Revolutionair

On 28 oktober 2009, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 27 oktober 2009:

Op dinsdagavond zou de SP haar visie op de toekomst van de stad presenteren in de Vrijstaat. Quod non. Het partijbestuur had besloten uitgerekend op dezelfde avond elders in de stad een besloten vergadering te beleggen waarin de nieuwe lijsttrekker zou worden gekozen. Dat werd dus Laurens Ivens en niet Remine Alberts. In de Vrijstaat bleef het leeg. Jammer, want raadslid Hans Bakker had "een mooi anarchistisch programma" voorbereid. Hij zegde af. Wij hadden dus een vrije avond.

Een vrije avond in de Vrijstaat, hoe doe je dat? Voor de aanwezigen hadden we twee films van de VPRO in de aanbieding: ”The Making of the Vrijstaat" en de Tegenlicht-documentaire "Amsterdam Makeover 2040′, beide van regisseur William de Bruijn. De meeste aanwezigen hadden de documentaires nog niet gezien. Dat kwam dus mooi uit. Op het grote scherm in de donkere lezingenzaal zagen we de stad aan ons voorbij trekken. We zagen Richard Florida vanuit Toronto en Saskia Sassen vanuit Abu Dabi over ons spreken. We zagen de ontwerpers hun ontwerpen presenteren aan de overkant. Ondertussen voeren buiten, in het stille duister, schepen over het IJ. Hun gedempte geluid klonk vol belofte. We voelden ons onoverwinnelijk.

Maar we wisten nog altijd niet wat de SP voorheeft met de stad. En ook de volgende dag zouden we het niet in de krant kunnen lezen. Want in Het Parool ging het toch weer alleen over de poppetjes, niet over de toekomst van de stad.

Tagged with:
 

Weinig opwekkend

On 27 oktober 2009, in internationaal, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 26 oktober 2009:

Amsterdam is een Vrijstaat en tegelijk geen echte Vrijstaat meer. De vijf buitenlanders met wie de curator een avond lang sprak waren opvallend gelijkstemd ten aanzien van de staat waarin Amsterdam op dit moment verkeert. Stuk voor stuk vonden ze vervelend om het te zeggen; en keer op keer verontschuldigden ze zich voor hun klagerige toon, maar het was niet anders: het vrijgevochten Amsterdam had zijn vrijheid verloren.

Ann Demeester, Belgische en directeur van De Appel, prees het culturele klimaat in Amsterdam – de tentoonstelling Vrijstaat met zijn pseudo-utopische plannen vond ze daarvan een bewijs -, maar de vrije ruimte om dingen te creëren was wel verloren gegaan, zowel fysiek als geestelijk. Projecten in de openbare ruimte konden domweg niet meer en ook in leegstaande gebouwen waren vergunningen vereist die niet meer werden afgegeven. Deborah Abrahams, afkomstig uit Engeland, was ooit via Spanje naar Amsterdam gekomen vanwege het vrijgevochten klimaat. Alles kon hier, alles was mogelijk, er was geen instantie die dingen verbood. Voor iemand die theaterstudies had gevolgd, was het een heerlijk klimaat om in te werken en te wonen – heel anders dan elders in Europa. Maar Amsterdam was dit vrije helemaal kwijtgeraakt, al woonde en werkte ze nog steeds met veel plezier op dezelfde plek in de stad. Alleen, niets leek meer te kunnen, overal doken instanties op die dingen verboden. Zena Hockley, uit Londen, vond Amsterdam nog steeds veel leuker en opwindender dan de Britse metropool. Amsterdam was een ‘bubble’, een eiland in een zee van intolerantie. Zij, maar ook Deborah en Ann, gruwden van de benepenheid die Nederland op dit moment in haar greep had. Het recente kraakverbod, aangenomen door de Tweede Kamer, vonden ze symbool staan voor de kleinburgerlijkheid van de Nederlanders in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw.  Cyrus Clark, een Amerikaanse architect uit de omgeving van Chicago, had eerst Rotterdam geprobeerd, maar na zes jaar had hij het daar wel voor gezien gehouden. Amsterdam was zijn nieuwe bestemming. Inmiddels was Amsterdam de enige plek in Nederland die hem beviel – aan de rest van het land moest ook hij niet denken. Ann meende dat buitenlanders op dit moment zich nog steeds aangetrokken voelen tot Amsterdam vanwege het imago van vrijheid. Ook geloofde ze dat dit idee nog lang zal naijlen en dat ook de komende jaren buitenlanders om deze reden naar Amsterdam zullen komen. Terwijl de vrijheid allang verdwenen is. En ook niet meer terug zal komen. Hen wachtte een grote teleurstelling.

Ronduit vernietigend waren de buitenlanders over de stadsdelen en hun regelgeving. Wilde je iets doen in Bos en Lommer of in Oud-West of in Oost-Watergraafsmeer, steeds waren er andere ambtenaren en weken de regels af van die van de buren. Ondertussen bleven de straten vies en vuil. In welke grote stad in de wereld zet je je vuilnis nog in een zak op straat? Amsterdam werd bestuurd als een verzameling dorpen, klaagde Axel Rüger, afkomstig uit Dortmund en sinds drieënhalf jaar directeur van het Van Goghmuseum. Rüger, die zowel in steden in Amerika als in Londen heeft gewoond en gewerkt, kon het maar niet begrijpen. "Maak zo’n Museumplein nou grootstedelijk! Maar nee, dat durven de bestuurders van de Centrale Stad niet. Alsof ze bang zijn voor de stadsdelen en hun deelraden." Hij zei dat hij kon leven met de samenwerking tussen Oud-Zuid en Centrale Stad van dit moment en het zou ook wel goedkomen, maar: wat duurde het allemaal lang! Op de opmerking dat Londen toch ook bestond uit tientallen boroughs, repliceerde hij dat zijn eigen borough, Westminster, even groot was als heel Amsterdam. Nee, hij gruwde van het polderen van de Amsterdammers.

Lyrisch waren de buitenlanders over het multiculturele karakter van de Amsterdamse buurten. Deborah woonde in de Staatsliedenbuurt en had een Vietnames onderbuurman, Iraniërs, Fransen en Turken naast en boven zich. Zena wentelde zich in de multiculturele gemeenschap van haar buurt. Axel vond de mix van wonen en toeristen in de binnenstad waar hij woonde heel prettig en aangenaam. Zeker geen Venetië. "Hou nou eens op met dat klagen over al de toeristen op hun fietsen of wandelend op de fietspaden, wees blij dat ze er zijn!" Ann prees de wijze waarop Amsterdam omgaat met haar historische binnenstad. Ze vergeleek het met de wijze waarop de burgemeester van Brugge had gedreigd om tarief te heffen voor bezoekers van de binnenstad. Als provocatie. Maar toch. En Cyrus vond IJburg de enige stadsuitbreiding in Nederland die geen buitenwijk was, al kon je het nog geen echte bestemming noemen. Wel was de dichtheid goed. Op den duur zou daar een interessant stadsleven kunnen groeien. Almere daarentegen vond hij verschrikkelijk. Een waanidee van Hollandse maakbaarheid. Creëer dan echte suburbane gebieden. Maar dat gebeurde in Nederland weer niet. Een typisch voorbeeld van, opnieuw, polderen.

Hoe was het om je als buitenlander te settelen in Amsterdam? Zena was daarover het duidelijkst. Als free mover had ze zichzelf moeten redden. Dat viel niet mee. Het duurt twee jaar voordat je doorhebt hoe de dingen hier werken. En om aan die moeilijke taal te wennen. Alles is hier dichtgeregeld, ingewikkeld gemaakt, gebureacratiseerd. Het vergt veel doorzettingsvermogen om vol te houden. Ben je de grens van twee jaar gepasseerd, dan blijf je vaak wel. Veel van haar vrienden hadden het niet volgehouden en hadden de stad voortijdig verlaten. Geen fijn land wat dat betreft. Axel had van vrienden de extreme huurprijzen gehoord die hier werden gevraagd aan buitenlanders voor gemeubileerde appartementen. Hij sprak er schande van. Hoe kan dat nou, zo’n extreme schaarste aan fatsoenlijke woonruimte voor buitenlanders, terwijl de stad het in economische opzicht steeds meer van buitenlanders moet hebben. Wachtlijsten, vertelden de anderen, werken niet. Je wilt als buitenlander snel handelen. Vrienden en netwerken die je helpen, heb je vaak niet. Ook de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum, afkomstig uit LA, was op dit moment woonruimte aan het zoeken, zei iemand. Ook zij had zich over het tekort verbaasd. Ann, Deborah en Zena, ze hadden allemaal een woning moeten kopen. Maar zij waren dan ook voor langere tijd gebleven. Ze konden moeilijk namens al diegenen spreken die hadden afgehaakt. Nee, geen opwekkende avond. Nogmaals, de buitenlandse gasten, beleefd als ze waren, bleven zich ervoor verontschuldigen. Ik voelde me ook bezwaard. Ik dacht, wat jammer dat er zo weinig Amsterdammers aanwezig zijn om deze verhalen aan te horen.

Tagged with:
 

Verhelderend

On 24 oktober 2009, in stadsvernieuwing, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 23 oktober 2009:

Remco Daalder, stadsecoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening, was moderator deze avond. Er werd gesproken over het ontwerp van Karres en Brands voor de Oostelijke Eilanden. Motto: Bedreigde vrijheid. Zelf kwam Daalder van Kattenburg, een van de eilanden. Bijna zijn hele familie kwam van Kattenburg: zijn ouders, grootouders en overgrootouders – vier generaties Daalder. Niemand in de zaal kon daaraan tippen, ook geen van de aanwezige bewoners. Hij schilderde met scherp oog voor detail het leven op de eilanden, het isolement, de dicht opeengepakte mensenmassa, de slechte woningtoestanden, het anarchisme, de vrijheid, de eigen wetten, maar ook de vele kroegen, het drankmisbruik en de knokpartijen tussen de Kattenburgers en de Wittenburgers op de brug die de beide eilanden van elkaar scheidde, het familieleven per woningblok, de intense sociale controle waaraan zijn moeder na de oorlog maar wat graag ontvluchtte. Want na de oorlog werden de bouwvallige huizen op de eilanden afgebroken en in stadsvernieuwing opnieuw opgetrokken. Weg kroegen, weg sociale leven, weg isolement. "We hebben het vanavond over vrijheid en isolement. Laten we niet vergeten dat het isolement van de eilanden twee kanten heeft, evenals die zogenaamde vrijheid."

Marco Broekman van bureau Karres en Brands construeerde daarna het verhaal over ‘bedreigde vrijheid’. Het ontwerp, dat niet als een plan mocht worden opgevat, was opgebouwd uit drie interventies: het autovrij maken van de eilanden, het terugbrengen van het isolement door het terugbrengen van het water en het introduceren van tien ‘vrijdenkplaatsen’ – ommuurde open ruimtes die telkens voor tien jaar werden uitgegeven aan bedreigde kunstenaars, politici en intellectuelen. De ‘evenementisering’ van de binnenstad zou aan de Oostelijke Eilanden voorbij gaan, want de ontwerpers "wilden niet alles met elkaar in verbinding brengen" – de toeristenstromen gingen over fiets- en voetgangersbruggen via de Valkenburgerstraat naar de cruiseterminal via de mond van de IJtunnel, die herschapen was in een heus ”Museumsinsel’ met nog drie musea erop en de tunnel buiten werking gesteld. Zo ontstond het paradoxale beeld van een druk bezocht NEMO-eiland en een verstild eilandenrijk dat de ontwerpers nota bene vergeleken met Venetië: een geheel autovrij eilandenrijk, bevolkt door 60.000 Venetianen, maar tegelijk bezocht door miljoenen toeristen uit de hele wereld. Broekman rook onraad; helemaal consequent, gaf hij toe, was zijn redenering niet.

Enfin, het isolement hoefde van de aanwezige bewoners niet terug en helemaal autovrij maken, daar geloofden ze niet in. "Mensen moeten toch met hun auto, af en toe." Daalder geloofde zelfs dat auto’s op straat goed is voor de sociale controle. "Mensen kijken eerder op straat als ze iets horen, bang als ze zijn dat hun auto wordt beschadigd". Maarten Kloos, directeur van ARCAM, richtte zich op de versterking van het isolement. Hij was teleurgesteld in de ontwerpers, zei hij. Hij wilde nog veel meer water graven. Maar het gesprek concentreerde zich al snel op de derde interventie, want vooral tegen de ‘vrijdenkplaatsen’ rees bezwaar. Fons Elders, de filosoof, bewoner en initiatiefnemer van het Vierwindenhuis op de kop van Wittenburg, dacht dat het ‘gated communities’ waren en vertelde van het binnenterrein van zijn bouwwerk, waar ‘nooit een politieman zou mogen komen’, maar dat wel vier ingangen kende die altijd open stonden, al twintig jaar. De curator bracht in dat hier de overheid de vrijheid van het zwakke beschermde en zijn rol van ‘nachtwakerstaat’ op zich nam. De verwijzing van Broekman naar het gedwongen verblijf van Ayaan Hirshi Ali gedurende de bedreigingen aan haar adres op de eilanden, in het Marine-etablissement, bracht Kloos in verwarring, die dacht dat bunkers in het spel waren en die vertelde hoe hij vanuit zijn raam bij ARCAM op de commandantswoning uitkeek waar Ayaan verbleef. "Ze woonde er schitterend, in een prachtige villa, aan het water, omringd door groen!" Daalder verwees naar de activiste LaDonna Redmond, die in de ghetto’s van West-Chicago groenten in moestuinen was begonnen te kweken. "Waarom de ommuurde ‘vrijdenkplaatsen’ alleen voor bedreigde kunstenaars bestemmen? Waarom niet voor het kweken van groenten en andere vrije initiatieven?" Jeroen, die ook in het Vierwindenhuis woonde, vertelde hoe de bewoners de inrichting van de eilanden het liefste zagen. Het klonk alleszins redelijk en sloot in veel opzichten op het ontwerp van Karres en Brands aan. Ze hadden moeite met de wijze waarop het stadsdeelbestuur de eilanden zag en hoopten op een nieuw bestuur met andere inzichten. Hij verwees naar de vrijplaatsen langs de Dijksgracht. Die vond hij in orde, hij noemde ze vrijplaatsen en hoopte dat ze zouden blijven.

In de loop van de avond begonnen de aanwezigen steeds meer te begrijpen dat de maquette geen plan verbeeldde, maar heel iets anders. Er ontspon zich een gesprek waarbij hele praktische zaken werden afgewisseld met de meest abstracte filosofische redeneringen. Fons Elders miste bijoorbeeld een filosofische basis onder de ideeën rond vrijheid in het ontwerp waardoor alles aanvechtbaar was en uiteengeslagen kon worden, terwijl de curator vroeg of we niet ergens op de eilanden zouden kunnen beginnen met het autovrij maken. En als de bewoners er niets voor voelden, zouden we het ontwerp dan niet kunnen realiseren op de eilanden van IJburg Tweede Fase? "Stel je voor, 8000 huishoudens zonder auto voor de deur, overal kinderen spelend op straat, op elke hoek weer een winkeltje of een kroeg, een Vlieland-gevoel voor de kust van Amsterdam, tien Blijburgen erbij!" Wiebe Eijbers verwees naar het GWL-terrein in Westerpark. Ook daar was de auto radicaal uit de buurt gehaald. Het kan! Tuinen waren ervoor in de plaats gekomen, en café restaurant Amsterdam. Al tien jaar wonen de mensen daar zeer tevreden. Vrolijk eindigde de avond met een commentaar van Remco Daalder op alle ideeën. Daarmee sloot hij de cirkel die hij twee uur eerder geopend had.

Tagged with:
 

Oprecht

On 23 oktober 2009, in stedelijkheid, wonen, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 22 oktober 2009:

Het verschil met de avond tevoren kon nauwelijks groter. Bezochten gisteravond ruim honderd kunstenaars de Vrijstaat om hun plek op te eisen in de stad, nu zat er een tiental dak- en thuislozen zonder – inderdaad – een dak boven hun hoofd. Zij eisten helemaal niets. Ze hadden niets te eisen. Ze vroegen alleen maar om een warme ruimte in de winter om in te slapen. Douchen konden ze inmiddels dankzij de Regenboog acht jaar geleden begon; daardoor stonken ze niet meer zo, vertelde Youssef. En er was meer te eten. Youssef was ambassadeur van Belangenbehartiging Amsterdamse Dak- en Thuislozen (BADT). Zelf trok hij al eenentwintig jaar van tehuis naar tehuis – er zijn er zo’n tien in de stad. Omdat hij daarvoor had gekozen. In het Beatrixpark begon hij zijn dag, mediterend, tussen de bomen, planten en dieren. Zo verzamelde hij energie om aan de dag te kunnen beginnen, dan trok hij de stad in – de negentiende eeuwse wijken en het centrum -, zoals hij zei. De stad was voor hem gewoon natuur. De mensen die hij op straat observeerde waren niet anders dan de dieren. Hij deed me denken aan Quinn, de hoofdpersoon uit City of Glass van Paul Auster. "New York was voor hem een onmetelijke ruimte, een labyrint met talloze gangen, en hoe ver hij ook liep, hoe goed hij de buurten en straten ook leerde kennen, de stad gaf hem altijd weer het gevoel dat hij was verdwaald." Ooit was Youssef moslim in Algerije, nu geloofde hij in de heelheid van het universum. Ineens ging zijn mobieltje af. Iemand wilde hem spreken. Toen bleek dat hij ook nog een eigen website had, ontwikkeld door de Rietveld Academie, waarop hij verslag doet van zijn omzwervingen door de stad: www.ikbenalles.nl. Het was het begin van een fascinerende reeks gesprekken.

Want na Yousef sprak Andy. Twee jaar geleden had Andy weer een huisje bemachtigd in Oud-West, na vele jaren omzwervingen door de stad – een zwervend bestaan dat ooit begon na de sloop van zijn woning door de woningcorporatie, een ingrijpende gebeurtenis die hem destijds in een caravan buiten de stad deed belanden. Daar was de ellende pas werkelijk begonnen, want de caravan bleek koud, te koud. "Woningcorporaties, dat zijn boeven, meneer! Die moet u als gemeente beter in de gaten houden!" Andy kwam oorspronkelijk uit Egmond. Liefst wilde hij weer de stad uit, naar zee. Maar het vrijwilligerswerk dat hij nu deed hield hem in Amsterdam gevangen. Hij vond de drukke stad maar niets. Vooral het openbaar vervoer vond hij slecht; om de haverklap vielen de trams en treinen uit. Andy reisde best veel, maar z’n ov-kaart werkte vaak niet en vaak deed hij uren langer over zijn reis dan gedacht.

Na Andy kwam Marieke. Ze woonde sinds enige tijd weer op een vast adres, in de Rivierenbuurt. Zesendertig jaar had ze door de stad gezworven. Het was allemaal begonnen met een echtscheiding. Met haar kindje belandde ze op straat. Ze was zwak van gezondheid, maar de lucht in de Rivierenbuurt was beter dan waar ook in de stad. Dat had ze ontdekt toen ze bij een kennis op zolder mocht logeren. Het was beter nu. Net als Andy wilde ook zij het liefst de stad uit. Ze hield van het kleinschalige, van rust. Alleen de historische stad vond ze mooi, de rest mochten ze van haar afbreken. Nieuw-West en Zuidoost vond ze verschrikkelijk en onmenselijk. Haar relaas werd abrupt onderbroken door Rob, die, geheel in het zwart gekleed en met een grote zwarte hoed op waaronder donkere haren wapperden, op skates het podium opkwam. Voor zich uit hield hij een gele bon van de politie. "Alweer een boete voor slapen in het park!", riep hij verontwaardigd uit. Hij wilde alleen maar in de open lucht slapen, want hij hield van vrijheid. Hij had een stekje in het Westerpark, maar de politie slingerde hem steeds weer op de bon. Al vele malen was hij in de gevangenis beland. Omdat hij buiten sliep. Soms sliep hij in Westpoort, maar ook daar werd hij verjaagd. Achter uit de zaal riep Ferry dat hij maar niet begreep dat de dak- en thuislozen alleen straf krijgen en nooit eens een beloning. "Die straf kan ik best dulden wanneer ik op zijn tijd ook eens een beloning krijg, maar die krijg ik niet – de politie straft ons alleen maar, voortdurend!"

Max Pam verzorgde een intermezzo. Hij sprak een column uit over zogenaamde ‘clochard-reizen’ die een Nederlands reisbureau ooit organiseerde voor rijke Nederlanders naar Parijs. "Voor types als Herman Heinsbroek, de voormalige minister van Economische Zaken namens de LPF, die niet in een dienstauto wilde rijden, maar in zijn eigen Bentley." Hoever kan je gaan als je je als rijke verveelt? Voor deze ervaringsindustrie is niets te dol. Maar, vroeg Pam zich af, ervaar je wel het daklozenbestaan wanneer je een paar dagen optrekt met daklozen en met hen slaapt onder de brug? Natuurlijk niet. Want er is altijd weer het bed thuis, met alles erop en eraan.

Een tweede intermezzo werd verzorgd door twee dakloze schrijvers, ze waren leden van ‘Kantlijn’ die ook de kopij voor de achterkant van de daklozenkrant verzorgde. Andy, afkomstig uit Plymouth maar al zesentwintig jaar in Amsterdam, droeg voor uit eigen werk. Omdat hij Albert Camus aanhaalde en ik daar iets van zei, raadde hij mij aan die Franse auteur toch eens te lezen. Daarna was het de beurt aan Esther. Ze droeg een mooi gedicht voor over het zwoegen. Als metafoor. De voordrachten gingen over verhalen vertellen, over je leven als verhaal, en over dromen.

De architect Friso ten Holt vertelde op het laatst hoe hij tien jaar geleden in aanraking kwam met de huisvestingsproblemen van de Amsterdamse dak- en thuislozen. Op Steigereiland had hij een voorziening gebouwd. Het erge, zei hij, was dat de overheid indertijd niet durfde te zeggen dat het voor dak- en thuislozen was bestemd, omdat zij vreesde dat de buurt de bouw ervan dan zou verhinderen. Achteraf was er veel ophef over ontstaan, terwijl de overlast overigens reuze meeviel. "Waarom doen we dit? Waarom verhinderen wij met z’n allen dat deze mensen ergens kunnen slapen?" Hij had een maquette meegebracht van een camping voor daklozen. De plekken waren op een etage boven de grond in twee rondingen geparcelleerd, met een afdak erboven en met veel ruimte om zelf in te richten – een soort casco dus. Onder het platform konden werk- en ontspanningsruimten worden gesitueerd, zei hij. De aanwezige daklozen juichten en klapten, al was er ook commentaar: waarom alles in één complex ondergebracht? Het was juist zo prettig of althans helemaal niet erg voor de daklozen als ze de ene plek naar de andere moesten reizen.

Ten slotte speelde Ferry op zijn gitaar. Simon and Garfunkel. Mooi. We pakten onze spullen en verlieten de Vrijstaat, alles overpeinzend. Er lag mist over het IJ. Het was al koud. Stel je voor, dacht ik, dat je nu buiten moest slapen.

Tagged with:
 

Braaf, vol vuur en nostalgisch

On 22 oktober 2009, in kunst, stedenbouw, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 21 oktober 2009:

Het waren allemaal ‘brave ambtenaren’ die aan het woord kwamen op de avond die was georganiseerd door Rietveld Landscape en Atelier De Lyon. Onderwerp: tijdelijkheid als strategie: Westpoort als creatieve vrijhaven. Wim Vlemmix van Haven Amsterdam liet in een korte presentatie zien hoe HA omgaat met kunstenaars in Ruigoord en op de ADM. Vervolgens liet hij zien welke nieuwe initiatieven in het havengebied worden geaccommodeerd, zoals het REM-eiland dat volgend jaar naar de kop van de Minervahaven wordt gesleept, en welke niet en waarom niet. Het goede nieuws van het initiatief om in de Minervahaven een grote loods toe te voegen aan het arsenaal Vrijplaatsen liet Vlemmix aan Ronald Rietveld om te vertellen. Hoe genereus kan de haven zijn. En hoe ingenieus kunnen de kunstenaars zijn?, vroeg Vlemmix zich af. Er valt te praten met Haven Amsterdam, maar het bedrijf moet wel als havenbedrijf kunnen blijven draaien. Ook Rob Vooren, projectleider vanuit de gemeente voor het NDSM-gebied, toonde zich, toen hij door moderator Chris Keulemans werd ondervraagd over de vrijheid die kunstenaars nog werd geboden in de nieuwe plannen, alleszins redelijk en vroeg om begrip. Voor de kunstenaars, die spontane initiatieven wilden op verrassende plekken, was het lastig door al deze braafheid en redelijkheid heen te breken. Mooie voorbeelden van hun werk kregen we te zien, daar niet van: Damoclash op de ADM, het zomerse Openluchtfilmfestival op het Stenen Hoofd, Gecekondu in de Tsaar Peterstraat, Robodock op de ADM en later in de NDSM. Ze waren allemaal spontaan, origineel, buiten het alledaagse tredend, vaak ook bere-gezellig, met veel drank en stuf.

Maar ondertussen was het experiment van de Stubnitz alweer de nek omgedraaid. Vanwege de regelgeving. En de kunstenaars vonden de nieuwbouw in het Oostelijk Havengebied maar niets; een dooie boel. Keer op keer kwam de kaart terug van het verleden, toen al die vrijplaatsen, met Vrieshuis Amerika bovenaan met stip, het centrum van de Vrijstaat waren. Waar was die goede oude tijd gebleven?

Maik ter Veer, initiatiefnemer van Robodock, was het beu. Ook na een half jaar sabbatical in het buitenland had hij de energie niet terug die hij verloren was geraakt door de tegenwerking van de gemeente. Vol vuur prees hij nog één keer zijn Robodock aan. Hij wilde niet nog een keer verhuizen met zijn festival, hij had geldgebrek, hij wilde een plek aan het IJ, hij wilde een eigen gebouw, hij wilde eindelijk rust. Een maquette werd voor het podium gezet. Het bleek een gestrekte hal naar het voorbeeld van de ADM. Kunstenaars uit de hele wereld zou worden gevraagd een gevelelement te ontwerpen, waardoor de gevel ‘out of control’ zou zijn. In de hal zou een werkplaats komen waar de gevelelementen werden vervaardigd. Zo zou het gebouw groeien en onderdak gaan bieden aan festivals en tal van activiteiten. De hal leek op het Fun Palace van Cedric Price (1961), even eerder op de avond vertoond door Hans Vermeulen van DUS architecten. Gaat de gemeente deze man helpen zijn droom te verwezenlijken?, vroeg Keulemans aan de curator. Wat moest deze zeggen? De hele zaal zat vol kunstenaars die graag iets in de stad willen doen, op mooie plekken, voor weinig geld, liefst zonder regelgeving, spontaan, niet gehinderd door wie of wat dan ook. Hier werd een belang verdedigd door een eisende groep. En was het iedereen uiteindelijk niet te doen om een vaste stek? "Als de gemeenteraad positief beslist, dan krijgt Ter Veer zijn kunsthal; we leven in een democratie," antwoordde de brave ambtenaar. Keulemans ging nog verder: "Kan het principe van de Gecekondu – wat in één nacht stiekem is opgebouwd, mag van de autoriteiten blijven staan – ook van toepassing worden verklaard op Amsterdam?" Geen tijdelijkheid dus, maar vaste rechten via de route van de anarchie. Is dat de Vrijstaat? Willen we, was het ontwijkende antwoord, slums in Amsterdam? De afschrijvingstermijn van ontwikkelaars is nog maar 16 jaar. Nog even en ze bouwen inderdaad slums. Eric de Lyon stelde voor dat de gemeente een kaart produceert met alle lege plekken die voor tijdelijk gebruik door kunstenaars kunnen worden gebruikt. Een officiële kaart voor tijdelijkheid. Was het werkelijk tijdelijk? Keulemans, die zelf de Tolhuistuin van de gemeente had gekregen voor de duur van vijf jaar, bekende dat hij nu al in onderhandeling was met de gemeente om de termijn te verlengen. "Terecht zegt de gemeente: vijf jaar is vijf jaar." Maar afgaande op de avond leek de kaart van De Lyon inderdaad een verborgen agenda voor vaste rechten, kostenloos.

Het sluimerende ongenoegen van de kunstenaars kwam helemaal aan het eind van de avond pas goed naar boven. Een van hen stond op en maakte van zijn hart geen moordkuil: de hele avond had hem zo onrustig en boos gemaakt. Waarin, vroeg Keulemans, school dan zijn ongenoegen? Nou, verzuchtte hij, dat het allemaal maar tijdelijk was.

Tagged with:
 

Meer dan wonen alleen

On 22 oktober 2009, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 20 oktober 2009:

Volgens Reimar von Meding, architect bij KOW architecten te Rotterdam, moet Amsterdam de ‘woonculturele hoofdstad van Europa’ worden en Hetty Willemse, raadslid voor de PvdA, beschreef hoe haar familie van de Jordaan naar Niew-West verhuisde, daarmee de Amsterdamse wooncultuur van de twintigste eeuw schilderend. Haar voordracht, getiteld ‘Wie is de Wibaut van de 21ste eeuw?’, refereerde aan de nieuwe woonopgave in Amsterdam, met aandacht voor architectuur en welstand. Woenen dus. Jeroen Slot, het gezicht van de dienst Onderzoek en Statistiek, schetste het dubbele gezicht van Amsterdam in de afgelopen tien jaar: aan de ene kant "een milde vorm van gentrificatie", aan de andere kant zittende Amsterdammers die moeite hebben om mee te komen. Je kon dat vooral aflezen aan de kinderen in de leeftijdscategorie tussen 1 en 18 jaar; alle problemen kwam je daar tegen. Het was, kortom, vooral weer het wonen dat de PvdA centraal stelde in haar eigen toekomstavond in de Vrijstaat Amsterdam. Wonen, al zei iedereen dat het de partij "om de mensen ging."

Leon Deben echter, gewaardeerd stadssocioloog, bepleitte aandacht voor de openbare ruimte. Hij hoopte dat de rode loper tussen Centraal Station en de RAI een echte lommerrijke flaneerboulevard zou worden, net zoals de Parijse boulevards eind negentiende eeuw in de eerste plaats voor de stedelijke flaneur waren ingericht. In de zaal rees protest. Waarom weer naar Zuid? Waarom niet naar West? En een culturele ondernemer wees op de bezoekers die de stad frequenteerden: de stromen toeristen en de expats. Ook die hadden baat bij goed ingerichte openbare ruimte en gastvrijheid. Niet alleen de bewoners dus moesten bij de PvdA in de gunst vallen. De stad was ook van de bezoekers.

De curator haakte er na de pauze op in. Waarom niet vooral aandacht voor de stedelijke voorzieningen? Voorzieningen voorzien in de behoeften van mensen. En zonder voorzieningen is er geen sprake van stad. Sommige delen van de stad zijn echter nog altijd verstoken van voorzieningen. Om er voorzieningen te krijgen moeten er meer mensen wonen en meer toeristen door de straten gaan. De woonagenda en de openbare ruimte-agenda staan daarmee uiteindelijk ten dienste van de voorzieningen. Alleen zo krijg je een levendige stad.

Het werd beaamd. Godelieve van Heteren, moderator van de avond en schrijver van het partijprogramma, kon het zo noteren. Milde gentrificatie, openbare ruimte, bezoekersstromen, voorzieningen èn een unieke wooncultuur, daarop zou de PvdA zich moeten profileren bij de komende verkiezingen. Van Meding sloot af met een schitterende one-liner: ‘wij willen de Vrijstaat Nu!’

Tagged with:
 

Onschuldig

On 19 oktober 2009, in filosofie, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 16 oktober 2009:

Karl Marx geloofde dat de machine de mens zou bevrijden. Kennelijk dacht Aristoteles dat ook al. De huisfilosoof van bureau B+B landschapsarchitectuur, Ton de Munck, gaf gisteravond in de Vrijstaat een beknopt college over luiheid. Aanleiding: het ontwerp van B + B voor de Sloterplas, getiteld ‘Luilekkerland’. De kern van zijn betoog: luiheid is altijd door machthebbers bestreden. Ze zou maar leiden tot ledigheid, dankzucht, het te buiten gaan aan verderfelijk, amoreel gedrag van ‘het gewone volk’. Gewerkt moest er daarom worden!

Inderdaad is het vreemd dat wij steeds langer en harder (moeten) werken, terwijl we allang geen gebrek meer lijden en we een groot deel van de tijd vrijgesteld zouden kunnen zijn van arbeid. Waarom dan toch doorwerken, straks tot 67 jaar? Ik moest denken aan Peter Sloterdijk, die vermoedt dat we voor het lapje worden gehouden. De angst voor ledigheid is zo groot en de arbeidsmoraal – de Amsterdamse humanist Coornhert zou met zijn werkhuizen hiervan de aanstichter zijn geweest – is zo diepgeworteld, dat we harder zijn gaan werken dan ooit. Voortdurend wordt er geschermd met crises – om ons aan te zetten tot nóg harder werken. Adorno zou ooit de Odyssee van Homerus hebben aangehaald om dit verschijnsel historisch te duiden. Immers, op last van Odysseus moesten de soldaten was in hun oren stoppen en heel hard doorroeien om het verleidelijke gezang van de Sirenen niet te horen. Zelfbeheersing dus, hard doorwerken, niet toegeven aan de verleidingen van de luiheid. Dat is waartoe de leiders ons oproepen; anders dreigen er ontsporingen, en perverse sex. Zelfs een architect als Le Corbusier bouwde in zijn architectuur een orde in, die de vrije tijd strak indeelde. De angst voor ledigheid werd ‘s avonds treffend geïllustreerd door beelden van een sketch van Arjan Ederveen en Tosca Niterink die als gezin, met kind en hond, op zielloze wijze de Tilburgse kermis bezoeken, veel geld spenderen, vies eten en op het eind doodongelukkig zijn. Dat is het beeld, veel mensen zijn eenvoudig niet in staat de hun gegeven vrije tijd op zinvolle wijze te besteden.

De lezingenzaal van de Vrijstaat was door B+B in twee zalen opgedeeld. Was een presentatie in de ene zaal afgelopen, dan volgde een pauze, waarna in de andere zaal de volgende lezing begon. Tijdens de pauzes werden zoete cocktails geschonken, maar ook prosecco, en er kon naar hartelust worden gesnoept. Eerst vertelde Masha Onderwater over hoe men via beelden van het Paradijs bij Luilekkerland was gekomen. Het college over de filosofie van de luiheid, hierboven in verkorte vorm weergegeven, werd gevolgd door een presentatie door drie jonge moslima’s uit Nieuw-West, die rond de Sloterplas mensen hadden geïnterviewd in het kader van hun ‘creative urbans’-programma. Hun observaties waren typerend. Een van de jongens die ze hadden ondervraagd over wat zij verstonden onder luilekkerland, had geantwoord: ‘heel veel naakte meiden.’ Waarop de zaal het filosofische vraagstuk in een klap begreep. De vrolijkheid en de onschuld werden naar een hoogtepunt gevoerd in de vierde, tevens laatste presentatie van Daniëlle Huls, die uitlegde hoe het verlichtingsplan voor de Sloterplas was gedacht. Maar toen bleek dat de bewonersorganisatie rond de plas van het stadsdeel gedaan had weten te krijgen dat de openbare verlichting rond het park om elf uur ‘s avonds werd uitgedaan. Vanwege de vleermuizen! Vrolijkheid alom. Het procedé en de proefopstellingen voor de maquettebouw waarover Daniëlle vervolgens vertelde waren ronduit hilarisch. Dronken van lichtheid, onschuld en vrolijkheid verlieten we de zaal, één illusie armer. Ligt de Vrijstaat werkelijk buiten ons bereik?

Tagged with:
 

Aandachtig

On 18 oktober 2009, in duurzaamheid, voedsel, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 15 oktober 2009:

Zelden vertoond. Een gezelschap van zeker tachtig mensen staat anderhalf uur rond een maquette, geduldig, aandachtig, met elkaar pratend en luisterend over de toekomst van de Amstelscheg. Waar is dat ooit eerder vertoond? Waarover het gezelschap sprak? Over voedsel. Over volkstuinen. Over het veenweidelandschap rond de Amstel aan de zuidkant van de metropool. Wouter Veldhuis van het bureau MUST stedebouw lichtte het ontwerp van het bureau toe van de Amstelscheg vanuit het perspectief van vrijheid. Eerst liet hij beelden zien van de ingrijpende verstedelijking van de Amsterdamse regio in de afgelopen eeuw. Zijn boodschap: de Amstelscheg is weliswaar gespaard gebleven, maar is als landschap allerminst veiliggesteld. MUST ontwierp een landschap dat terugvecht, dat wordt teruggerestaureerd naar de zeventiende eeuwse toestand en waar voedsel wordt gekweekt ten behoeve van de stad.

Even dacht nog een vertegenwoordiger van LTO Nederland, zelf melkveehouder in de Rond Hoep, dat we hier met het zoveelste plan voor de Amstelscheg te maken hebben. “Al die visies, al die plannen, en dat terwijl we een paar jaar geleden met de bestuurders hebben afgesproken hoe we de komende jaren zullen omgaan met het Amstellandschap. Maar de inkt was nog niet droog of de gemeente Amstelveen kwam met een golfbaan aanzetten; ook de gemeente Amsterdam kan er wat van. Alleen de gemeente Ouderamstel houdt zich aan de afspraken. Het zijn de bestuurders die onbetrouwbaar zijn. Dáárdoor verrommelt het landschap.” Hij besefte niet dat het hier geen plan betrof, maar een idee van vrijheid waarover mensen in alle vrijheid van gedachten kunnen wisselen. Vrij breed leefde trouwens het idee dat alles bij het oude gelaten moet worden, dat we de ontwikkelingen moeten stoppen, dat alleen de bestuurders onbetrouwbaar zijn. Gek. Alsof we niet in een democratie leven en bestuurders geen vertegenwoordigers van het volk zijn, alsof er geen raden zijn, alsof de bevolking het niet voor het zeggen heeft. Natuurlijk, we zijn hier in het zuiden van de metropool, waar de mensen behoudend zijn en liefst niet willen veranderen, terwijl juist hier de ruimtelijke ontwikkelingen het heftigst zijn. Je ziet het ook in Buitenveldert. Het verzet tegen verandering is daar het grootst. Maar ondertussen wordt er wel een Zuidas gebouwd. Alsof die Zuidas geen effect zal hebben op de omgeving. En hoeveel boeren zijn er nog over in de Amstelscheg? Vijf! Hoeveel waren dat er tien jaar geleden? Vijftien! Hoeveel zijn er nog over in 2020? Drie? Twee? Een? Iemand in het publiek vond drie nog wel genoeg. Niets aan de handa.

Tijdens het gesprek veranderde de houding van de aanwezigen. Het gesprek werd opener, vrolijker, aangenamer. Eerst moesten we nog een fase van praktische bezwaren door. Met name tegen de alternatieven voor de volkstuinen – eenjarige uitgifte bij loting, waarna in de winter de polder onder water wordt gezet – kwam van de aanwezigen veel verzet. Je kon de volkstuinen in de drie droogmakerijen binnen de scheg niet eenjarig uitgeven; veel planten hebben een langere cyclus; en waar waren de toiletgebouwen? Waar kon je je tuingereedschap opbergen? De polders ’s winters onder water zetten kon sowieso niet. Enzovoort. Wouter Veldhuis hoorde het geduldig aan.

Daarna kwam de fase waarin vragen werden gesteld. Betrof het een park? Of een landschap? Was het landschap niet groter? Waaruit bestond de omlijsting van het park? (Veldhuis: een verhoogde dijk waarover je kon wandelen en het landschap in je opnemen).

Daarna liet MUST haar gasten aan het woord: eerst de LTO-boer, vervolgens een dame van de volkstuinvereniging, groot 8 hectare, ten zuiden van de A9 die verdreven werd door op handen zijnde villabouw die de ondertunneling van de A9 moet helpen financieren, toen een wijnboer in de scheg (sic!) die de klimaatverandering aangreep voor een toekomstvisie op de scheg waarbij het hele Amstelgebied zou veranderen in een Moezelvallei, vervolgens de eigenaar van restaurant De Kas die het verwerken van voedsel uit de regio – de Beemster – wel ‘ploeteren’ vond, de eigenaar van restaurant As op de Zuidas en de dame van Mijn Boer, een bedrijf met negen medewerkers dat de groenten uit de regio naar de restaurants transporteert. Een klant merkte op dat de tomaten in As zo lekker smaakten. Deze tomaten bleken “helemaal uit Osdorp te komen”. Waarna Ed Buijs van de DRO vertelde over de tomatenkas in Osdorp, die eerst een rozenkas was geweest en in verval was geraakt, waarna het stadsdeel had overwogen er een caravanstalling in te huisvesten of anders te slopen, maar die wethouder Van Poelgeest op zijn weg vond, die het verhinderde omdat hij de Tuinen van West wilde maken, en hoe toen een tomatenkweker zich had aangediend, die zich over de leegstaande kas wilde ontfermen. Met dank aan de de overheid, dus aan de Centrale Stad.

Hoe dan ook, vooral door de kleine schaal, maar ook door de veenweide, was het verwerken van regionaal voedsel ploeteren geblazen. Maar de boer kreeg wel 80 cent voor zijn melk, in plaats van 20 cent, merkte iemand op. De boer antwoordde dat hij alleen bij een zekere afzet bereid was voor de stad te produceren. “Elke maand wil de bank geld zien.” Dat deed hij dus ook als hij minder kreeg dan de 40 cent die hij nodig had om uit de kosten te komen. Schaalgrootte, daar ging het om. Was een marktsysteem met verse groente en fruit in Amsterdam een oplossing? Zeker, dat was in Barcelona bewezen. Daar was door de introductie van zeker dertig dagmarkten het verkoopaandeel verse voedsel in de stad verdubbeld, naar liefst acht procent (in Amsterdam is dit nog twee procent). Enzovoort. Het gesprek eindigde met hapjes uit de regio. En wijn. Witte wijn uit de Amstelscheg. Ze smaakte goed. Zeer goed zelfs.

Tagged with:
 

Fel realistisch

On 15 oktober 2009, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 12 oktober 2009:

Het werd een vrolijke avond. Sterker, ik heb zelden zo gelachen. Ditmaal trad de Dienst Infrastructuur, Verkeer en Vervoer op als gastheer in de Vrijstaat. Ze deed dat met verve. Het was, zoals Iris van Scheppingen zei, een creatieve máár realistische avond, daarmee impliciet commentaar leverend op het motto van de Vrijstaat: ‘dromen over de stad’. Realistisch dromen dus.

Onderwerp was ‘de autoluwe stad’. Veel hoefde daarover niet gedroomd te worden, want de gedroomde autoluwe stad was al gerealiseerd, zo bleek. De twee ontwerpbureaus die DIVV had ingeschakeld, hadden hapsnap mensen geënqueteerd en waren eensluidend tot de slotsom gekomen dat de inwoners van Amsterdam de auto wel voldoende uit het straatbeeld teruggedrongen vonden en dat ze niet zaten te wachten op nog minder bewegingsruimte voor hun auto in Amsterdam. Toen avondvoorzitter Maarten Voster bij handopsteking vroeg hoe het met de zaal zat, bleek maar een enkeling de auto te gebruiken in de twee straten die de avond voorwerp van studie waren: de Van Woustraat en de Weteringschans-Frederiksplein. Massaal gebruikte men de fiets. Autoluw dus.

Fel realistisch ook. En toch werd er gedroomd. Voor de Van Woustraat had bureau B+B in opdracht van DIVV een nieuwe inrichting ontwikkeld waarbij het deel tussen de Lutmastraat en de Ceintuurbaan een dertig kilometerzone was geworden. Overal waar zijstraten op de Van Wou uitkwamen waren pleintjes gemaakt, met ruimte voor bomen en terrassen. Parkeren van de auto kon alleen op bepaalde tijden, op de stoep. De stoep zelf was aanzienlijk verbreed. De tram reed net als in de Leidsestraat op één spoor in de middenbaan. Mooi.

Het andere bureau, DS landschapsarchitecten, had over het oude bolwerk van de Weteringschans een groene route gemaakt, deel uitmakend van een Groene Ring om de binnenstad. De parken van het Weteringcircuit en het Frederiksplein waren verbonden door lommerrijke fietsroutes. Het Frederiksplein was aan het Westeinde tot een rotonde gevormd en het autoverkeer ging niet langer voor DNB langs, maar moest, net als ten tijde van het Paleis voor Volksvlijt, langs de randen van het plein rijden; de fietsers en de tram daarentegen konden nog altijd rechtstreeks richting Sarphatiestraat. In de vele tramhaltes rond het Frederiksplein had men gesnoeid; zo bleef er één halte over vóór DNB, met zicht op de mooie fontein, alwaar men zich een uitspanning had gedacht. Ook mooi.

De pret zat hem in de wijze waarop Maarten Voster de zaal betrok in de discussie. Eerst mochten we alleen maar goede dingen over de ontwerpen zeggen, vervolgens moesten we de ontwerpen nog mooier maken; daarna moesten we de nadelen opsommen, en tenslotte moesten we ons gevoel laten spreken. Zelden hoorde ik een groot gezelschap zoveel plezier met elkaar maken over een onderwerp waarover burgers zich zo kunnen opwinden. Stel je voor dat de beide stadsdelen – Oud-Zuid en Centrum – de twee straatontwerpen in de inspraak hadden gebracht die avond, dan was de Tolhuistuin te klein geweest. Nu was er een open gesprek mogelijk over de inrichting van stadsstraten en konden alle voor- en nadelen van autoluwe oplossingen met alle betrokkenen, met humor, worden besproken. DIVV heeft daarmee een hele mooie bijdrage geleverd aan de Vrijstaat. Zo’n avond, daarvan kun je alleen maar dromen.

Tagged with:
 

Niet pretentieus

On 15 oktober 2009, in filosofie, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 14 oktober 2009:

Vijf filosofen maakten, onder het goedkeurende oog van een rustig, belangstellend publiek, hun opwachting in de Vrijstaat. Alle vijf bleken in Amsterdam te wonen – de Nieuwmarktbuurt, de Jordaan, Bos en Lommer, Slotervaart, Noord), twee werken in Rotterdam en een werkt in Leusden, aan de Internationale School voor Wijsbegeerte. Elk sprak een kwartier. De betogen werden slechts afgewisseld door korte vraaggesprekken. Zonder dat de hartstochten al te zeer opspeelden, verstrooiden zij de zaal en zetten zij aan tot nadenken. Rene Gude, de filosoof uit de bossen bij Leusden, sprak over de jager-verzamelaar die honderdvijftigduizend jaar geleden besloot te gaan wonen in de stad. Uit verveling. Hij had genoeg tijd om te dromen. De toren van Babel kwam eruit voort. Een mislukking. Er zijn, zei hij, tijden geweest waarin de mens besloot zich weer terug te trekken uit de stad en deze te verruilen voor de savanne. Het dier ‘mens’ is ook niet op de stad gebouwd; genetisch past hij beter bij de savanne. "We hoeven ook niet in de stad te wonen. We kunnen zo weer besluiten de stad te verlaten."

Daarna sprak Hans Kennepohl over vertrutting. Het betrof een column die hij drie jaar geleden uit frustratie had geschreven. Nog steeds was hij boos en cynisch. Dat kon je aan zijn stem horen. Eén stadsbewoner kan elk spontaan initiatief in de kiem smoren door zich te beroepen op een wereld aan regelgeving. Eind van het liedje: "De dwaas liep met een fietslampje op de Dam. “Ik zoek Amsterdam!”. De mensen met hun boodschappentassen stopten even. “Wij hebben Amsterdam gedood! Jullie en ik!” Maar de mensen vonden het maar een beetje raar en keken liever naar het levende standbeeld." Even later verklaarde hij zich: "De algehele leefregel op dit moment is: je mag doen wat je wilt, zolang de ander er maar op geen enkele wijze last van heeft. Maar in een stad leidt dit tot de monomane terreur van het gestoorde mannetje dat zes huizen verderop geluidsklachten ondervindt." Zijn voorstel was geen oplossing, maar een filosofische hartekreet: "Op elk huisadres in Amsterdam mag één keer per zoveel jaar een feest worden gegeven. Tot zes uur ‘s ochtends en gewoon lekker geluid dat twee muren mag doorklinken. Vooraf moet daarvoor op stadhuis een ontheffing worden aangevraagd, buren moeten een maand van te voren op de hoogte zijn en als het even kan moeten de buren welkom zijn."

Vervolgens trad Patricia Pisters voor het voetlicht. Zij had in Parijs gestudeerd, maar gaf de voorkeur aan wonen en werken in Amsterdam. Ze vond Parijs maar een harde stad, en helemaal niet open. En, vertelde ze, al haar internationale collega’s willen heel graag naar Amsterdam komen; de stad werkt als een magneet. Zelf woont ze in Slotervaart, al zes jaar. Ze waardeert het gemengde karakter van de buurt, het is allesbehalve een banlieu. Maar ze zou het verschrikkelijk vinden wanneer Slotervaart zou veranderen in een islamitische wijk. Ze hield daarom een lofzang op diversiteit. De Noord/Zuidlijn vond ze verschrikkelijk. Waarom zo diep graven in de grond? Liever had ze een zweefbaan door de stad. En ze citeerde Gilles Deleuze en Guattari (1987), die Amsterdam als voorbeeld hadden genoemd van een rhizomatische stad: "Wij zijn de boom moe. We moeten niet meer in bomen, in wortels of in haarwortels geloven, we hebben er genoeg onder geleden. De hele boomcultuur is op hen gebaseerd, van de biologie tot de linguïstiek. Alleen onderaardse stengels en luchtwortels, wildgroei en rizoom zijn mooi, zijn politiek en worden verliefd op elkaar. Amsterdam: stad zonder wortels, rizoom-stad met haar stengel-grachten, waar het nut in zijn verhouding met een handelsoorlogsmachine zich met de grootste waanzin verbindt." Amsterdam is het tegendeel van een boom, een hiërarchische stad, het is een hele complexe stad.

Na de pauze werd het publiek onthaald op een betoog van Gijs van Oenen. Van Oenen bedrijft ‘praktische filosofie’, dat wil zeggen: volgens hem moet filosofie aangrijpen bij alledaagse gebeurtenissen. Zo had hij zich in het verleden verdiept in het fenomeen ‘gedogen’. Hij was, zei hij, een expert in gedoogfilosofie. Zijn historische overzicht van de Vrijstaat Amsterdam begon met de kabouters en hun Oranje Vrijstaat in het begin van de jaren zeventig. Hij liet zien hoe dit vrijdenken verhardde in de jaren tachtig, bij de krakers, en hoe het, opnieuw, transformeerde in de neoliberale jaren negentig. En dan, rond de eeuwwisseling, ging het ineens mis, het klapte ineen. Afgelopen was het met het gedogen. Gedogen veranderde in schikken. Maar het was geen inschikken meer – ruimte maken voor anderen -, maar juridisch schikken. Het vrije, afwijkende moest worden afgekocht. Typerend vond hij wat dat betreft in het dossier van de Noord/Zuidlijn het fenomeen ‘stelpost’. Erop doordenkend was hij tot de conclusie gekomen dat de stad en het land nauwelijks nog werden bestuurd. De mensen gingen hun eigen gang, ieder volgens zijn eigen waarden en normen. Er werd hoogstens nog regie gevoerd. De feitelijke sturing vond niet meer plaats via raden en colleges, maar door de ruimtelijke ordening. Alleen door de fysieke inrichting lieten mondige mensen zich nog sturen. Op de vraag of hij de stadsontwikkeling niet overschatte, antwoordde hij dat hij zich niet vergiste. De mensen, en zeker de politici, hadden het nog niet door.

Zijn verhelderende analyse van de Vrijstaat werd gevolgd door de laatste spreekster, Leslie Kavanaugh, architecte en filosofe, werkzaam aan de TU Delft. Haar betoog had allesbehalve een praktisch-filosofische inslag. Zij sprak over vrijheid. Eenentwintig jaar geleden had zij, als Amerikaanse staatsburger, asiel aangevraagd in Nederland. Ze was Ronald Reagan ontvlucht. Op de vraag waarom uitgerekend Nederland, antwoordde ze: "Dat is een lang verhaal. Laten we maar zeggen: vanwege de regen." Ze woont en werkt in Amsterdam, naar Delft, zei ze, gaat ze zo weinig mogelijk. En met architecten heeft ze moeite; die tekenen onmiddellijk oplossingen, zonder zich in de vraagstukken te verdiepen. Ze citeerde Spinoza, die al vierhonderd jaar geleden Amsterdam als vrijstaat had getypeerd. Ze begreep niet waarom we er nog steeds niet in geslaagd waren de door hem gedachte Vrijstaat hier feitelijk te realiseren. Ze was op zoek naar ‘radicale democratie’. Die veronderstelde in ieder geval de afschaffing van de bureaucratie en ging veel verder dan de representatieve democratie met al zijn wetten en regels. Zo’n radicale versie van de democratie werd geordend via eindeloos veel kleine, actieve gemeenschappen die samen besluiten namen. Regels werden niet opgelegd, maar van onderop ontwikkeld. Het klonk me behoorlijk rhizomatisch in de oren. Op de vraag wat de grootste belemmering tot het binnentreden van de Vrijstaat is, antwoordde ze: ‘Responsibility’. Mensen kunnen de verantwoordelijkheid niet aan. Ze zijn liever onvrij. Toen was het tijd, want de vergunning van het stadsdeel liep maar tot half elf. En ach, het was ook goed zo. Na afloop, in de kroeg even verderop, werd er nog stevig verder gefilosofeerd. Over de Vrijstaat. Over vrijheid. Over Amsterdam.

Tagged with: