Zo mis je de boot

On 13 mei 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in The Sun van 7 augustus 2017:

Afbeeldingsresultaat voor crossrail 1 and 2
Binnenkort opent Crossrail in Londen, de nieuwe metroverbinding tussen Heathrow Airport, de City en het oosten van de Britse metropool. Kosten: 18 miljard euro. Het boren van de 42 kilometer lange tunnel van west naar oost verliep geruisloos. We bezochten de laatste bouwputten afgelopen week, maar bijna alles is al klaar. Wat een verschil met Nederland! Ondertussen wacht de Britse hoofdstad met smart op een regeringsbesluit omtrent Crossrail 2, een tweede nieuwe metroverbinding, ditmaal te boren tussen Wimbledon in het zuidwesten en Tottenham Hale het noorden van Londen. Kosten: ruim 30 miljard euro. Samen zullen de twee lijnen een groot-regionaal assenkruis gaan vormen dat honderdduizenden nieuwe woningen en evenzovele nieuwe banen zal ontsluiten. De twee metroverbindingen moeten vooral het drukke Londense stadscentrum ontlasten, dat met belangrijke subcentra als Euston, St. Pancras, Victoria en Upper Lea Valley de bezoekersstromen bijna niet meer aankan. Maar de regering May aarzelt nog. Burgemeesters van steden in het noorden van Engeland en Wales en sommige lagerhuisleden liggen dwars. Zij vinden dat Londen teveel wordt voorgetrokken en eisen geld voor hun eigen infrastructuuragenda’s.

Als de Britse regering de knoop doorhakt kan de nieuwe Noord/Zuidlijn lijn begin 2030 gaan rijden. Maar door het politieke gesteggel in Westminster houden betrokkenen ernstig rekening met uitstel tot zeker na 2040. Dat zou rampzalig zijn. De prijzen van grond en opstallen in het oververhitte Londen stijgen rap, waardoor de kosten van aanleg verder oplopen. Waarop de regering om verdere kostenreductie zal vragen. Ondertussen verkeert de bevolking in onzekerheid. Betrokkenen vinden daarom dat de Britse minister van transport snel een besluit moet nemen, ook omdat Crossrail 2 moet aansluiten op andere projecten, zoals de aanlanding van de HS2, de nieuwe hogesnelheidstrein naar Birmingham en Manchester, op Euston. En Londen kijkt naar Parijs. Daar bouwt men gestaag door aan de Grand Paris Express, de regionale uitbreiding van het Parijse metronet tussen het centrum, de buitenwijken en de twee vliegvelden, kosten 25 miljard euro. Die laatste ga ik komende week bezoeken. En wat gebeurt er ondertussen in Amsterdam? De stad wacht op de opening van de Noord/Zuidlijn, die tien jaar te laat wordt opgeleverd met kostenoverschrijdingen waarvoor de stad zelf moet opdraaien. Mogelijk komt er een studie naar een Oost/Westlijn. En dat terwijl de regering inzet op het als metro laten rijden van personentreinen binnen en tussen de Randstad en Eindhoven. Alsof Nederland een metropool zou zijn. Kosten: 2,8 miljard euro.  Dat is kiezen voor het verkeerde schaalniveau. En zuinigheid. Zo mis je de boot.

Tagged with:
 

Zo los je het woningvraagstuk op

On 9 mei 2018, in wonen, by Zef Hemel

Gelezen op de blog van James Gleeson op 19 februari 2018:

world_city_supply_chart

Bron: GLA, Housing in London 2017 Report

Terwijl de bevolking van Japan krimpt, groeide die van Tokio met bijna een miljoen inwoners tussen 2005 en 2015. Het lukt de Japanse megastad heel goed om al die nieuwkomers te huisvesten want woningbouw is hier al jaren politieke topprioriteit. Op zaterdag 23 juni organiseren Moriko Kira en ik een dag over Tokio in Amsterdam. Tijdens New Tokyo Story, onderdeel van WeMakeThe.City, zullen zes Japanse deskundigen verhalen komen vertellen over de nieuwste ruimtelijke trends in de Japanse megastad. Natuurlijk is alles anders in Tokio, maar tegelijk loopt Tokio zeker twintig jaar op Nederland vooruit als het gaat om nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen. In dat kader las ik de blog van James Gleeson met meer dan gewone belangstelling. Met behulp van cijfers van drie Japanse instanties produceerde deze Britse blogger een helder overzicht van de woningmarkt van Tokio, uitgaande van de prefectuur Tokio die 13,5 miljoen inwoners omvat. Tokio zelf is bijna drie keer groter (38 miljoen). En kijk nou toch, de jaarlijkse woningproductie van Tokio is ronduit imposant: gemiddeld 155.000 nieuwe woningen elk jaar over de periode 1993-2015. Over de afgelopen vijftig jaar is de woningvoorraad van de stad gegroeid van 2,51 miljoen woningen naar 7,36 miljoen. Op elke vier nieuwe woningen werd er eentje afgebroken. Ook het aantal huishoudens nam toe, want de huishoudenverdunning zette door, maar de woningvoorraad groeide sneller.

Hoogbouw is sinds kort ook in Tokio aan een snelle opmars bezig, de groei deed zich vooral voor in de categorie appartementen. De gemiddelde woningdichtheid is opgelopen tot 110 woningen per hectare. In Londen is dat 60. Dat houdt in dat Tokio in een razend tempo verdicht, de randen krimpen, er is geen sprake meer van suburbanisatie. Alle groei vindt plaats in bestaand stedelijk gebied, dit is een buitengewoon duurzame ontwikkeling. En denk niet dat dit tot kleinere woningen leidt. Tokio staat bekend om zijn kleine woningen (gemiddeld 64 m2), maar dankzij de enorme woningproductie nam het gemiddelde aantal vierkante meters vloeroppervlak juist toe, de huishoudenverdunning kon hierdoor goed worden opgevangen. Had een inwoner van de megastad in 1963 gemiddeld slechts 15 m2 tot zijn beschikking, in 2013 was dit opgelopen tot 32 m2. Gleeson: “Londoners have a similar amount of space per person on average today, but in stark contrast to Tokyo there has been little or no increase in London in around 20 years.” Kortom, oververhitte woningmarkten in succesvolle steden als Londen en Amsterdam zouden aan Tokio een voorbeeld moeten nemen. Hoe lukt het de Japanse hoofdstad om zoveel woningen te bouwen? Tokio heeft een eenvoudige zoning code (bestemmingsplan/bouwvergunning), die door opeenvolgende regeringen verder is versimpeld. Gleeson noemt dit progressieve politiek.

Tagged with:
 

All Too Human

On 7 mei 2018, in sociaal, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De middellandman’ (2017) van Nico Haasbroek:

Afbeeldingsresultaat voor all too human tate catalogue

Bron: Tate Britain

Hoe ziet armoede er tegenwoordig uit? Afgelopen week zocht ik naar de zelfkant van de samenleving tijdens mijn bezoek aan Londen. Zelf woon ik in een arme buurt in Amsterdam, aan de zuidkant van de Pijp. Eerder schreef ik over de Rotterdamse journalist Nico Haasbroek. In ‘De middellandman’ onderzocht ook Haasbroek armoede en eenzaamheid in zijn eigen buurt. Dat viel niet mee. Dat moeizame beeld herken ik. Toen Nico de New York-Londense sociologe Saskia Sassen rondleidde door Middelland zag ook zij geen armoede op straat. Arme mensen schamen zich, concludeerde Nico. Sterker, het is een taboethema. Waarna hij zijn tanden zette in het onderwerp. Zo sprak hij met armoedeonderzoekers van de Erasmus Universiteit, een wijkagent, de medewerkers van een koffiehuis. Ze vertelden hem dat hij op de gordijnen moest letten. Hangen er dekens of hangt er niets, dan is het raak. Armoedestrategieën, leerde hij, zijn bezuinigen, delen, slim gebruik maken van regels en instanties, meedraaien in de informele economie. Van een verkoper van straatkranten begreep hij dat een bedelaar misschien veel geld bij elkaar bedelt en weinig kosten maakt terwijl iemand met een enorme hypotheekschuld diepongelukkig kan zijn. Armoede is relatief, concludeerde Nico. En dan is er de wijkagent.

Ze kunnen overal zitten, zegt de wijkagent. Van hem leert Nico dat je veel moet lopen. Alleen op straat leer je de armoede kennen. Ook leert hij over het trekken van grenzen. Een politieman moet soepel en tactisch reageren, maar ook net iets scherper zijn dan de jongens in de buurt. Zwart-wit denken helpt niet. “Ik ga als agent nooit te ver. Het blijft altijd bij bijna.” Die uitspraak vond ik treffend. Volgens de wijkagent is Middelland ‘soms een donkere wolk maar wel met gouden randjes’. Bewoners houden verslaafden in de gaten, hulpverleners werken in sociale teams aan notoire probleemgevallen, de wijkagent is lid van tal van beheerplatforms in de wijk. De sociale cohesie in Middelland, stelt Haasbroek vast, is redelijk goed, dat komt doordat de mensen er redelijk mixen, de problemen vallen mee, er zijn nog sporen van een drugsprobleem, maar die lossen op. Problematisch zijn vooral opgroeiende kinderen van alleenstaande moeders. Zijn uitgebreide armoedeverslag deed me denken aan de schitterende tentoonstelling die ik afgelopen week zag in Londen. In ‘All too human. Bacon, Freud and a Century of Painting Life’ in de Tate Britain stuitte ik op een generatie schilders de menselijke figuur schilderden in zijn alledaagse omgeving. “Embracing the visual and tactile qualities of paint, these artists set out to explore what it is that makes us human.” Bij het zien van al die schilderijen viel me weer eens op hoe ongelooflijk arm het naoorlogse Londen was.

Tagged with:
 

Frankenstein’s landschappen

On 18 april 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘’Frankenstein’ (1818) van Mary Shelley:

Gerelateerde afbeelding

Eindelijk kwam ik eraan toe om ‘Frankenstein’ van Mary Shelley te lezen. De boekhandelaar die het afgelopen winter verkocht wees me op het feit dat het boek in 2018 tweehonderd jaar geleden verschenen is. Merkte daar niets van. Vond het heerlijk om te lezen. De vrouw van dichter Shelley heeft het verhaal op zeer jonge leeftijd geschreven. Zeer verdienstelijk, moet ik zeggen. Ze won er een wedstrijd mee die door Lord Byron in kleine kring was uitgeschreven. Het ging erom wie in staat was het griezeligste verhaal te componeren. ‘Frankenstein’ is de moeder van alle horror, een genre waar ik overigens weinig mee heb. Maar ik vond het mooi. Wat me het meeste trof was het landschap. Bij elke scene waande ik me in een schilderij van Caspar Friedrich. De lange reis die Frankenstein in het boek maakt is werkelijk imposant en duidt op grote onrust. Elke locatie is weloverwogen gekozen. Alles is woest en schilderachtig. Het begint bij Geneve, en voert al snel naar Ingolstadt. Daar, in het zuiden van Duitsland, creëert de jonge Frankenstein het monster. Vervolgens vlucht hij terug naar Zwitserland en wordt hij achterna gezeten door zijn eigen creatie, tot in de Alpen. Na een ongemakkelijke ontmoeting gaat hij in een boot over de Rijn en de Noordzee via Londen naar Schotland. Later volgt hij zijn monster nog via de kusten van Ierland naar Londen, dan door naar Parijs en verder, naar het oosten, tot in het winterse Siberië toe. Dit romantische landschap blijft me als lezer het meeste bij, meer nog dan de schurk die zoveel doden op zijn geweten heeft.

De eerste ontmoeting tussen de schepper en zijn monster vindt plaats hoog in de bergen, dicht bij de bron van de Arveiron, daar waar de machtige gletsjer heroïsch naar beneden kruipt. “These sublime and magnificent scenes afforded me the greatest consolation that I was capable of receiving. (…) They congregated around me; the unstained snowy mountain-top, the glittering pinnacle, the pine woods, and ragged bare ravine, the eagle, soaring amidst the clouds – they all gathered round me and bade me be at peace.” Hier klimt Frankenstein naar boven, helemaal naar de top, gaat zitten op een rots, de zee van ijs overziend. Even voelt hij zich weer op zijn gemak. Totdat hij het monster in de verte ontwaart – “the wretch whom I had created.” Verder geen stedenbeschrijvingen in dit boek, ook van Londen niet. Die stad is enkel vertrekpunt voor een reis door de bossen bij Windsor naar Oxford: “The colleges are ancient and picturesque; the streets are almost magnificent; and the lovely Isis, which flows beside it through meadows of exquisite verdure, is spread forth into a placid expanse of waters, which reflects its majestic assemblage of towers, and spires, and domes, embosomed among aged trees.” Noordelijker, helemaal op de afgelegen Orkney eilanden, bereikt hij ten slotte zijn eenzame bestemming. Daar, waar hij zich voornam een tweede monster te scheppen om de ander gezelschap te houden, keert hij weerom. Zelfs van Parijs op de terugweg ontbreekt een beschrijving. Parijs was toentertijd bepaald niet fraai. De openbare werken van Baron Haussmann lieten nog ruim dertig jaar op zich wachten. Landschap dus, geen stad, en verder veel gemoedstoestanden. Uiteindelijk sterft Frankenstein, diep bedroefd, tussen de Siberische ijsschotsen.

Tagged with:
 

Londense toestanden

On 11 april 2018, in ethiek, vastgoed, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Building and Dwelling’ (2018) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor saffron hill london

Nee, geen kwaad woord over een oververhitte woningmarkt in Londen. De woedende toon in het recente werk van schrijvers als Anna Minton (‘Big Capital’) en Ben Judah (‘This is London’) over steden als Londen ontbreekt in het nieuwste boek van Richard Sennett. En dat is opmerkelijk. Zelf woont Sennett al jaren in Saffron Hill. Hij geeft toe dat zijn buurt in de Londense binnenstad de laatste jaren is gegentrificeert (lees: duur en voor de rijken geworden). Maar daarover doet hij niet moeilijk. Even verderop is de situatie namelijk heel anders. Ook de recente brand in de Grenfell Tower in het chique Kensington in West Londen doet hem niet zwichten om uit te halen naar toeristen of poenerige kapitalisten. De autoriteiten hebben onhandig gereageerd en de planners hebben te goedkope materialen gebruikt, dat wel. Steden als Londen en New York, schrijft hij elders in zijn boek, zijn juist aan het afkoelen. Die groeien de komende jaren niet meer dan hooguit 18 procent. Maar een megastad als New Delhi staat een enorme bevolkingsexplosie te wachten. Als hij verderop over ‘global cities’ komt te spreken wijst hij op de financiële sector die steden als Londen loskoppelt van hun achterland. Zulke steden hebben weinig meer te maken met de natiestaat waartoe ze formeel nog behoren. Vervolgens begint hij een droge uiteenzetting over ‘opportunity investing’.

Onder ‘opportunity investing’ verstaat Sennett het investeren in een bepaalde plek waar de investeerder zelf niet woont. Hooggespecialiseerde teams helpen bij het zoeken naar die plekken. Zulke gelegenheidsinvesteerders, schrijft hij, hopen veel geld te verdienen aan openeindesystemen waarin een kleine verandering enorme effecten kan genereren. Het gaat hen niet om profijt, maar om de reacties van derden. Het spel is spannend en gevaarlijk. Nu iedereen begint door te krijgen dat urbanisatie onvermijdelijk is en dat bepaalde steden uiterst succesvol zijn, begint pas echt het grote gokken. Sennett noemt dat ‘core investing’. Een plek in een stad staat nu gelijk aan kapitaal. ‘Flipping’ is nog erger: dat is de gebouwde investering – doorgaans een project – zo snel mogelijk doorverkopen en de winst opstrijken. Planners, schrijft Sennett, zijn tegenwoordig dienaren van de projectontwikkeling, ze gaan helemaal niet meer over stedelijke plannen, ook al denken ze nog van wel. Gemeentelijke grondbedrijven dwingen ze tot meespelen. Op stadhuizen wordt zelfs niet meer bemiddeld tussen projecten en plannen. Dat station is allang gepasseerd. Het gaat alleen nog maar om winstmakende projecten. Nogmaals, in Londen speelt dit minder dan in Delhi.

A World City

On 12 maart 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Solar’ (2010) van Ian McEwan:

Afbeeldingsresultaat voor solar mcewan

Genoten van ‘Solar’ van de Britse schrijver Ian McEwan. In de roman raakt de Britse Nobelprijswinnaar Michael Beard betrokken bij een ambitieus project om de wereld te redden. Het gaat om nieuwe technologie waarmee energie zal worden opgewekt uit zonlicht en water. Fossiele brandstoffen worden overbodig. De regering Blair investeert miljoenen in een Brits studiecentrum naar duurzame energie. Beard wordt het vlaggenschip van de politieke operatie. Maar hij maakt een puinhoop van zijn leven. En er gebeuren vreselijke dingen die ik de lezer van deze blog zal besparen. Het begin van deel twee van het boek is ronduit schitterend. Beard zit in een vliegtuig en cirkelt boven Londen. Hij is op weg terug naar huis. Onder zich ziet hij zijn hele leven terug in een stadslandschap dat Newton en Dickens zou hebben verpletterd. “As unplanned as a giant termite nest, as a rain forest, and a thing of beauty, gathering itself to great human intensity at the centre, along the rediscovered river between Westminster and Tower Bridge, dense with confident, playful architecture, new toys.” De metropool deed hem denken aan al die andere grote steden op aarde. “The pressure of numbers, the abundance of inventions, the blind forces of desires and needs looked unstoppable and were generating a heat that had become, by clever shifts, his subject, his profession. The hot breath of civilisation.”

Het wordt twee bladzijden verderop nog ironischer. De gedachten van Beard gaan uit naar de toekomst en hoe groot en mateloos groot Londen dan zal zijn. “One day this brash and ancient kingdom might yield to the force of multiple cravings, to the dreamy temptations of a giant metropolis, a Mexico-City, Sao Paulo and Los Angeles combined, to effloresce from London to the Medway to Southampton to Oxford, back to London, a modern form of quandrillateral, burying all previous hedges and trees. Who knew, perhaps it would be a triumph of racial harmony and brilliant buildings, a world city, the most admired world city in the world.” Hoe, vraagt Beard zich tijdens het landen af, zal de mensheid zichzelf ooit gaan inhouden? “We appeared, at this height, like a spreading lichen, a ravaging bloom of algae, a mould enveloping a soft fruit – we were such a wild success.” Nee, met de wereld komt het niet goed, dat is wel duidelijk. McEwan laat zijn held flink spartelen. En Londen en het Verenigd Koninkrijk zullen uiteindelijk op de klippen lopen in de woestijn van de Verenigde Staten. Kon McEwan bevroeden dat zijn land zes jaar later in een referendum zou stemmen voor Brexit?

Tagged with:
 

Tijd voor nieuwe marsmannetjes

On 28 februari 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The War of the Worlds’ (1898) van H.G.Wells:

 Afbeeldingsresultaat voor the war of the worlds wells arie storm

In ‘The War of the Worlds’ van H.G.Wells, gepubliceerd in 1898, wordt Londen door marsmannetjes vernietigd. De Britse hoofdstad, die begin twintigste eeuw zes miljoen inwoners telde, was toentertijd de grootste stad op aarde. De schok die het boek onder tijdgenoten teweegbracht school misschien niet eens zozeer in de komst van de marsmannetjes, maar in de krankzinnig grote metropool Londen en de vergeefse evacuatie die Wells nauwgezet beschreef. Hoe ontruim je zo’n enorme mensenmassa en hoe proberen de buitenaardse wezens dat te verhinderen? Een fragment (in de vertaling van Arie Storm):“De volledige populatie van de grote zes miljoen inwoners tellende stad was in beweging gekomen, rijdend, slippend, rennend; spoedig zouden ze en masse noordwaarts trekken.” De onafzienbare stroom vluchtelingen leek op ‘een zwerm’, een ‘ordeloze meute’, “zes miljoen ongewapende en onbevoorrade mensen die zich naar voren stortten.” Nooit eerder in de geschiedenis, zo benadrukte Wells, was zo’n grote massa mensen in beweging gekomen en op de vlucht geslagen. “Het was het begin van de totale ineenstorting van de beschaving, het was het begin van de uitroeiing van het mensdom.” Die immense stad veroveren en vernietigen, dat was dus het begin van het einde. Ik denk dat Hitler en Stalin ervan moeten hebben gesmuld, zeker nadat Orson Welles er in 1938 een hoorspel op de radio van had gemaakt. Wat heet, in 1934 vond er een ontmoeting plaats tussen H.G. Wells en Jozef Stalin in Moskou. Roosevelt’s New Deal en Stalin’s vijfjarenplan leken volgens de Britse schrijver treffend op elkaar. In beide plannen wilden de twee wereldleiders de bevolking spreiden over het land. Door de twee mannen bij elkaar te brengen hoopte Wells het kapitalisme te vernietigen en het urbane monster te temmen. Stalin ging er niet op in.

Het kan niet anders of  de socialist Wells raakte met zijn boek een gevoelige snaar bij zijn tijdgenoten. Begin twintigste eeuw vond vrijwel iedereen Londen onbeheersbaar groot. Een kapitalistische stad van zes miljoen inwoners kon niet bestaan. Die moest vernietigd worden. Dit is hoe Wells de snel groeiende metropool beschreef: “als een gigantische kaart, en naar het zuiden toe beklad. Het zou lijken alsof er over Ealing, Richmond en Wimbledon uit een monsterlijke pen inkt op de kaart was gegoten. Elke zwarte vlek liep uit en verspreidde zich gestaag en voortdurend, vertakkingen schoten alle kanten op en stapelden zich tegen glooiingen op, om vervolgens weer snel uit te stromen over een top naar een nieuw gevonden vallei, precies zoals een druppel inkt zich zou verspreiden op vloeipapier.” In 1898, dus in hetzelfde jaar als waarin The War of the Worlds verscheen, verspreidde ene Ebenezer Howard zijn later door planologen veelgelezen pamflet, getiteld ‘Garden Cities of Tomorrow. A Peaceful Path to Real Reform’. Dat ging over de noodzakelijke afbraak van Londen en de vervanging ervan door talrijke overzichtelijke tuinsteden. Even buiten Londen bouwde de radicaal Howard even later de eerste tuinstad in de vorm van een coöperatie. Het einde van de Britse hoofdstad kwam daarmee in zicht. Een vredig einde, zonder hulp van marsmannetjes. Toch is het hem en de planologen later niet gelukt. Londen groeit weer. En hoe! Volgens sommigen is het tijd voor nieuwe marsmannetjes.

Tagged with:
 

Waar blijft de ecopolis?

On 30 januari 2018, in duurzaamheid, economie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord in Masterstudio The Circle City van de UvA op 8 januari 2018:

Afbeeldingsresultaat voor masterstudio the circle city

 

Een week lang spraken we op de UvA over een circulaire economie. Welkom in de Masterstudio The Circle City van het Centre for Urban Studies. Zowel de eerste als de laatste spreker was duidelijk hierover, nee, de hele week heerste er grote eenstemmigheid. Een circulaire economie realiseren vereist pure systeemverandering, we kunnen zo’n omwenteling niet realiseren binnen de bestaande economische en politieke verhoudingen. Erik Swyngedouw noemde de huidige politieke hype rond circulariteit zelfs een ‘hysterical fanasy’ en Herbert Girardet vond de brede omarming van circulariteit ronduit verdacht. Alsof wij burgers niet hoeven te veranderen; alsof we gewoon kunnen doorgaan met meer groei en nog meer consumeren. Girardet, van de World Future Council, wees erop dat de prijzen van grondstoffen en energiebronnen gewoon bizar laag zijn. Ze moeten veel zwaarder worden belast. En arbeid verdient juist verlichting. Nu is het omgekeerd. Erik Swyngedouw van de University of Manchester vond dat er een politieke omwenteling nodig is. Er is domweg niet voldoende natuur om onze groeiende honger naar grondstoffen te stillen. Mensen worden van hun land verdreven. Alles wordt te gelde gemaakt. De effecten van onze consumptie zijn in de hele wereld voelbaar. “We need a new political fantasy!” Nee, we mogen niet langer wachten, er zit niets anders op dan the hysterical act te verlaten en the political act te omarmen. 

Het grote gevaar in het master narratief van de circulaire economie zit, aldus Swyngedouw, in het monetariseren van afval. Zodra dit gebeurt ontstaat een perverse prikkel om nóg meer afval te produceren. “If you economize it, you need more waste!” Afval, zei hij, is een commons. En Girardet wees er fijntjes op dat de ecologische voetafdruk van steden als Londen, Hongkong en Amsterdam nu al veel te groot is. Londen gebruikt een grondgebied dat 125 keer groter is dan zijn eigen oppervlak om zich te voeden en te kleden, in totaal 20 miljoen hectare. Dat kan helemaal niet. En geeft Londen iets terug aan de natuur? Nee. Hij vond dat stadsbestuurders doordrongen zouden moeten zijn van de langetermijn-effecten van hun stedelijke economie. Ze zouden keihard moeten oproepen tot minder consumeren en echte green politics moeten introduceren. Politici vond hij maar lui. Ze bewijzen lippendienst aan een duurzame economie. Waar, vroeg hij zich af, blijft het vergezicht van de Ecopolis?

Tagged with:
 

Arrogant?

On 7 januari 2018, in ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 6 januari 2017:

De toekomst van de stad

In een groot interview met Lex Boon in Het Parool van afgelopen zaterdag noemde de Rijksbouwmeester Floris Alkemade Amsterdam arrogant. “Ik ga geen steden arrogant noemen, maar ik vrees dat het wel het meest juiste woord is.” Dat er buiten Amsterdam geen ontwikkeling zou zijn, zo zei hij vanaf de achterbank van zijn dienstauto, is niet juist. Zo’n gedachte getuigt van arrogantie. Is Amsterdam arrogant? Ziet de hoofdstad de rest van het land niet staan? Alkemade onderbouwt het niet. Het is eerder dit. Alle grote metropolen worden door hun omgeving als arrogant gezien. In 2013 werd New York door de Amerikanen uitgeroepen tot meest arrogante stad by far (MailOnline 21 augustus 2013). Parijs werd in 2013 uitgeroepen tot hoofdstad van de arrogantie door de Financial Times. De Franse metropool zou te weinig op de buitenwereld  zijn gericht (Atlantico 2 februari 2013). Ook Londen wordt door vrijwel alle Britten als arrogant getypeerd. De Schotse Sunday Herhald vond dat de tien miljoen Londenaren binnen de ringweg M25 in een aparte stadstaat leefden en de rest van het Koninkrijk beschouwden als ‘de provincie’ (15 augustus 2013). SNP-leider Gordon Wilson noemde Londen zelfs een ‘kankergezwel’. In alle gevallen wordt naar de grootstedelijke elite gewezen, de geconcentreerde welvaart en het feit dat de inwoners van grote steden zich als wereldburgers beschouwen, niet als inwoners van het land. En ja hoor: er zou teveel publiek geld naar deze arrogante steden gaan.

De rest van het interview met Alkemade, die de belangrijkste adviseur is van de Nederlandse regering op het gebied van stedenbouw en ruimtelijke ordening, gaat over de snelle groei van Amsterdam en waarom die niet zou deugen. Let op de toon. Alkemade: “Als je twee miljoen inwoners kunt vinden die graag in Amsterdam willen wonen, ga gerust je gang.” Hoe arrogant is dat? En let op de belangrijkste passage in het interview: als Alkemade wordt gewezen op de extreme prijzen die Amsterdammers voor een woning moeten betalen, ziet hij dit als de motor van toenemende segregatie. Amsterdam, met andere woorden, moet vooral níet groeien. Nee, op hulp van het Rijk hoeft de hoofdstad niet te rekenen. “In die zin hebben we het geluk dat we in Nederland niet één grote centralistische metropool hebben zoals Londen of Parijs, waarbij je als je niet in het centrum woont in een tweederangs periferie of banlieu belandt.” Het is een cliché, een populistische argumentatie die zo oud is als er steden zijn. De ruimtelijke ordening in ons land is er groot mee geworden. Conclusie: als het aan Den Haag ligt gaan we toe naar een nieuwe ronde van ruimtelijke deconcentratie. En kijk, zelfsturende auto’s ziet Alkemade als een belofte, dus nog meer blik en asfalt erbij; zelfs de Randstad vindt hij te klein. Zijn visie is niet duurzaam en ook niet profijtelijk. Het is precies waar ik in mijn boek ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ voor vreesde. De ruimtelijke concentratie die wijlen Dirk Frieling wilde komt er in ieder geval niet.

Tagged with:
 

De kunst van het verdwijnen

On 3 december 2017, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Rijksmuseum op 30 november 2017:

Afbeeldingsresultaat voor matthijs maris londen

Matthijs Maris, Vanished illusions.

Eind negentiende eeuw werd Matthijs Maris (1839-1917) beschouwd als een van de beroemdste schilders van Nederland. Hij woonde er echter niet. Het Rijksmuseum wijdt aan zijn merkwaardige oeuvre een tentoonstelling, die nog is te zien tot en met 7 januari 2018. Afgelopen donderdag bezocht ik de zalen. Maris verhuisde in 1869 op dertig jarige leeftijd naar Parijs en trok in 1877 door naar Londen, waar hij in 1917 eenzaam stierf. Slechts een enkele keer bezocht hij zijn familie in Nederland. Vrijwel zijn gehele oeuvre kwam tot stand in de twee buitenlandse grote steden. Liefst veertig jaar leefde en werkte hij in Londen, in Parijs woonde hij acht jaar. Zijn bijzondere leven deed me denken aan Karl Marx (1818-1883). Hoewel iets ouder, verhuisde ook tijdgenoot Marx al vroeg naar Parijs, om later door te verhuizen naar Londen, alwaar hij in 1883 in eenzaamheid stierf. Zonder Londen was Das Kapital niet denkbaar geweest. Datzelfde geldt voor het schilderij ‘Vanished Illusions’. Maris was, net als Marx, een revolutionair. In 1870 vocht hij zelfs mee tijdens de Parijs Commune aan de kant van de opstandelingen. Kort daarvoor had Marx zijn Das Kapital gepubliceerd.

Maris verhuisde naar het buitenland en dan met name naar de grote stad vanwege de lokale kunstmarkt, die hij overigens haatte. In geld was hij niet geïnteresseerd. Ook niet in vooruitgang trouwens. Maar een kunsthandelaar uit Londen wist hem te overtuigen. Hij moest toch leven. Die afkeer van geld en dat armoedige bestaan in de beide metropolen, eigenlijk had hij dat ook met Marx gemeen. Maris vond zelfs dat mensen teveel voor zijn schilderijen betaalden. Hij ontbeerde echter een Friedrich Engels die hem in zijn levensonderhoud onderhield. Veel geld had hij niet nodig. Hij bleef ongetrouwd, tenminste ik las niets over een vrouw of kinderen. En zijn werk? Geen beelden van een modern Parijs, en ook niet van het industriële Londen. Wel boeiend en steeds raadselachtiger. Zijn laatste periode in Londen intrigeert het meest. De feeërieke middeleeuwse taferelen en dromerige meisjes maken plaats voor abstracte denkbeelden, dromen en herinneringen. Alles wordt vaag en onscherp. Verdwenen is de realiteit. De realiteit van de industriële stad. Carel Peters noemde hem in Vrij Nederland een modernist met een oude ziel en Bram de Klerck zag in hem een revolutionair en een compromisloze dromer (NRC Handelsblad 12 oktober 2017). Ik begreep het pas toen ik ‘Vanished Illusions’ zag waaraan hij jaren had gewerkt en dat op zijn schildersezel stond toen hij in 1917 overleed. De wereld stond in brand. Vijandige zeppelins vlogen over Londen. Hij werkte aan een vrouw, voorover liggend op de trappen van een altaar, bijna vallend. Maris haatte de moderniteit. Hij bleek een vernieuwer.

Tagged with: