Segregatie in onze steden

On 30 oktober 2019, in ethiek, migratie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘City of Comings and Goings’ (2019) van Crimson:

Afbeeldingsresultaat voor city of comings and goings crimson

Na de enorme onrust over de stroom bootvluchtelingen uit Afrika en het Midden-Oosten, uitmondend in de door Nederland gepromote overeenkomst van de EU met Turkije over opvang in de eigen regio in 2016, besloot het Rotterdamse bureau Crimson een boek te publiceren over hoe West-Europese steden anno nu omgaan met vreemdelingen. Dit jaar – vier jaar na het begin van de Europese crisis – verscheen hun ‘City of Comings and Goings’ bij NAi010 in Rotterdam. In het boek beschrijven de auteurs hoe viif steden omgaan met hun migrantengemeenschappen: Londen, Berlijn, Prato (Italië), Aarhus (Denemarken), Wenen en Amsterdam. In elke stad zochten zij een correspondent die steeds een bij die stad passende invalshoek koos. Let wel, het ging hen niet alleen om vluchtelingen. Ook expats, gastarbeiders, asielzoekers en buitenlandse studenten rekenden zij tot de vreemdelingen die onze Europese steden bevolken. Het boek wordt afgesloten met een catalogus van projecten die de omgang met vreemdelingen in de onderzochte steden typeren. Hoe gaat het tot dusver? Welke positie wordt nieuwkomers in elk van deze steden gegund? Hun onderzoek was vorig jaar, in 2018, al eens onderdeel van de Biënnale van Venetië, toen Crimson exposeerde in de centrale tentoonstelling van de curatoren Farell en McNamara, gewijd aan ‘Freespace’. Nu is er dus het boek.

Wat opvalt na jarenlang onderzoek in de vijf steden is de strikte scheiding die autoriteiten telkens aanbrengen tussen nieuwkomers en ‘normale inwoners’. Deze scheiding  noemt Crimson het directe resultaat van de ‘perverse controlemechanismen’ die de betrokken landen en steden telkens weer doorvoeren, naast de bestaande divergerende invloeden van (gebrek aan) geld, sociale tradities en culturele praktijken. Vooral in Nederland is segregatie dominant, ondanks alle politieke retoriek over integratie van nieuwkomers in de Hollandse samenleving. Het resultaat noemt Crimson een gesegregeerde stad, aangemaakt door een bureaucratie waarbinnen institutionele en commerciële macht effectief maar ongeïnteresseerd worden gekanaliseerd. Ronduit schrijnend vinden zij het waar deze segregatie wordt omgeven met een retoriek van gemeenschapszin, harmonieus samenleven en noodzakelijke integratie. Vooral de lange traditie van planning en stedelijke management achten zij een handicap in het weerbaar maken van onze steden. Liever minder planning en regulering dan meer. Want aan de influx van vreemdelingen, schatten zij, zal geen einde komen. Integendeel, er zullen alleen maar meer migranten op onze rijke steden afkomen. Lezen dat boek!

Tagged with:
 

Steden als vliegvelden

On 28 oktober 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

elezen in ‘Environment and Planning’ van 2006, nummer 38:

Afbeeldingsresultaat voor mobilities urry

In 2006 schreven de Britse sociologen Mimi Sheller en John Urry een uitstekend artikel over ‘The new mobilities paradigm’. Het zou later deel gaan uitmaken van ‘Mobilities’, een boek dat in 2012 het licht zag, drie jaar voor het overlijden van Urry. De hele wereld, noteerden de wetenschappers verbonden aan de University of Lancaster, lijkt in beweging. Mensen, goederen, kapitaal, ziektes, informatie, drugs, macht, toeristen, ze vliegen in een mum van tijd de wereld over, in alle windrichtingen, zonder vaste voet onder de grond. Met name het internet heeft alles in beweging gezet. Deze toenemende beweeglijkheid verhoudt zich slecht met de sociale wetenschappen. Die waren altijd statisch. Neem geografie en planologie. Die gaan nog altijd uit van plaats en plek, van geworteld zijn en van sociale cohesie, dus van fysiek verbanden in buurten, dorpen, steden. Ze problematiseren, nee verzetten zich hevig tegen het vloeibaar worden van alles. Sheller en Urry merken fijntjes op dat ze zich zelfs met de auto, laat staan het vliegtuig, nog altijd geen raad weten. Ze noemen ze sedentair. In alle disciplines echter groeien nieuwe benaderingen en nieuwe theorieën die vertrekken vanuit flux, dynamiek en beweging. Zo ook in de planologie. Al was het maar omdat mobiliteit en communicatie elkaar steeds meer gaan overlappen.

Veel ruimte geven de onderzoekers aan hun beschrijving van luchthavens, waarbij terminals steeds meer op steden gaan lijken, maar ook omgekeerd steden de trekken krijgen van vliegvelden. Mensen zijn mobiel en verblijven ergens tijdelijk. En iedereen maakt daarbij gebruik van gepersonaliseerde apparaten die als een do-it-yourself toegang verschaffen tot wijdere netwerken die soms mondiale ruimten omspannen. Veel persoonlijke gegevens worden gedeeld en iedereen laat zijn of haar sporen achter. Op die manier treden individuen ver buiten hun eigen lichaam. “New mobilities are bringing into being new surprising combinations of presence and absence as the new century chaotically unfolds.” Toenemende beweging structureert het sociale leven. Wie nog in vaste verbanden gelooft en zich blijft verzetten tegen het vloeibaar worden, die gaat het de komende jaren moeilijk krijgen. Alleen sociale theorieën die meebewegen met de ‘mobilities turn’ zullen beklijven. Overigens, een bepaalde geografie blijft bestaan. Dat zijn, aldus Sheller en Urry, de plekken waar al deze mobiliteit wordt bevoorraad en geregeld. Deze commandocentra zijn de nieuwe ‘wereldsteden’. Hier vindt onstuimige ruimtelijke concentratie plaats. Het zijn er maar een paar.

Tagged with:
 

Een tweede stadscentrum

On 25 oktober 2019, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Schiphollijn op dood spoor?’ (1977) van de initiatiefgroep:

Afbeeldingsresultaat voor schiphollijn museumplein

Een bewoner had mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad gelezen. Wij maakten een afspraak. In de kroeg drukte hij me een oranje rapportje in handen. Ik moest het beslist lezen. Mijn toekomstvisie had hem doen denken aan die gestencilde brochure van veertig jaar geleden. Een actiegroep van bewoners had zich tegen het voornemen van de rijksoverheid gekeerd om de aan te leggen Schiphollijn te laten eindigen op het Museumplein. (Ook toen weer lag het Rijk dwars). In 1977 schreef de initiatiefgroep een rapport waarin de nadelen van de Museumpleinoptie breed werden uitgemeten: cityvorming rond het Museumplein verdringt de woonbestemming en leidt tot het zogenoemde ‘Manhattan-effect’. Nee het was erger, het zou de trek uit de stad van wonen en werken continueren, want Amsterdam verloor al jaren inwoners. “Amsterdam blijft uit elkaar vallen. De Museumpleinlijn werkt als een injektienaald die het leven uit Amsterdam wegzuigt.” Daartegenover stelden de bewoners de aanleg van een spoorwegruit om Amsterdam met een station op het ringdijktracé aan de zuidzijde van de stad, zeg maar de huidige locatie van station Zuid. Zij zagen alleen maar voordelen. Bewoners waren niet alleen maar tegen, hier waren ze pleitbezorgers.

Het grootste voordeel van een station Zuid aan een Schiphollijn die onderdeel uitmaakte van een ringlijn over een spoordijk rond de stad was niet alleen dat daar tussen Buitenveldert en Zuid nog veel grond braak lag en dat cityvorming op deze manier de bestaande stad niet zou schaden, ontwikkeling van centrumfuncties bij een eventueel station Zuid zou een ruimtelijke structuur opleveren die leidde tot een tweede centrumgebied, want het centrum van Amsterdam zou hierdoor gesplitst worden. “In de oude binnenstad blijft plaats voor winkels en kleinschalige bedrijvigheid, langs de spoorwegruit kunnen grootschalige kantoor- en bedrijfsfuncties worden geconcentreerd.” Ze meende zelfs dat de grondopbrengsten rond station Zuid konden worden aangewend voor het behoud van sociaal-culturele functies in de historische binnenstad ten behoeve van de bewoners. (Aanleiding was de affaire Bouwes op het Leidseplein, waarbij de gemeente vanwege de hoge grondkosten niet bereid was om aan het alternatieve programma van de bewonersgroepen mee te betalen.) Kijk nou, twee centrumgebieden die elkaar aanvullen. Grootschalige centrumfuncties in Zuid. Een historische binnenstad voor kleinschalige bedrijvigheid. Bewoners die het al in 1977 hadden bedacht. Dat is pas visionair.

Tagged with:
 

De toekomst van toerisme in Parijs

On 23 oktober 2019, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Les Paris de François Mitterrand (1985) van François Chaslin:

Afbeeldingsresultaat voor eric fischer paris tourism wikipedia

Bron: Wikipedia, Eric Fischer

Afgelopen jaar bezochten circa veertig miljoen toeristen de stad Parijs. Daarvan waren 18 miljoen internationale toeristen die in de Franse hoofdstad overnachtten. Na de verbouwing in 1989 werd het Louvre de belangrijkste toeristische attractie: 10 miljoen in 2018. Op plaats 2 prijkt de Eiffeltoren: 7 miljoen bezoekers. Iedereen volgt dezelfde route: van de Notre Dame naar de Tour Eiffel (zie kaart). Gelukkig heeft Parijs de stromen toeristen weten af te leiden zoals naar La Défense, waar jaarlijks circa 8 miljoen toeristen verblijven en winkelen, met als belangrijkste bezienswaardigheid het uitzichtterras bovenop La Grande Arche. De belangrijkste ingrepen in het toeristische landschap van Parijs van de afgelopen jaren waren echter de ontwikkeling van Parc de la Villette in het noorden en Disneyland Parijs in het oosten. De eerste resulteerde in een prijsvraag voor het ontwerp van een modern park op de terreinen van een voormalig abattoir in het arme deel van Parijs, in 1983 gewonnen door Bernard Tschumi. Aanvankelijk was afleiding van toerisme hier geen oogmerk, maar gaandeweg werd het park van 55 hectare ook bij buitenlanders erg populair. Tegenwoordig bezoeken liefst 10 miljoen mensen La Villette – dat is evenveel als het Louvre, meer dan La Défense.

De allergrootste ingreep echter was de vestiging in 1992 van Disneyland Parijs aan de oostkant van de agglomeratie, op een afstand van 35 kilometer van het stadscentrum. Met ruim 14 miljoen bezoekers op bijna 2000 hectare is dit tegenwoordig het grootste attractiepark van Europa. Vorig jaar maakte de eigenaar bekend nog eens 2 miljard euro te willen investeren in uitbreiding met onder andere een congrescentrum. Het park telt inmiddels zeven hotels met in totaal 5800 kamers. Omstreden was het vanaf het begin, maar niet omdat het toerisme zou aanwakkeren. De Fransen vreesden voor hun eigen cultuur. Hebben Disneyland Parijs en Parc de la Villette het toerisme verder doen groeien? Minder werd het zeker niet. Maar is Parijs niet van zichzelf al een bijzondere toeristische bestemming die nauwelijks is te weerstaan? Stel dat er elders in de metropool geen aanbod bij was gekomen, was de druk op het centrum dan niet ondraaglijk geworden? Wat de toevoegingen vooral hebben gedaan is de druk afleiden naar elders. En nieuwe groepen aan zich binden. Desondanks blijft de Franse hoofdstad alert. De Olympische Spelen van 2024 spelen zich af in het arme Saint Dénis, zeven kilometer noordelijk van het centrum. Een nieuw metrostelsel is in aanbouw dat de luchthavens met de buitenwijken verbindt. Toerisme in Parijs is sinds jaar en dag óók een stedenbouwkundige opgave.

Tagged with:
 

Tuinieren

On 21 oktober 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 23 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor Manifesta 12 palermo book

Iemand twitterde dat ze maar niet begreep wat ik in ‘Een nieuwe historische binnenstad’ met de binnenstad als tuin bedoelde. Waar komt die metafoor van de tuin toch vandaan? Zeker nooit Voltaire’s ‘Candide’ gelezen. Vorig jaar sprak de burgemeester van Palermo, Leoluca Orlando, in een afgeladen Pakhuis de Zwijger over de twaalfde editie van de nomadische kunstmanifestatie Manifesta die dat jaar was gehouden in zijn stad. Deze uiterst succesvolle editie heette ‘Planetary Garden. Cultivating Coexistence’. Wij, de mensheid, zijn de tuiniers van planeet Aarde, maar we onderhouden onze tuin slecht. Daar kwam het op neer. In Palermo werd gerefereerd aan klimaatverandering, droogte en massale migratiestromen. De stad op Sicilië neemt al die stromen uit Afrika en het Midden-Oosten gastvrij in zich op. ‘Becoming Garden’ was een van de kunstprojecten in de stad, dat ging over het samen zorgdragen voor een gemeenschappelijke plek. Het Franse team van Coloco en Gilles Clément had op een ongebruikt stuk land – een illegale dumpplaats  – in een noordelijk gelegen stadsbuurt letterlijk een tuin aangelegd en de bewoners uitgenodigd deel te nemen. Doel: door samenwerking de vruchtbaarheid van de aarde herstellen. “Clément’s metaphor of the planet as a manageable garden is still attractive, not as a place for humans to take control, but rather as a site where agents of diverse species recognise their interdependency and share responsibility.”  Even verderop speelde de Botanische tuin – de Orto Botanico – met zijn 12.000 plantensoorten een hoofdrol in het politieke kunstenprogramma.

Het stadsbestuur van Palermo begreep dat globalisering niet zal overwaaien en dat de migratiestromen van Afrika naar Europa structureel zijn en een logisch gevolg van enorme krachten. Ze wees de bezoekers op het feit dat uitgerekend migranten het stadscentrum van Palermo overeind houden. Want veel kerken en paleizen staan leeg, bepaalde delen ogen zelfs als een oorlogsgebied. Terwijl elders yuppen en toerisme-industrie zich meester maken van de centra, strijken in Palermo de meeste migranten neer in het lege hart. Ze verkopen er hun producten, die ze vaak zelf gemaakt hebben. Arthur Weststeijn van de Universiteit Utrecht schreef destijds in Het Parool: “In plaats van krampachtige kortetermijnoplossingen om toeristenstromen te verleggen van de ene straat naar de andere, biedt Palermo een radicaal alternatief: zorg dat het historisch centrum van de bewoners blijft door er armlastige migranten te huisvesten. Ze zullen er kleine winkeltjes openen, oude markten weer nieuw leven inblazen, zorgen voor reuring als natuurlijk tegenwicht tegen klagende yuppen en slempende toeristen. (…) Want als migranten wegkwijnen in provinciale asielzoekerscentra en geen leven bieden aan het hart van de stad, dan hebben yuppen en toeristen vrij spel.” Zoiets zou je tuinieren kunnen noemen. Te vergelijken met het tuinieren in de Amsterdamse binnenstad: Amsterdammers terugbrengen naar het stadscentrum. Met Artis in de hoofdrol.

Tagged with:
 

Revolutie staat voor de deur

On 19 oktober 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Van Goghmuseum te Amsterdam op 17 oktober 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor millet zaaier van gogh museum

Terwijl het boerenprotest aanhoudt en de trekkers opmarcheren naar Den Haag, breng ik een bezoek aan het Van Goghmuseum in Amsterdam. Is dit toeval? Op het Museumplein is sinds 5 september een tentoonstelling te zien over het werk van Jean-François Millet (1814-1875), de Franse schilder die Vincent van Gogh en veel tijdgenoten hevig inspireerde. Millet schilderde boeren, zaaiers, schoffelaars, schapenscheerders, hooimijten, ik zag het landleven zoals Millet dat destijds aantrof onder de rook van Parijs. Of toch niet. Industrialisatie eiste midden negentiende eeuw al zijn tol, dat kun je hier en daar bespeuren. Geen pastorale idylle schilderde hij, dat is zeker, eerder een soort van eerlijkheid, eenvoud, hard zwoegen, ploeteren, zweten, uitrusten, bidden, realisme, volgens tijdgenoten hemelde Millet armoede op. Was hij een revolutionair? Eerder was het empathie van een boerenzoon. Maar wat een ongelooflijk mooi schilderij, dat ‘Het Angelus’, doorgaans alleen te zien in Parijs. Het is een fortuin waard. Twee biddende mensen op een kale akker. En dan die ‘Man met hak’, hij lijkt uitgeput. Of wat te denken van ‘Arenlezers’? Dalende graanprijzen maakten dat de arme vrouwen voor hun rapen moesten gaan betalen. Het zijn stuk voor stuk sobere, monumentale werken. Millet vond het platteland rond Parijs prachtig. Ik denk dat Van Gogh hem gelijk gaf en twee jaar na aankomst de Franse hoofdstad ook de rug toekeerde.

Op de schilderijen zocht ik naar tekenen van hoop. Die vond ik in de zaaier uit 1848. Voor Millet, zelf boerenzoon, was de zaaier een Bijbelse figuur die vroomheid uitstraalde, die leven gaf, die met de seizoenen leefde in een eeuwige cyclus van geboren worden en weer sterven, zijn zaaien staat voor eeuwige wederkeer, schenkt hoop. Want Millet was niet alleen boerenzoon, hij was een academische schilder uit Parijs die zijn werk exposeerde op de jaarlijkse Salons, waar Baudelaire juist het heroïsme van het alledaagse leven predikte. En daar gebeurde het: de revolutie van 1848. Arbeiders kwamen in opstand tegen de koning. De koning vluchtte. Louis Napoleon komt aan de macht. Millet vertrekt uit Parijs en zoekt zijn heil op het platteland van Barbizon. Daar schildert hij de zaaier. Dat doek is vol symboliek, realisme, het is Bijbels, Homerisch, maar de stijl is tegelijk ruw, grof, haast bruut. Revolutiekunst is het. Anno 2019 kun je je dat gewoon niet meer voorstellen. Het Angelus klinkt allang niet meer. Het huidige platteland, dat is grotendeels ontgonnen, ontwaterd, uitgeput, verwoest, vergiftigd, platgespoten, ontheiligd, van insecten ontdaan. In Amsterdam protesteert Extinction Rebellion. Revolutie staat voor de deur. Nog te zien tot en met 12 januari 2020.

Tagged with:
 

Profetische gemeenschappelijkheid

On 17 oktober 2019, in boeken, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Game’ (2019) van Alessandro Barrico:

Afbeeldingsresultaat voor the game baricco

Vervreemding legde ik als probleem aan de basis van ‘Een nieuwe historische binnenstad’, mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad die vorige week het licht zag in de Beurs van Berlage. Vervreemding noemde ik het gevolg van de smart Phone, goedkoop reizen en het internet. Wantrouwen is het gevolg. Vervreemding maakt de hele binnenstad onbestuurbaar. Een groep Vlamingen uit Brussel die ik ontmoette in De Brakke Grond, wees me op het nieuwste boek van de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco, ‘The Game’. Ze zagen duidelijke parallellen. Diens ‘De Barbaren’ (2012) vond ik destijds al indrukwekkend, met ‘De Game’ zet de Italiaan nog een stap verder. Individualisme wordt massaal. We spelen, aldus Baricco, met z’n allen een internetspel, het is “een volslagen onbekende setting,” (…) En: “We staan geregeld voor een absurde spelsituatie die we zelfs maar moeilijk scherp kunnen krijgen.” Massa-individualisme genereert miljoenen microbewegingen en ontmantelt het beroep van leider. Hele snelle hergroeperingen vinden plaats als gevolg van informatie die zich razendsnel verplaatst via het internet. Grote klonters van consensus worden vliegensvlug gevormd en weer afgebroken. Er is geen elite meer en er zijn geen groepen meer. De massa is opgehouden te bestaan. Mooi beeld gebruikt hij ergens: “Het is alsof de digitale tools uiteindelijk uiterst krachtige motoren hebben geplaatst in carrosserieën die niet solide genoeg zijn om ze te verdragen, te besturen, ze werkelijk te gebruiken.” Andere metafoor: ineens staat iedereen op het toneel, terwijl we in de zaal zouden moeten zitten. In de coulissen is het een gedrang.

Het individualisme, merkt Baricco op, is altijd een tegenhouding, “het is het bezinksel van rebellie, het heeft de pretentie dat het iets afwijkends genereert, het weigert in de kudde mee te lopen en loopt in zijn eentje tegen de keer in.” Alles wordt daarmee richtingloos, tegendraads, niet te besturen. Hij spreekt van een digitale opstand. Maar wel eentje die volgens hem voortkomt uit hoop. We zitten er middenin. Het wachten is op ‘nieuwe elegantie’. Optimisme tekent de Italiaan, die ook al in ‘De Barbaren’ het licht probeerde te zien aan het einde van de tunnel. “En hoe dan ook blijf ik ervan overtuigd dat, net zoals de twintigste-eeuwse elites buitengewone, spectaculaire en heilzame intelligenties voortbrachten, ook de elite van de Game zich vormt rondom afzonderlijke gevallen, die steeds veelvuldiger voorkomen, van een profetische, solide en zeer nuttige intelligentie.” Misschien leidt een toekomstvisie die vanuit massa-individualisme is opgetrokken uiteindelijk toch nog tot profetische gemeenschappelijkheid. Daarover gaat mijn binnenstadsvisie.

Tagged with:
 

Amateurs worden experts

On 15 oktober 2019, in kunst, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 21 augustus 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor rineke dijkstra night watching

Bron: Rijksmuseum

Eerder vergeleek ik mijn werkwijze bij de voorbereiding van de toekomstvisie van de Amsterdamse binnenstad in de Oude Kerk met ´True Tales of American Life´ van de Amerikaanse schrijver Paul Auster: via een oproep op de radio verzamelde Auster concrete verhalen van gewone mensen en rangschikte deze alledaagse werkelijkheid opnieuw in tien categorieën waardoor ze zin en betekenis krijgen. Bij het zien van het video drieluik ´Night Watching´ van fotografe Rineke Dijkstra in het Rijksmuseum zag ik opnieuw parallellen. Ik was er afgelopen zondag. Gisteren was ik er weer. In de video vertellen veertien groepen wat hen zoal opvalt bij het kijken naar Rembrandt´s Nachtwacht. Ieder vertelt vanuit zijn eigen perspectief wat hij of zij waarneemt. Het is een oefening in zien. Om haar installatie te bouwen had Dijkstra groepen in het Rijksmuseum eerst aandachtig geobserveerd. Dat casten van groepen had ze, zei ze, erg belangrijk gevonden. Na haar selectie had ze in de Eregalerij zes avonden lang een mobiele studio gebouwd: vier groepen op een avond, iedere sessie duurde veertig minuten. Stipt op 23.00 uur moest iedereen weer het museum verlaten. Sommige mensen had ze gevraagd iets voor te bereiden. Maar dat betrof alleen iets inlezen. Niets aan haar video installatie is vooraf gescript. Iedereen kon vrijelijk praten. Dijkstra: “Het is allemaal spontaan ontstaan.”

Het resultaat is gevarieerd, mooi, humoristisch, verrassend. Tegen NRC Handelsblad vertelde Dijkstra wat haar in haar werkwijze was opgevallen: “Dat iedereen toch vanuit zijn eigen perspectief kijkt. De Nachtwacht is het bekendste schilderij van Nederland en is eindeloos vaak gereproduceerd. Je denkt dat je dat wel kent. En toch krijg je ontzettend veel verschillende ideeën en invalshoeken te horen.” Sommige observaties noemde ze rolbevestigend, andere, viel haar op, betroffen minuscule details. “Uiteindelijk gaat Night Watching over herinnering en collectief geheugen. Over hoe verschillend mensen zijn, en hoe anders mensen kijken.” Mooi woord: collectief geheugen. Zelf zie ik al die verschillende ideeën en invalshoeken eerder als een vorm van collectieve intelligentie. Ga de installatie maar eens bekijken. Amateurs worden experts. Wat een rijkdom! Jane Jacobs noemde dat ‘redundancy’; de stad zit er vol meer. Zelf heb ik tachtig mensen, ieder anderhalf uur lang, laten spreken over de Amsterdamse binnenstad. Uit al hun verhalen destilleerde ik later een narratief: ‘Een nieuwe historische binnenstad’. Dat verhaal gaat over een mogelijk gedeelde toekomst. En ja, de werkelijkheid kennen en delen we helemaal niet. Iedereen ziet en hoort vanuit zijn eigen herinnering. Wie een gedeelde toekomst wil bepalen moet met al die verschillende werelden rekening houden.

Triomftocht door de binnenstad

On 14 oktober 2019, in boeken, stedenbouw, toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in ‘P.J.H.Cuypers en het gotisch rationalisme’ (2009) van Aart Oxenaar:

Afbeeldingsresultaat voor cuypers oxenaar gotisch

Afgelopen zondagmiddag burgemeester Chen Jining van Peking begeleid op zijn tocht door de Amsterdamse binnenstad. Een bleek zonnetje brak door na de zoveelste regenbui. Met een bootje voeren we over de Amstel, dwars door de historische binnenstad, stapten even uit bij de Oude Kerk, toen door over het IJ langs het Centraal Station, en terug via Prinsengracht naar eindpunt Rijksmuseum. Daar bezochten we de Nachtwacht. Overal was het druk, levendig, veel toeristen. Aan het begin van zijn rondleiding vertelde een gids in het Rijksmuseum over architect Pierre Cuypers, die niet alleen de schepper van het Rijksmuseum was, maar ook van Amsterdam Centraal station: twee laat-negentiende eeuwse ‘poorten’ die toegang verschaften tot de binnenstad van de hoofdstad van het koninkrijk. Zijn betoog sloot naadloos aan op onze bijzondere tocht en mijn uitleg bij de toekomstvisie (‘Een nieuwe historische binnenstad’), maar deed vooral denken aan het proefschrift van kunsthistoricus Oxenaar over P.J.H. Cuypers uit 2009. Cuypers, schreef Oxenaar, tekende twee poortgebouwen voor een herrijzend Amsterdam dat na een lange periode van stagnatie eind negentiende eeuw weer opkrabbelde. Cuypers refereerde daarbij aan het gegeven dat de hoofdstad vanouds een rituele orde kende, die tot uitdrukking kwam in de openbare gebouwen. Ze moesten de maatschappelijke en religieuze orde van de ‘civitas’ tot uitdrukking brengen in het stadsbeeld. Zijn toevoegingen, waaronder ook een aantal kerken, zouden die orde bevestigen.

In de wachtkamer derde klasse van het Centraal Station liet Cuypers een enorme stadsplattegrond aanbrengen met daarop de belangrijkste openbare gebouwen in een contrasterende kleur afgebeeld. De nieuwbouw van Centraal Station en Rijksmuseum krijgen daar hun rituele betekenis. Boven een van de uitgangen van het station ontwierp hij een tweede kaart, waarop hij de belangrijkste routes door de stad aangaf. Station, museum en voormalig raadhuis op de Dam markeren nu een symbolische route. Oxenaar: “De gang van de aankomende reiziger door de stad krijgt zo de lading van een allegorische optocht. Zijn wandeling van gebouw naar gebouw wordt voorgesteld als een tocht tot lering en vermaak, vergelijkbaar met de triomftocht van de vooraanstaande zeventiende eeuwse burgers van Amsterdam langs het stadhuis en de Westerkerk.” Tegenwoordig valt deze route samen met de processiegang die miljoenen toeristen dagelijks afleggen op hun zoektocht naar de door ons afgeschreven Gouden Eeuw. Maar in 2030 klapt deze optocht om als de entree naar de stad naar het zuiden wordt verlegd. Dan opent station Amsterdam Zuid zijn deuren. Dat is het moment waarop Amsterdam zijn nieuwe rituele orde kan tonen en daarover gaat dus mijn visie. Tijd voor een bijzonder station en een ambitieus toeristisch programma op de Zuidas.

Tagged with:
 

Amsterdam ontmoet Peking

On 12 oktober 2019, in planningtheorie, toerisme, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De kunst van het oorlogvoeren’ van Sun Tzu:

De kunst van het oorlogvoeren

Afgelopen donderdag overhandigde ik de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad aan burgemeester Halsema in de Beurs van Berlage. Dat gebeurde in aanwezigheid van bijna vierhonderd burgers. ‘Een nieuwe historische binnenstad’ staat op de website van de gemeente. Dit weekeinde leidde ik burgemeester Chen Jining van Peking rond over de Amsterdamse Wallen. Peking worstelt als geen andere stad met overtoerisme. Lees de ‘City Tourism Performance Research Survey’ van de World Tourism Cities Federation over Peking er maar op na. In 2015 ontving de Chinese hoofdstad liefst 273 miljoen toeristen (in Amsterdam 18 miljoen). Tussen 2010 en 2015 groeide het toerisme naar Peking met 48 procent, dat is gemiddeld 8 procent per jaar. Dat zijn zelfs voor Amsterdamse begrippen astronomische cijfers. Maar overtoerisme is slechts een deel van het probleem, zowel in Peking als Amsterdam. Daarom zal mijn rondleiding dit weekeinde ook over prostitutie, drugs, ondermijning en criminaliteit gaan. Het was een van de opmerkingen die afgelopen donderdag in de Beurs van Berlage werden gemaakt: waarom schrijft u zo weinig over ondermijning in uw visiedocument ‘Een nieuwe historische binnenstad’? Mijn antwoord stelde de aanwezigen duidelijk teleur. Er werd gejoeld, iemand nam de benen. Ik denk dat de burgemeester van Peking mij straks wel begrijpt.

Een van de grootste denkers op het gebied van oorlogvoeren was namelijk Sun Tzu. Iedere Chinees kent hem. Zijn ‘kunst van het oorlogvoeren’ vormt een van de oudste verhandelingen over strategie en tactiek en niemand heeft het ooit in wijsheid overtroffen. Al zo’n 500 jaar voor Christus schreef Sun Tzu dat de hoogste kunst van oorlogvoering is de vijand onderwerpen zonder te vechten. “Een leger is te vergelijken met water: water laat de hoogten droog en zoekt de laagten op; een leger keert zich van kracht en valt leegte aan. De stroming van het water wordt bepaald door de vorm van de grond; de zege wordt behaald door te handelen overeenkomstig de staat van de vijand.” Een veldheer neemt nauwkeurig waar en beschikt over grote verbeeldingskracht. De morele, intellectuele en omgevingselementen vindt hij belangrijker dan de fysieke, die van militaire kracht. Bij Sun Tzu ligt de nadruk op het doen van het onverwachte en het volgen van de indirecte aanpak. Ik heb zijn wijsheid en kunde aan de basis gelegd van mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad. Wie de Amsterdamse Wallen wil veranderen, slaat er niet met een hakmes op in. Een aanval levert hem geen voordeel op. Hij gaat tuinieren.

Tagged with: