisme. Het programma, dat werd georganiseerd door Ons Amsterdam en Het Parool, was al wekenlang ‘stijf uitverkocht’. De bijeenkomst viel toevallig samen met het bericht in de krant dat het stadsbestuur denkt aan een erotisch centrum buiten de Wallen. Bij de deur staat een bewoner een raadsadres uit te delen. Binnen volgen drie historische lezingen waaronder een prachtig verhaal van architectuurhistoricus Aart Oxenaar over Pierre Cuypers. Helemaal op het eind word ik kort geïnterviewd. De zaal roert zich. Er volgen vragen als: waarom heeft u zo weinig aandacht voor de bewoners? En: kunnen die toeristische voorzieningen niet beter langs het IJ, in Noord of, nog beter, in Rotterdam? Niemand lijkt toerisme te willen. De situatie deed me denken aan ‘Planning in the Public Domain’ (1987) van de Amerikaanse planoloog John Friedmann. De zwakte van planning die uitgaat van gezamenlijk leren, schreef hij, is dat deze de bereidheid bij ieder mens veronderstelt om met een ‘open mind’ naar de toekomst te kijken. Mensen denken vanuit hun eigen opvattingen en ideeën, het kost ze moeite om hun mening bij te stellen. Dus als de planoloog met een onderbouwde visie komt, mag hij er niet van uitgaan dat mensen hun mening zullen bijstellen. Vooral bij mensen die vanuit een bepaald belang redeneren, is opvattingen bijstellen niet aan de orde. Samen leren, aldus Friedmann, lukt dan niet.

Natuurlijk is het lang niet altijd zeker dat de planoloog het bij het rechte eind heeft. Friedmann, de activist, keert het om: wie verandering wil, moet vasthoudend zijn en overtuigd blijven van zijn of haar gelijk. Als de planoloog werkelijk in zijn visie gelooft, dan moet hij honderd procent gecommitteerd blijven en ook bereid zijn onder ogen te zien dat mensen pas zullen zwichten als het helemaal fout loopt. En: “Even then, as a last desperate gesture, actors may be tempted to ask whether the impending disaster might not be otherwise explained, and instead of seeking fault with their own practice, search for scapegoats in the environment instead.” Kortom, planners mogen nooit uitgaan van de rationaliteit van burgers, belangen werken als een krachtige batterij van menselijke energie, mensen strijden vanuit hun belangen voor hun gelijk, het leervermogen van mensen is beperkt. Het was kritiek van Friedmann op het pragmatisme van John Dewey. Veel te optimistisch vond hij die Dewey. Friedmann: “Even in the face of mounting problems, we will tend to fight for what we have as well as for our beliefs.” Zeker, misschien ís de toerist ook de zondebok. Maar de planoloog kan net zo goed zich vergissen. Hij moet bereid zijn zijn visie voortdurend bij te stellen. Want misschien is het allemaal toch anders.

Tagged with:
 

De tuin der wereld

On 15 januari 2020, in ethiek, film, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Laudato Si’ (2015) van paus Franciscus:

Laudato si' - 9789492093202

Voor het eerst in mijn leven een encycliek gelezen. In 2015, kort voor de start van de klimaatonderhandelingen in Parijs, promulgeerde paus Franciscus in Rome ‘Laudato Si’ (Geprezen zijt Gij), een encycliek over het behoud van het gemeenschappelijke huis. Normaal zou ik zo’n gewijde tekst niet lezen, maar na het zien van de film ‘The Two Popes’ was ik toch nieuwsgierig geworden. Ook was ik benieuwd naar wat de paus te zeggen zou hebben over het klimaatvraagstuk. In de brief roept hij de mensheid op tot “een nieuwe dialoog over de wijze waarop wij de toekomst van de planeet gestalte geven.” Daarbij richt hij zich niet alleen tot de gelovigen. Wij allen hebben zorg voor het behoud van de schepping. Tot mijn verbazing bevat de tekst belangrijke passages over hoe we steden moeten bouwen, met nadruk op de openbare ruimte en met voldoende woningen voor de armen, en zelfs las ik dat stedenbouwers in hun plannen het standpunt van bewoners een plaats moeten geven. In ‘Laudato Si’ komt de paus met niet minder dan een ruimtelijke toekomstvisie ‘van onderop’. De aarde, stelt hij, is ons gemeenschappelijke huis en het eerste hoofdstuk gaat over wat er met dat huis aan het gebeuren is. Er is sprake van een ecologische crisis. De mens is daarvan de wortel. Alles is voor hem economie. Vervolgens roept hij op tot een integrale ecologie met veel aandacht voor de gerechtigheid tussen de generaties. Tenslotte heeft hij lijnen voor oriëntatie en handelen.

De stadspredikant van Amsterdam wees mij op gelijkenissen tussen de tekst van de encycliek en de tekst van mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad. In beide wordt de metafoor van de tuin gebruikt. Een van de negen meditaties bij de encycliek luidt inderdaad: ‘De tuin der wereld bewerken en bewaren.’ Hier wordt gesteld dat de wereld geen probleem is dat wij moeten oplossen, maar een ‘vreugdevol mysterie’ dat wij ‘met blijde lofprijzing’ moeten aanschouwen. Niet de aarde bevolken en onderwerpen, zoals in het eerste scheppingsverhaal valt te lezen, maar de tuin van Eden bewerken en bewaren, zoals in het tweede scheppingsverhaal. Dat, aldus de paus, vereist zowel bewerken en cultiveren als verzorgen, beschermen, bewaken en in stand houden. Na het zien van ‘The Two Popes’ begreep ik het ineens. Let op die ene scene. In de tuin van het Vaticaan spreekt de kardinaal met een tuinman. Samen hebben ze het over de kwaliteit van de oregano. Na afloop krijgt hij een vers plantje in zijn handen gedrukt. Paus Benedictus XVI, die toeziet, begrijpt er niets van. Vervolgens reist de kardinaal door Rome in de stadsbus met het plantje op zijn schoot. De geur van oregano, de boodschap van eenvoud, maar vooral van bewerken, beschermen, bewaken, in stand houden. Zelden een mooiere scene over de metafoor van tuinieren gezien.

Tagged with:
 

Interventiekunde voor de Wallen

On 22 december 2019, in bestuur, planningtheorie, by Zef Hemel

Afbeeldingsresultaat voor feesten of beesten ombudsman

Bron: Ombudsman Metropool

Afgelopen week deelgenomen aan een reflectiediner van interventiekundigen bij de Ombudsman Metropoolregio Amsterdam. Onderwerp: de aanpak die de ombudsman heeft gevolgd bij de problematiek op de Amsterdamse Wallen. Arre Zuurmond was er letterlijk op af gegaan, had in 2018 vier maanden in de Sint Olofspoort geslapen, had video-opnamen gemaakt van nachtelijke ongeregeldheden, had gedetailleerd verslag gedaan van de overlast en had drie pamfletten geschreven, gericht aan het Amsterdamse gemeentebestuur. De interventiekundigen wilden weten wat ik ervan vond; na een eerste dag reflectie, waarschuwden ze me vooraf, waren ze somber gestemd. Ik vertelde dat de complexiteit van de Wallen slagvaardigheid in de weg staat. Niet de zaak oplossen, adviseerde ik, want dat gaat niet werken. Bovendien, er zijn ook bemoedigende ontwikkelingen. Een positieve LT-visie omarmen is effectiever. Waarop ze wilden weten hoe mijn interventies er dan uit zouden zien. Ik gaf twee voorbeelden: commissaris Eric Nordholt die al in 1977 in de gaten kreeg dat jonge jongens in buurten als De Pijp zich met de drugshandel inlieten en die wijkteams opzette. “Want crimineel gedrag begint niet op twintigjarige leeftijd”, zei Nordholt tegenover NRC Handelsblad. „Dat ontstaat jong, daar moet je bovenop zitten.” Hij stelde buurtregisseurs aan en bouwde wijkbureaus. Voelsprieten in de buurt, zodat je weet wat er speelt. Dat is snel en adequaat reageren op emergentie.

Het andere voorbeeld: het optreden van burgemeester Schelto Patijn (1994-2001). Die luisterde naar iedereen, ging de straat op, stelde vragen. Zijn conclusie: “Amsterdam is niet verloederd, maar vergt onderhoud.” Tegenover de krant zei hij later over zijn beleid:  “Geen law and order, zelfs niet een beetje. Ik beschouw mezelf als een huisbaas die een pand betreedt en achterstallig onderhoud constateert. Ik pak zaken aan omdat het nodig is.” Patijn introduceerde een regime van vergunningen. Die aanpak zit dicht bij de praktijk van het tuinieren die ik onder mijn toekomstvisie ‘Een nieuwe historische binnenstad’ heb gelegd. Goed naar iedereen luisteren, zorgvuldig handelen, achterstallig onderhoud plegen, kademuren herstellen, transport regelen over het water, rust brengen in de openbare ruimte, de gebouwen met liefde en aandacht programmeren en het massatoerisme naar Museumplein en Zuidas afleiden: de Amsterdamse binnenstad als een monumentale tuin. Waarop de organisatiekundigen tegensputterden. Volgens hen raakte dit niet de kern, de zaak is teveel geëscaleerd, dat kon ik toch niet ontkennen. Voor hen was er maar één mogelijkheid: keihard ingrijpen. Toen was de tijd voorbij. De interventiespecialisten vertrokken. Voor hun avondprogramma op de Wallen.

Tagged with:
 

Door het tunneltje naar de binnenstad

On 11 december 2019, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Het plan Amsterdam-Zuid van Berlage’ (1977) van Francis Fraenkel:

Afbeeldingsresultaat voor fraenkel zuid berlage

Afgelopen dinsdag een lezing gehouden tijdens de End of the Year-borrel van Hello Zuidas, de netwerkclub van Zuidas-partners, in The Circle aan het Gustav Mahlerplein. De lezing ging over toerisme en de Zuidas in relatie tot ‘De nieuwe historische binnenstad’. Het denken over toerisme, vertelde ik de leden, is in Amsterdam al zeker 150 jaar oud. Feitelijk nam het een aanvang met de oplevering van het Rijksmuseum in 1885. Drie jaar later kwam het Centraal Station gereed. Architect Cuypers ontwierp niet alleen de beide gebouwen, maar tekende ook een toeristische wandeling van station naar museum, dwars door de Amsterdamse binnenstad. Toeristen die per stoomtrein arriveerden, moesten via een geënsceneerde route langs hoogtepunten uit de nationale Gouden Eeuw naar Rembrandt’s Nachtwacht worden geleid. Twee wereldtentoonstellingen op het Museumplein – in 1883 en in 1895, dus vlak voor en vlak na de oplevering – werden uitdrukkelijk aan het fenomeen van het vreemdelingenverkeer gewijd. Tegenwoordig lopen miljoenen internationale vakantiegangers dezelfde, door Cuypers in 1885 geconcipieerde route. Daar doen ze in totaal drie dagen over. In die zin is toerisme uiterst conservatief. Maar met het gereedkomen van station Zuid in 2028 zal alles op slag veranderen. Vanaf dat moment zullen toeristen uit de hele wereld niet meer op CS, maar op de Zuidas arriveren. Hoe komen zij straks bij de Nachtwacht? Welke route gaat de nieuwe Pierre Cuypers hiervoor tekenen?

Had H.P. Berlage hierover niet al nagedacht toen hij zijn tweede plan Zuid in 1915 aanbood aan het Amsterdamse gemeentebestuur? Dat plan ging immers uit van een tweede centraal station in Zuid, net op het grondgebied van de zuidelijke buurgemeente. In het proefschrift van Francis Fraenkel uit 1976 las ik dat Berlage het nieuwe station als ‘scharnierpunt’ opvatte voor zijn nieuwe, monumentale stad. “Met dit station, het ‘portaal van de stad’, als centrum spiegelt zich het oude Amsterdam geheel in het nieuwe.” Want: “Zoals de oude stad zich halfcirkelvormig om het station uitstrekt, zo doet dat ook de nieuwe stad.” Het gaat verder, het historische Amsterdam beoordeelde Berlage als schilderachtig. Zijn nieuwe stad moest juist monumentaal worden. In zijn plan liggen beide daarom met de ruggen naar elkaar toe. In die zin fungeert het Rijksmuseum als scharnier, eerder dan het geprojecteerde station Zuid. De functie van tentoonstellingsterrein (Museumplein, het toenmalige IJsclubterrein) situeerde Berlage waar nu het Amstelpark is. De toerist kwam binnen op het statige station Zuid en liep of reed vervolgens via de vijftig meter brede monumentale Minerva-as in de richting van de te bouwen Academie voor Beeldende Kunsten (nu Hilton Hotel), stak daar ergens door naar het Museumplein. Door het tunneltje onder het Rijksmuseum betrad hij, vanuit de moderne stad komend, een pittoresk Hollands ensemble van grachten en grachtenpanden: de Amsterdamse historische binnenstad. In 2028 is het eindelijk zover. Hoe vooruitziend.

Tagged with:
 

Parlement der onzichtbaren

On 29 november 2019, in bestuur, filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 8 november 2019:

Afbeeldingsresultaat voor rosanvallon parlement des invisibles

 

In 2014 tuigde de Franse filosoof Pierre Rosanvallon een project op dat hij ‘Raconter la vie’ noemde. Burgers werd gevraagd over hun alledaagse leven te vertellen. Op die manier wilde de hoogleraar aan het Collège de France tot een ‘narratieve democratie’ proberen te komen. Over zijn methode schreef hij een manifest: ‘Le parlement des invisibles’. Toen ik het las moest ik aan mijn werk in de Amsterdamse Oude Kerk, afgelopen voorjaar, denken. Daar heb ik met tachtig burgers gesproken die ieder mij hun levensverhaal vertelden, en eerder al namen mijn studenten narratieve interviews af met vierenveertig willekeurige burgers in achttien verschillende buurten in de binnenstad. Conclusie van Rosanvallon na al die verhalen: ‘Een indruk verlaten te zijn brengt veel Fransen tot wanhoop.” In de Oude Kerk bekroop mij hetzelfde gevoel. Ik duidde het aan als vervreemding. “Onder vervreemding wordt een onprettig gevoel verstaan, een geestelijke afstand die mensen voelen tot hun omgeving.” Rosanvallon’s narratieve democratie is bedoeld om de bestaande representatieve democratie te vervangen. Die werkt niet meer. Met autoriteit spreken helpt in ieder geval niet. Rosanvallon hoopt op experimenten met burgerjury’s. Mijn voorstel om de binnenstad in achttien buurten te verdelen waarbij in elke buurt bewoners, ondernemers, pandeigenaren onder leiding van een gekozen supervisor over de vorderingen spreken vertoont daarmee overeenkomsten. Met een jaarlijkse oploop in de Oude Kerk om telkens de balans op te maken. Ook een parlement der onzichtbaren.

Rosanvallon voorspelde de gele hesjes. Onlangs werd hij door correspondent Peter Vermaas in NRC Handelsblad daarover geïnterviewd. In ‘Macron is totaal in de war’ schetst de filosoof de chaos waarin het Elysee sindsdien verkeert. Aanleiding is de verschijning van ‘De democratie denken’, de Nederlandse vertaling van zijn nieuwste boek. Kern: wereldwijd zijn steeds meer mensen teleurgesteld in de democratie. Burgers voelen zich niet gehoord. Ze hechten steeds minder aan verkiezingen en wantrouwen de politiek. Oorzaak: “De samenleving laat zich niet meer definiëren door sociale omstandigheden die bepalen wat voor beroep je hebt of hoeveel je verdient, maar eerder door structurerende sociale situaties met een meer individuele relatie tot het bestaan.” Denk daarbij aan eenzaamheid, een grote afstand moeten afleggen naar je werk, geen betaalbare woning kunnen vinden, een echtscheiding meemaken of lijden aan een verwoestende ziekte. Rosanvallon spreekt van fragmentatie en toenemende complexiteit. Op de achtergrond speelt de teloorgang van het technologisch optimisme en het verlies van de aantrekkelijkheid van de grote sociaaldemocratische planningsconcepten van na de Tweede Wereldoorlog. De politiek met zijn doelrationeel handelen werkt niet meer. Ik ben benieuwd naar hoe het afloopt met de Amsterdamse binnenstad.

Tagged with:
 

Van Hove’s visionaire site

On 27 november 2019, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 29 augustus 2019:

Afbeeldingsresultaat voor acropolis agora plattegrond

Nadat ik hem had verteld over de essentie van ‘Een nieuwe historische binnenstad’, begon hij opgewonden te spreken over Ivo van Hove. Zijn ogen vlamden en hij veerde op. Hij is een liefhebber van toneel. De Vlaamse toneelregisseur, zei hij, had afgelopen zomer in Paradiso gesproken over de essentiële rol van de kunstenaar in de samenleving. Daarin had hij ook naar de Griekse agora verwezen. En die agora, dat is uitgerekend het hart van mijn toekomstvisie. Eenmaal thuisgekomen zocht ik de tekst van de op 25 augustus uitgesproken korte voordracht op. Die stond afgedrukt in de Volkskrant van 29 augustus. Van Hove, die een maand later de Johannes Vermeerprijs zou krijgen in de Haagse Ridderzaal, had zijn gehoor voorgehouden dat de kunstenaar universele verhalen vertelt die tot de verbeelding spreken. “Zij uiten wat veel mensen voelen maar zelf niet kunnen articuleren. Dat is waarom we niet zonder kunst kunnen.” Mensen hebben zulke verhalen nodig om hun bestaan betekenis te geven en ook om een gevoel van gezamenlijkheid te ontwikkelen. Maar de verteller van het nieuwe verhaal wordt dikwijls gehaat, net als Prometheus. Want wie nieuwe paden bewandelt maakt zich doorgaans allerminst geliefd.

En de agora? Een bezoek aan Athene, had Van Hove gezegd, is ondenkbaar zonder de Akropolis op te wandelen. “De tocht begint met het Dionysos-theater. Verderop het muziektheater Odeon en een plek waar wetenschappelijk onderzoek werd verricht. Hogerop het tempeltje van Nikè, gewijd aan oorlogsoverwinningen. Als je naar beneden kijkt, zie je de Agora, waar men discussieerde over de samenleving van toen. Vlak ernaast de Areopagus, voor rechtspraak. Bovenop staat het Parthenon. Athene is gebouwd rondom deze visionaire site.” Dat bedoelde hij dus. Zo’n visionaire site is ook de Amsterdamse binnenstad, maar die dreigt zijn verbindende rol te verliezen. Burgers keren hem de rug toe. Ze vinden het te druk, er zijn teveel toeristen, ze voelen zich eenzaam of ze verliezen eenvoudig de belangstelling. Het centrum van Amsterdam wordt daardoor een hoofdzakelijk economische ruimte. Van Hove haalde de agora aan omdat de politiek het bestaansrecht van kunst ter discussie stelt. De oorzaak daarvoor zoekt hij in de ‘calculerende welvaartspolitiek’. Ik denk dat hij gelijk heeft, maar het is niet alleen de politiek. Ik denk aan ver doorgevoerd individualisme dat het bestaan en de erkenning van het gedeelde centrum ondergraaft.  Hoe gaan we die te lijf? Daarover zou ik Van Hove wel eens willen spreken.

Tagged with:
 

First Mountain City

On 6 november 2019, in boeken, ethiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Protestantse Diaconie te Amsterdam op 9 oktober 2019:

Afbeeldingsresultaat voor second mountain brooks

Een maand geleden ontmoette ik hem. Hij had me via Linkedin uitgenodigd. Uiteindelijk kwam het ervan, op de dag voor de presentatie van de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad in de Beurs van Berlage. We spraken elkaar in de Protestantse Diaconie aan de Nieuwe Herengracht, want Tim is stadspredikant. Het regende pijpenstelen. Natuurlijk ging het over de binnenstad, over mijn verblijf in de Oude Kerk dit voorjaar en over mijn bevindingen, maar we hadden het ook over mijn boek, dat hij afgelopen zomer had gelezen. Tim Vreugdenhil vertelde over David Brooks, de columnist van de New York Times. In ‘The Second Mountain’ beschrijft Brooks het gebrek aan commitment in onze hedendaagse samenleving. Het individualisme is te ver doorgeschoten. Dat gold ook voor hemzelf. Alles draait tegenwoordig om carrière, spullen, toffe dingen, aanzien, macht, geld. In zijn boek gebruikt hij het beeld van de twee bergen. We zien allemaal die ene berg en op de top aangekomen denken dat we er zijn, maar dat valt danig tegen. We zijn vergeten dat er nog een tweede berg bestaat. Geluk zoeken we naarstig, maar echte vervulling vinden we niet. Onze tevredenheid duurt maar kort. Steeds hongeren we naar meer. We beklimmen alleen de eerste berg. We zijn niet minder dan onze ziel kwijtgeraakt.

Twee bergen. Mooie metafoor. De eerste berg draait om jezelf, de tweede om anderen. Het goede leven is niet gericht op pleziertjes, maar op diepe relaties met de mensen om je heen. Hyperindividualisme, sinds 2010 sterk aangejaagd door sociale media, verdooft je diepste verlangens, alles lijkt opwindend maar valt uiteindelijk tegen, het leven blijkt oppervlakkig, wantrouwen is het gevolg. Je wordt apathisch, pessimistisch, boos. Wantrouwen is een teken dat je de tweede berg niet herkent. “First mountain people are divided, alienated and insufficient,” schreef The New York Times in een boekbespreking. Tweedebergmensen leven daarentegen vanuit liefde voor anderen, zij zijn gecommitteerd, ze geven liever dan dat ze nemen, ze voelen een aanhoudende kracht. Niks geluk, maar ‘joy’, vervulling. “To live with joy is to live with wonder, gratitute and hope.” Wie de tweede berg beklimt heeft een doel, die stapt in een groter verhaal, die zoekt betekenis, is vervuld van een diep verlangen, weet zich deel van een bezielend verband. De predikant zei me dat hij Amsterdam een typische ‘First Mountain City’ vindt. Zijn analyse spoort met mijn bevinding die ik in ‘Een nieuwe historische binnenstad’ als vervreemding heb getypeerd: een geestelijke afstand die mensen voelen ten opzichte van hun omgeving. Vervreemding groeit snel, het wantrouwen is groot. De opgave: de historische binnenstad terugwinnen als tweede berg.

Tagged with:
 

Een tweede stadscentrum

On 25 oktober 2019, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Schiphollijn op dood spoor?’ (1977) van de initiatiefgroep:

Afbeeldingsresultaat voor schiphollijn museumplein

Een bewoner had mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad gelezen. Wij maakten een afspraak. In de kroeg drukte hij me een oranje rapportje in handen. Ik moest het beslist lezen. Mijn toekomstvisie had hem doen denken aan die gestencilde brochure van veertig jaar geleden. Een actiegroep van bewoners had zich tegen het voornemen van de rijksoverheid gekeerd om de aan te leggen Schiphollijn te laten eindigen op het Museumplein. (Ook toen weer lag het Rijk dwars). In 1977 schreef de initiatiefgroep een rapport waarin de nadelen van de Museumpleinoptie breed werden uitgemeten: cityvorming rond het Museumplein verdringt de woonbestemming en leidt tot het zogenoemde ‘Manhattan-effect’. Nee het was erger, het zou de trek uit de stad van wonen en werken continueren, want Amsterdam verloor al jaren inwoners. “Amsterdam blijft uit elkaar vallen. De Museumpleinlijn werkt als een injektienaald die het leven uit Amsterdam wegzuigt.” Daartegenover stelden de bewoners de aanleg van een spoorwegruit om Amsterdam met een station op het ringdijktracé aan de zuidzijde van de stad, zeg maar de huidige locatie van station Zuid. Zij zagen alleen maar voordelen. Bewoners waren niet alleen maar tegen, hier waren ze pleitbezorgers.

Het grootste voordeel van een station Zuid aan een Schiphollijn die onderdeel uitmaakte van een ringlijn over een spoordijk rond de stad was niet alleen dat daar tussen Buitenveldert en Zuid nog veel grond braak lag en dat cityvorming op deze manier de bestaande stad niet zou schaden, ontwikkeling van centrumfuncties bij een eventueel station Zuid zou een ruimtelijke structuur opleveren die leidde tot een tweede centrumgebied, want het centrum van Amsterdam zou hierdoor gesplitst worden. “In de oude binnenstad blijft plaats voor winkels en kleinschalige bedrijvigheid, langs de spoorwegruit kunnen grootschalige kantoor- en bedrijfsfuncties worden geconcentreerd.” Ze meende zelfs dat de grondopbrengsten rond station Zuid konden worden aangewend voor het behoud van sociaal-culturele functies in de historische binnenstad ten behoeve van de bewoners. (Aanleiding was de affaire Bouwes op het Leidseplein, waarbij de gemeente vanwege de hoge grondkosten niet bereid was om aan het alternatieve programma van de bewonersgroepen mee te betalen.) Kijk nou, twee centrumgebieden die elkaar aanvullen. Grootschalige centrumfuncties in Zuid. Een historische binnenstad voor kleinschalige bedrijvigheid. Bewoners die het al in 1977 hadden bedacht. Dat is pas visionair.

Tagged with:
 

Tuinieren

On 21 oktober 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 23 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor Manifesta 12 palermo book

Iemand twitterde dat ze maar niet begreep wat ik in ‘Een nieuwe historische binnenstad’ met de binnenstad als tuin bedoelde. Waar komt die metafoor van de tuin toch vandaan? Zeker nooit Voltaire’s ‘Candide’ gelezen. Vorig jaar sprak de burgemeester van Palermo, Leoluca Orlando, in een afgeladen Pakhuis de Zwijger over de twaalfde editie van de nomadische kunstmanifestatie Manifesta die dat jaar was gehouden in zijn stad. Deze uiterst succesvolle editie heette ‘Planetary Garden. Cultivating Coexistence’. Wij, de mensheid, zijn de tuiniers van planeet Aarde, maar we onderhouden onze tuin slecht. Daar kwam het op neer. In Palermo werd gerefereerd aan klimaatverandering, droogte en massale migratiestromen. De stad op Sicilië neemt al die stromen uit Afrika en het Midden-Oosten gastvrij in zich op. ‘Becoming Garden’ was een van de kunstprojecten in de stad, dat ging over het samen zorgdragen voor een gemeenschappelijke plek. Het Franse team van Coloco en Gilles Clément had op een ongebruikt stuk land – een illegale dumpplaats  – in een noordelijk gelegen stadsbuurt letterlijk een tuin aangelegd en de bewoners uitgenodigd deel te nemen. Doel: door samenwerking de vruchtbaarheid van de aarde herstellen. “Clément’s metaphor of the planet as a manageable garden is still attractive, not as a place for humans to take control, but rather as a site where agents of diverse species recognise their interdependency and share responsibility.”  Even verderop speelde de Botanische tuin – de Orto Botanico – met zijn 12.000 plantensoorten een hoofdrol in het politieke kunstenprogramma.

Het stadsbestuur van Palermo begreep dat globalisering niet zal overwaaien en dat de migratiestromen van Afrika naar Europa structureel zijn en een logisch gevolg van enorme krachten. Ze wees de bezoekers op het feit dat uitgerekend migranten het stadscentrum van Palermo overeind houden. Want veel kerken en paleizen staan leeg, bepaalde delen ogen zelfs als een oorlogsgebied. Terwijl elders yuppen en toerisme-industrie zich meester maken van de centra, strijken in Palermo de meeste migranten neer in het lege hart. Ze verkopen er hun producten, die ze vaak zelf gemaakt hebben. Arthur Weststeijn van de Universiteit Utrecht schreef destijds in Het Parool: “In plaats van krampachtige kortetermijnoplossingen om toeristenstromen te verleggen van de ene straat naar de andere, biedt Palermo een radicaal alternatief: zorg dat het historisch centrum van de bewoners blijft door er armlastige migranten te huisvesten. Ze zullen er kleine winkeltjes openen, oude markten weer nieuw leven inblazen, zorgen voor reuring als natuurlijk tegenwicht tegen klagende yuppen en slempende toeristen. (…) Want als migranten wegkwijnen in provinciale asielzoekerscentra en geen leven bieden aan het hart van de stad, dan hebben yuppen en toeristen vrij spel.” Zoiets zou je tuinieren kunnen noemen. Te vergelijken met het tuinieren in de Amsterdamse binnenstad: Amsterdammers terugbrengen naar het stadscentrum. Met Artis in de hoofdrol.

Tagged with: