Verloren gewaande steden

On 31 mei 2011, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 25 mei 2011:

Rond vierduizend jaar voor Christus – nu zo’n zesduizend jaar geleden – werden de eerste steden ooit gebouwd. Duizend jaar later kwam deze vroegste stadsontwikkeling tot een voorlopig hoogtepunt in de Nijldelta. Voor de goede orde, de steden ontwikkelden zich zowel langs de Eufraat en Tigris in Mesopetamië als langs de Nijl in Egypte. Van de eerste zijn voldoende restanten teruggevonden, van de laatste vrijwel niets. Alleen een aantal piramiden, waarvan de grootste en hoogste die van Cheops (250 x 250 meter en 150 meter hoog), en een paar opgegraven graftombes duiden daar op de aanwezigheid van steden in een ver verleden. De steden zelf zouden ooit door het Nijlwater zijn weggespoeld. Over de stad Memphis schrijft Leonardo Benevolo in Die Geschichte der Stadt (1982) bijvoorbeeld: “Wie die ganze Stadt ausgesehen hat, wissen wir nicht, und es ist nicht einfach sich vorzustellen, wie sich diese kolossalen Monumenten der Toten und die Wohnhäuser der Lebenden im Gesamtbild zueinander verhielten; sicherlich ganz anders als die Tempel und Wohnhäuser in den Städten Mesopotamiens.” Het enige dat we erover weten is dat de doden in afgezonderde, uit steen gehouwen ‘dodensteden’ lagen begraven, klaarblijkelijk bestemd voor de eeuwigheid, terwijl de levenden in steden van klei – opgetrokken uit modderstenen – moeten hebben geleefd, overgeleverd aan de nukken van zon, wind en water. Zo herinner ik me een spectaculair bericht uit 2001 over archeologen die Herakleion hadden teruggevonden op de bodem van de Middellandse Zee. De havenstad van de Farao’s was bijzonder omdat hij grotendeels uit steen bleek opgetrokken – aanwijzing dat het hier om ‘a place of worship’ zou zijn gegaan. Een aardbeving duizend jaar geleden maakte een einde aan de stad.

Nu las ik in Het Parool de aankondiging van een televisiedocumentaire op BBC 1, getiteld Egypt’s lost cities, waarin verslag wordt gedaan van recent onderzoek naar de oudste Egyptische steden door de Amerikaanse archeologe Sarah Parcak en haar team, in samenwerking met ruimtevaartorganisatie Nasa. Infraroodbeelden van satellieten op een hoogte van 700 kilometer boven het aardoppervlak zouden de sporen hebben blootgelegd van de steden in de Nijldelta die zo lang verloren waren gewaand. “De beelden tonen meer dan duizend tombes en drieduizend oude nederzettingen onder de grond.” Gek is dat: science fiction en verre oudheid komen hier gelukkig samen. Het is slechts het begin van een groot onderzoek vanuit de ruimte naar de oudste stedelijke beschaving ooit. Wat het team heeft ontdekt zijn nog slechts de sporen van gebouwen en straten vlak onder het zand. “Er zijn nog duizenden andere locaties die de Nijl met slib heeft bedekt.” Parcak beweert dat 99 procent van de Egyptische steden nog onder het zand ligt begraven. De 90 minuten tellende uitzending was gisteravond, 30 mei 2011 om 21.30 uur. Toevallig gezien?

Tagged with:
 

Steden als olifanten

On 8 januari 2011, in theorie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in Sunday Magazine van 19 december 2010:

Opmerkelijk artikel van Jonah Lehrer in de Sunday Magazine over de wetenschapper Geoffrey West. West is een 70 jaar oude Britse wetenschapper die o.a. aan Stanford University heeft gedoceerd en op Los Alamos National Laboratory heeft gewerkt, een theoreticus en een echte bèta. Na zijn pensionering besloot hij zich op steden te richten. Waarom zijn er steden, waardoor groeien steden, waardoor neemt verstedelijking op deze planeet exponentieel toe? West deed alsof er geen theorie bestond en begon data te verzamelen; enorme files downloadde hij van het Census Bureau. Na twee jaar vond hij een heel eenvoudige rekenformule die de omvang, groei en aard van steden in de wereld verklaart. Althans, de berekening verklaart het verschijnsel ‘stad’ voor 85 procent.

De wet bleek overeen te komen met een veel algemenere wet die biologische verschijnselen verklaart. Deze wet is afkomstig van Max Kleiber en stamt uit de vroege jaren ‘30: “he noticed that the sprawlingly diverse animal kingdom could be characterized by a simple mathematical relationship, in which the metabolic rate of a creature is equal to its mass taken to the three-fourths power.” Dit algemene principe heeft nogal wat implicaties, omdat het laat zien dat grotere organismen minder energie per gewichtseenheid nodig hebben dan kleinere.  De metropool, ontdekte West, wordt net als dieren en mensen door zijn interne infrastructuur bepaald. Een stad is als een olifant: “In city after city, the indicators of urban “metabolism,” like the number of gas stations or the total surface area of roads, showed that when a city doubles in size, it requires an increase in resources of only 85 percent.” Dat betekent dat steden de meest duurzame, door mensen gecreëerde structuren zijn. Hoe groter de stad, hoe duurzamer. “Small communities might look green, but they consume a disproportionate amount of everything.” Ook suburbs – steden als Phoenix – kunnen soms snel groeien, maar dat is geen duurzame groei; ze worden gekenmerkt door gemiddeld lagere inkomens en geringere innovatie. Echter, een mens gaat niet in een grote, dichtbebouwde en volgepakte stad wonen omdat zoiets duurzaam is. Volgens West is er maar één verklaring voor de trek naar de grote steden: menselijke interactie. Niet dat de metropool daarmee een prettig milieu voor ontmoeting is. Alles draait om toeval, toevallige ontmoetingen, soms zijn het vervelende, niet gewenste ontmoetingen, en dat vinden mensen lang niet altijd fijn. “West admits that all successful cities are a little uncomfortable. He describes the purpose of urban planning as finding a way to minimize our distress while maximizing our interactions.” Zo is het. Het is tijd voor duurzaamheid. Het is tijd voor grote steden. En de opgave voor de planners is: maximalisering van ontmoetingen, minimalisering van ergernissen. Oftewel, het organiseren van probleemloze congestie.

Tagged with:
 

Toen turf, nu gas

On 27 oktober 2010, in energie, geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in De rationele optimist (2010) van Matt Ridley:

Het boek gaat over de evolutie van de welvaart. Aardig schrijft Ridley over energiewinning en energiegebruik na 1700. Het einde van de slaventijd schrijft hij toe aan het beschikbaar komen van steenkool. Spierkracht van slaven was toen ineens niet meer nodig. Ook weet hij waardoor er een einde kwam aan de Nederlandse Gouden Eeuw: de turf raakte op. Tegelijkertijd wijst hij erop dat de opbloei van de Nederlandse steden in de zeventiende eeuw in de eerste plaats mogelijk werd gemaakt door turfwinning in de pas drooggelegde meren – en dat juist op het moment dat hout in Europa erg duur was, waardoor Nederlandse steden enorm profiteerden. In het algemeen beweert hij dat de omvang van steden in de geschiedenis steeds aan banden is gelegd door de schaarste en eindigheid van energiebronnen. Hout, houtskool, turf, waterkracht, wind, een stad werd zo groot als de beschikbare energiebronnen toelieten. Rome bijvoorbeeld werd nog grotendeels op spierkracht gebouwd, met behulp van slaven. “Er waren ook paarden, smeltovens en zeilschepen, maar in Rome was de mens de belangrijkste bron van watts.” In de Middeleeuwen kreeg je vervolgens de os. Slaven werden vervangen door lastdieren. “Omdat ossen moeten grazen, berustte deze beschaving meer op dorpen dan op steden.” Paarden konden twee keer zo snel ploegen, waardoor de steden na de introductie van het paard (vijftiende en zestiende eeuw) konden groeien.

Toen er eenmaal fossiele brandstoffen beschikbaar kwamen, konden de steden pas werkelijk groeien. Steenkool, aardgas en aardolie zijn er in overvloed. Vandaar dat steden eindeloos doorgroeien. “Dat leidt tot een schokkende ironie. Ik ga nu namelijk betogen dat economische groei pas duurzaam werd toen hij zich van niet-hernieuwbare, niet-organische energie begon te bedienen.” Ja ja, duurzame economische groei, maar bovenal steeds grotere steden. Wat de vraag oproept waarom de Nederlandse steden met al dat aardgas in de bodem niet veel groter zijn.

Tagged with:
 

Fool’s paradise

On 19 december 2008, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) van Jane Jacobs:

Nu de kredietcrisis steeds grotere vormen aanneemt sla ik mijn economische boeken maar weer eens op. Hoe zat het ook alweer? Hoe verliep die crisis in 1929? Wat had Keynes ook alweer bedacht? En wie was Milton Friedman? Zo greep ik ook naar dat mooie compacte boekje van Jane Jacobs uit 1984. Het is veel minder beroemd geworden dan haar ‘Death and Life of Great American Cities’ uit 1961, maar het is minstens zo revolutionair: ‘Cities and the Wealth of Nations’, heet het. Maar eerst dit.

Jacobs had niet alleen fundamentele kritiek op de stedenbouwkundigen, ze had ook een diepe minachting voor economen. In het eerste hoofdstuk van haar boek over economie, getiteld ‘Fool’s Paradise’, veegt ze de vloer aan met alle economische theorieën die in de voorgaande twee eeuwen waren verzonnen. Let wel, haar boek verscheen in 1984, midden in de economische recessie die Europa en Noord- en Zuid-Amerika al jaren in zijn greep had. Er was sprake van ‘stagflatie’: hoge inflatie en tegelijk grote werkloosheid. Milton Friedman had de Nobelprijs gewonnen en zijn monetaristen van de Chicagoschool waren tien jaar eerder aan de slag gegaan in de wrede dictatuur van Chili om in de werkelijkheid hun economische model te beproeven. Het was de geboorte van het Neoliberalisme, waar we nog veel van zouden horen. Want als ‘Cities and the Wealth of Nations’ verschijnt, komt in de USA Ronald Reagan aan de macht en in Groot-Brittannië Margaret Thatcher.

En wat schrijft de dame vanuit haar appartementje in Toronto? "Several centuries of hard, ingenious thought about supply and demand chasing each other around, tails in their mouth, have told us almost nothing about the rise and decline of wealth." We moeten, schrijft ze, op zoek naar meer realistische en vruchtbaarder observaties en gedachten dan de abstracte macro-economische modellen van de economen ons vertellen. Een keuze maken uit de bestaande economische scholen acht ze zinloos. "We are on our own."

En dan begint ze. Bij het begin.

Tagged with:
 

Fool’s paradise II

On 19 december 2008, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in "Cities and the Wealth of Nations" (1984) van Jane Jacobs:

Nogmaals Jane Jacobs. Na de bondige schets van misverstanden en onbegrip in alle macro-economische theorieën in het eerste hoofdstuk van ‘Cities and the Wealth of Nations’ opent het tweede hoofdstuk, getiteld ‘Back to Reality’, met het afwijzen van de basisveronderstelling uit alle macro-economie, namelijk dat natie-staten de geschikte eenheden zijn om het economische leven te kunnen beschrijven en bevatten. De veronderstelling is, aldus Jacobs, inmiddels zo’n vier eeuwen oud en ontstond toen mercantilistische economen in de ban waren van wedijver tussen Europese natie-staten. Welvaart werd destijds nog uitgedrukt in goud, en goud verzamelen was het dominante streven van elke natie-staat. Naties echter, aldus Jacobs, zijn politieke en militaire eenheden, ze zijn geen vruchtbare entiteiten voor het verklaren van welvaartsgroei of welvaartsverlies. Want hoe bijvoorbeeld Singapore met de USA vergelijken? Dat heeft toch geen zin. "Once we remove the blinders of the mercantilist tautology and try looking at the real economic world in its own right rather than as a dependent artifact of politics, we can’t avoid seeing that most nations are composed of collections of grab bags of very different economies, rich regions and poor ones within the same nation." En binnen die zeer verschillende regio’s zijn het de steden die over het vermogen beschikken om de economie van hun eigen regio maar ook die van andere regio’s te beïnvloeden. Waarna ze het proces van import-vervanging uitlegt. Dat doen steden. Waarna de cruciale zin volgt: "Economic life develops by grace of innovating: it expands by grace of import-replacing. These two master economic processes are closely related, both being functions of city economies." Het is dus de stad en de stedelijke regio die de basiseenheid zou moeten zijn van economische statistiek en economische theorievorming en die uitgangspunt zou moeten zijn van welvaartsbeleid. Help de grote steden hun economische werk te doen – een kwestie van ‘import replacing’ – en de economie zal weer groeien. Zo simpel is het.

Niet elke grote stad doet succesvol aan import-replacing. Jane Jacobs noemt er een hele serie die het niet (meer) goed doen: Liverpool, Cardiff, Belfast, Rio de Janeiro, Buenos Aires, Montevideo, Havanna, Detroit. Wèl Milaan, Londen, New York, Parijs, Copenhagen, Antwerpen, Amsterdam (ik citeer de auteur). Haar opsomming doet de vraag rijzen hoe dat verder binnen Nederland zit. Welke steden zorgen hier voor welvaartsgroei en welke niet? Een hint: steden die van zichzelf (dus niet beleidsmatig) groeien zijn bezig met import replacing, steden die niet groeien of zelfs krimpen doen het niet.

Tagged with:
 

Werkteater II

On 13 maart 2008, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gemist tijdens IVV-café op 13 maart 2008:

Terwijl de hele zaal zich boog over de vraag hoe de besluitvorming over infrastructuur in godesnaam kan worden versneld (zie vorige item), dwaalden mijn gedachten naar studies van historici die hebben laten zien dat ook de aanleg van infrastructuur een evidente historische dimensie heeft. Het rijkswegennet is in amper twintig jaar gemaakt, namelijk tussen de instelling van het Rijkswegenfonds in 1965 en de rellen in de bossen bij Amelisweerd in 1985. Ook het spoorwegennet is in Nederland in amper vijfentwintig jaar gerealiseerd, namelijk tussen 1880 en 1905. Zelfs het zeventiende eeuwse trekvaartenstelsel is in nog geen dertig jaar tijd gerealiseerd. Kennelijk wordt zo’n nieuw netwerk in een moordend tempo uitgerold en is daarna elke toevoeging aan dat netwerk een strijd van decennia moeizame besluitvorming en onderhandeling. Op een gegeven moment is er gewoon sprake van verzadiging. Het hoeft dan niet meer. De mensen willen niet langer, of de maatschappij zit er niet meer op te wachten. Zo eenvoudig is het. Misschien is het wel een ecologische wetmatigheid. De maatschappij beschermt zich tegen te dichte netwerken, teveel verkeer, teveel asfalt. Er ontstaat dan een nieuw evenwicht.

Na dertig jaar verwoede aanleg zie je zelfs geleidelijke aftakeling van het netwerk, of in ieder geval een stevig snoeien en wieden. Daar zou nu een begin mee moeten worden gemaakt als het gaat om het Nederlandse autowegennet. Anderzijds moeten zich nog de echte slagaders in het netwerk vormen. Het is logisch dat dat rond de grote steden gebeurt. Alleen, die steden willen niet stikken in infrastructuur. Teveel infrastructuur kan de steden ook afknijpen. Maar daarover hoor je niemand.

Tagged with: