Is IBA Emscherpark een succes?

On 26 oktober 2018, in economie, by Zef Hemel

Gezien in het Ruhrgebied op 24 en 25 oktober 2018:

Afbeeldingsresultaat voor karte zollverein essen innenstadt

Uitgerekend op het moment dat de allerlaatste steenkolenmijn in het Duitse Ruhrgebied – de Prosper-Haniel in Bottrop – zijn schachten sluit, bezochten wij de stedelijke regio van ruim 5 miljoen inwoners vlak over de Nederlandse grens. Het tijdperk van kolenwinning en staalindustrie in het Ruhrgebied is definitief voorbij. Voor ons aanleiding om te zien wat er na twintig jaar terecht is gekomen van IBA Emscherpark. De Internationale Bau Ausstellung Emscherpark, die duurde van 1990 tot 2000 en die een overheidsinvestering vergde van liefst twee miljard US dollar, was bedoeld om het conglomeraat van industriesteden en 53 gemeenten rond Dortmund, Duisburg, Bochum en Essen weer aan de praat te krijgen nadat duidelijk was geworden dat het tijdperk van steenkoolwinning ten einde zou lopen. De economische terugloop en demografische krimp waren al ingezet eind jaren zestig, maar geen beleid was in staat geweest het tij te keren. De staat Nord Rhein-Westfalen zocht hulp van buitenaf, met een visionaire stap-voor-stap benadering van prijsvragen en de inzet van veel publieke middelen met als doel: cultuur. In 1988 werd  ‘A workshop for the Future of Industrial Regions’ geopend. In de tien jaar daarna zou een regionaal cultuurpark top-down worden aangelegd langs het riviertje de Emscher vanuit een klein stafbureau met slechts dertig medewerkers. Het bureau omzeilde alle lokale instituties, want die waren verdacht. Zeker 120 culturele projecten werden uitgevoerd. Met veel marketinggeweld werden deze vervolgens internationaal aan de man gebracht. Twee vlaggenschip-projecten bezochten we: Landschapspark Duisburg-Noord en Zeche Zollverein in Essen.

In Duisburg viel weinig te beleven, zelfs in de herfstvakantie was er weinig aanloop. Het uitzichtpunt bleek gesloten, er werden bomen gekapt, waardoor we nergens naar binnen konden. Het café in de voormalige staalfabriek was open, maar de koffie viel verkeerd. Daarom reisden we door naar Essen. Naar Zollverein is het zeker twintig minuten met de auto. Daar was het Ruhrmuseum geopend, maar ook hier was weinig klandizie en de tentoonstelling viel tegen. De reusachtige fabriekscomplexen, overigens schitterend gerestaureerd, liggen in een öde uitgestrektheid, ze zijn verstoken van alle voorzieningen. Het is ruim vijf kilometer naar het centrum van Essen, maar het voelt anders. Het concept van het park met industrieel erfgoed is mooi bedacht, maar het blijkt moeizaam te werken. Deze industriesteden lijken helemaal geen behoefte aan een regionaal park te hebben, ze missen juist stedelijkheid. Ze missen wat het naburige Düsseldorf wèl heeft: een grootstedelijk centrum, mooie winkels, musea, hotels, universiteiten, bijzondere architectuur, grootstedelijke voorzieningen. De miljarden hadden beter in de stadscentra van Duisburg, Essen en Dortmund kunnen worden gestoken. Erger, in 2010 heeft men de beroemde Folkwang School of Design uit het centrum van Essen naar Zollverein verhuisd. Tram 107 heet nu Kulturlinie en brengt de studenten naar de voormalige fabriek die nu ‘campus’ heet. EUREF AG van Reinhard Müller wil er een ‘Zukunft-Campus’ van maken. Hij investeert 50 miljoen euro in de oude gasometers. Daarmee is het kwetsbare ecosysteem nog verder uit elkaar getrokken. Geen goed nieuws uit Metropole Ruhr.

Tagged with:
 

Wim Kok, de man van staal en beton

On 22 oktober 2018, in economie, infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 20 oktober 2018:

Afbeeldingsresultaat voor wim kok paars aardgasbaten

Bron: Rijksoverheid 2004

Wim Kok (1938-2018) is overleden. Als PvdA-leider, minister van Financiën en later premier van twee kabinetten heeft hij veel voor ons land betekend. Hij heeft vooral ervoor gezorgd dat er in de economie werd geïnvesteerd. Veel van die investeringen betalen zich nu pas uit. Mijn eigen Haagse jaren speelden zich af juist in de periode dat Kok premier was: 1994-2002. Terwijl de Rijksplanologische Dienst druk bezig was met de uitvoering van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, richtte ik mij op de verre toekomst. De minister-president schoot ons te hulp. Hij had een briljant idee, dat hemzelf ook opwond. Hij, die even eerder nog de nurkse, strenge schatkistbewaarder had gespeeld, wilde samen met VVD en D66 in de toekomst van Nederland investeren. Als premier dacht hij lange termijn èn ruimtelijk. Een deel van de aardgasbaten, besloot het Paarse kabinet, zou worden gereserveerd voor toekomstgerichte fysieke investeringen. Vanaf 1995 zouden meevallers van de aardgasbaten in een apart fonds worden gestort, bestemd voor investeringen in nationale infrastructuurprojecten. Dat werd het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Niemand kon toen bevroeden dat de olieprijs jarenlang zeer fors zou stijgen.Voor ons hielden al die extra middelen in dat een belangrijk deel van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening versneld kon worden uitgevoerd: investeringen in de hogesnelheidslijn, de Betuwelijn, de vijfde baan van Schiphol, de Tweede Maasvlakte, diverse achterlandverbindingen. Oud-vakbondsman Kok was een man van staal en beton. Tot en met 2005 heeft het fonds circa 17 miljard euro in de ruimtelijke inrichting van Nederland gestoken. In 2011 is het fonds opgeheven. In totaal is er 33 miljard euro in het fonds gevloeid.

Over het keuze van de ruimtelijke investeringen had ik destijds al ernstige twijfels. Alleen de HSL-Zuid vond ik een goed project, zij het dat de tracékeuze in Den Haag ongelukkig verliep en het dossier in het algemeen slecht gerund werd. De snelle treinen rijden nog altijd niet. De vijfde baan van Schiphol ligt idioot ver van de luchthaven, de Tweede Maasvlakte is voer voor de Chinezen en de Betuwelijn met al die malle achterlandverbindingen slibben alweer dicht omdat ze ons land overvoeren met logistiek. Zelf was ik bezig met de grote steden, die potentieel veel grotere en duurzame economische winst beloofden mits er flink in de grootstedelijke infrastructuur werd geïnvesteerd: een verlengde Noord/Zuidlijn, een Zuidasdok, universiteiten, stedelijke verdichting. Dirk Frieling begon in die tijd het Metropolitane Debat met als doel aandacht te vragen voor grootstedelijke concentratie, in 1998 verscheen het monumentale ‘Cities in Civilisation’ van Sir Peter Hall, in 2002 organiseerde ik in Amsterdam het congres over ‘Creatieve Steden’. Wim Kok, de jongen uit Bergambacht, zag er echter niets in. Zijn FES ging met een grote boog om de grote steden heen. Die vond het kabinet nog overwegend problematisch. De Noord/Zuidlijn kreeg na lang touwtrekken een klein miljard. De premier luisterde vooral naar VNO-NCW. Reden voor mij om in 2002 naar Rotterdam, en twee jaar later naar Amsterdam te vertrekken.

Tekens van stedelijkheid

On 21 oktober 2018, in participatie, wonen, by Zef Hemel

Gesproken in De Nieuwe Liefde te Amsterdam op 18 oktober 2018:

Afbeeldingsresultaat voor a theory of urbanity zijderveld

Zowel stadshistoricus Tim Verlaan als ik hield afgelopen week de Enneüs Heermalezing in De Nieuwe Liefde te Amsterdam. De lezing, die jaarlijks wordt georganiseerd door woningbouwvereniging De Alliantie te Amsterdam, stond dit jaar in het teken van stedelijke verdichting. Tim zoomde in op de grote stadsprojecten in Amsterdam in de jaren zestig en zeventig: het Caransahotel op het Rembrandtplein en de voorgenomen sloop van het huis van bewaring aan het Leidseplein.  Zijn verhaal eindigde na alle oproer in 1978, op het moment dat Enneüs Heerma wethouder werd in Amsterdam in het college van Jan Schaefer en Michael van der Vlis. Deze nieuwe generatie bestuurders wilde een ander soort stad. Mijn lezing begon in 1995, toen Heerma als staatssecretaris de bruteringsoperatie uitvoerde waarmee de rijksoverheid de woningbouwverenigingen financieel verzelfstandigde. Aan de hand van ‘A Theory of Urbanity’ (1998) van de Rotterdamse socioloog en partij-ideoloog van het CDA Anton Zijderveld beschreef ik de context van die operatie: het terugveroveren van stedelijkheid die was verloren gegaan door de dominantie van de Nederlandse staat in het domein van het wonen. In deze stedelijke revolutie is dichtheid geen doel, maar een middel. Het doel is nieuwe stedelijkheid: stedelijke trots, stedelijke autonomie, burgerschap, vrijheid, zelfbeschikking.

In de loop van de twintigste eeuw had de Nederlandse staat niet alleen de volksgezondheid, de cultuur en het hoger onderwijs, maar ook de volkshuisvesting aan zich getrokken. Tot die tijd waren dit nog bevoegdheden geweest van stedelijke autoriteiten. Centralisatie van de macht en rationalisering leidden tot abstractie. Ministeries en planbureaus gingen nationaal beleid dicteren; de regering in Den Haag besliste, de Haagse technocratie eiste vooral efficiency en doelmatigheid. De ruimtelijke orde werd een zorg die staatsplanners zich gingen toe-eigenen. Vrije stedelingen werden onderdanen. De steden, schreef Zijderveld, hebben ernstig onder deze nivellering geleden. De meeste verloren na de oorlog hun ziel. De arrogantie van de staat had al in 1968 jonge burgers de straat op gejaagd. Deze culturele revolutie had later allerlei vormen van decentralisatie, deregulering en privatisering teweeg gebracht: in de ogen van Zijderveld waren ze onderdeel van een noodzakelijk proces om de steden en hun inwoners weer meer autonomie te geven. In die politieke context, beweerde ik, moet de bruteringsoperatie van Heerma worden begrepen. De rest van mijn lezing ging over wat er daarna is gebeurd. Ik zag tekens van nieuwe stedelijkheid en tegelijk een ‘Den Haag’ dat weigert macht over te dragen. Stadstaatvorming, besloot ik, is de agenda van de toekomst.

Tagged with:
 

Form follows vendor

On 17 oktober 2018, in economie, kunst, by Zef Hemel

Gezien in Big Art, in de Bijlmerbajes te Amsterdam op 12 oktober 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Su Tomesen

De première van ‘Street Vendors’, een installatie van de Amsterdamse kunstenaar Su Tomesen, vond onlangs plaats tijdens het Nederlands Film Festival in Utrecht. Afgelopen week waren de vier films te zien in Amsterdam, tijdens de derde editie van ‘Big Art’ in de Bijlmerbajes. Zes jaar werkte Tomesen aan haar installatie. Afgelopen vrijdag ging ik kijken. Simultaan werden in een tent in één van de voormalige gevangeniscellen gelijktijdig vier films van elk een half uur getoond van straatverkopers  in vier steden op vier continenten: Yogjakarta, Johannesburg, Medellìn, Tirana. Er is geen voice-over, er wordt niets toegelicht, je hoort alleen straatgeluiden. De films laten een dag in het leven van een aantal straatverkopers in elk van de steden zien als kleine verhalen, alleen de tijdzones verschillen, dus in de ene stad is het iets eerder donker dan in de andere. Met die vier schermen kwam ik ogen te kort. Het is beste is om je op één stad te concentreren en dan vaag het rumoer in de andere steden aan je voorbij te laten gaan. Maar je kunt je ook laten meevoeren van het ene scherm naar het andere, afhankelijk van wat je oog zoal opvangt. Erg mooi is het, nee het is een ontroerende installatie.

Ik sprak Su tijdens de vertoning. Er was, vertelde ze me, niets in scene gezet, er waren vriendschappen gesloten, waarna uiteindelijk toestemming was gegeven om het dagelijkse werk van nabij te filmen. Gevaarlijk was het soms wel, zeker in Johannesburg. Steeds had Su zich door een assistent laten vergezellen die over haar en haar spullen waakte.  Uiteindelijk had ze een grote hoeveelheid materiaal verzameld, wat een ingewikkelde montage vergde om alles tot een half uur terug te brengen. In die strenge montage had ze ook het geluid betrokken, want de straatgeluiden in de verschillende steden mochten niet met elkaar concurreren. In de leporello bij ‘Street vendors’ schrijft ontwerper Tejo Remy over de ‘bottom-up simplicity’ en de ‘high level of improvisation’. Inderdaad, het improviseren ontroert. En ook: “Street vendors put large amounts of recycling into their trolleys and stalls, using the design code: form follows vendor.” Vooral de kinderen in de tent, viel me op, vermaakten zich kostelijk. Er zaten er verscheidene hardop te genieten. Het optimisme en doorzettingsvermogen van de straathandelaren en het spelelement in hun kleinschalige ambulante handel prikkelde hun zinnen. Door de krankzinnige urbanisatie die op dit moment in de wereld plaatsvindt neemt de straathandel razendsnel toe, ondanks tegenwerking van autoriteiten. Het is een economie van onderop. Een geweldige ontwikkeling.

Tagged with:
 

Gelezen in Logistiek van 9 juli 2017:

Gerelateerde afbeelding

Afgelopen weekeinde maakte de NOS bekend dat premier Rutte met topmensen van het Chinese Alibaba zou hebben gesproken over de eventuele vestiging van een Chinees distributiecentrum in Limburg, nabij Maastricht. En vandaag was de Chinese premier Li Keqiang op bezoek. De internetgigant wil liefst vijf reusachtige distributiecentra verspreid over verschillende continenten bouwen. Dubai, Hangzhou, Kuala Lumpur en Moskou zijn in de race. De Europese moet in het Belgische Luik komen. Maar in België is nog niets getekend. Dus denkt Nederland een kans te maken. Het gaat om een volledig gerobotiseerd distributiecentrum van liefst 380.000 vierkant meter bij vliegveld Beek. Ter vergelijking, Leeyen vastgoed uit het Limburgse Beringe bouwt een distributiecentrum in Sittard-Geleen van 145.000 vierkante meter, goed voor circa 1.000 nieuwe banen. In Waalwijk worden plannen ontwikkeld voor een distributiecentrum van Bol.com ter grootte van 200.000 vierkante meter, hier verwacht men 2.000 tot 3.000 nieuwe banen. 200.000 vierkante meter is 40 voetbalvelden. Het worden dwergen, want het Chinese dozencomplex wordt dubbel zo groot. Dergelijke complexen heten XXL-dc’s, ook wel ‘rustende olifanten’ genoemd. Hun groei wordt aangewakkerd door de sterke expansie van het internetwinkelen. Deze markt groeit razendsnel.

Er staat ons een complete ‘verdozing’ van het Nederlandse landschap te wachten. Want naast de XXL-dc’s in de weilanden komen er ook kleinere fullfilmentcentra, sorteerhubs en retourcentra dicht bij de grote steden. En dan heb ik het nog niet over de golf aan nieuwe datacenters in en rond Amsterdam. Het kaveloppervlak van al die centra is doorgaans het dubbele van het gebouwoppervlak vanwege parkeren en de noodzakelijke manoeuvreerruimte voor vrachtwagens. Zoveel grond is er niet te koop. Daarom worden de dozen steeds hoger: 12 meter, las ik bij Buck Consultants. In Nederland groeit de business trouwens beduidend sneller dan in België en Duitsland. Dat heeft met uiterst gunstige fiscale constructies te maken die onze regering de sector biedt. In de achterlandcorridors tussen Rotterdam en Antwerpen en richting het Ruhrgebied zijn in de VINEX-periode door de kabinetten-Kok bovendien miljardeninvesteringen in de infrastructuur gedaan, in spoorlijnen en snelwegen. Die worden nu te gelde gemaakt. Op dit moment staat er al 28 miljoen vierkante meter logistiek vastgoed in Nederland. Op korte termijn komt daar nog eens 4 miljoen vierkant meter bij. Vooral de laatste jaren groeide het volume explosief. Buck Consultants houdt rekening met een verdubbeling van het aantal vierkante meters. Met een marktaandeel van 46 procent profiteert vooral Noord-Brabant, gevolgd door Limburg met 25 procent. Nu nog werken er mensen, maar daar zal snel verandering in komen. Alleen al in de ongeveer 600 dc’s, berekende Buck, zullen van de 85.000 arbeidsplaatsen circa 35.000 verdwijnen als gevolg van robotisering. Wat overblijft zijn vrachtwagenchauffeurs. Vreemd landschap wordt dat daar in de provincie. Met compleet verstopte snelwegen, want files zullen veel en veel langer worden. Zet hem op, premier Rutte!

Tagged with:
 

Zaadjes van bereikbaarheid

On 12 oktober 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Metromorfose’ (2018) van Bas Kok:

Afbeeldingsresultaat voor bas kok metromorfose

Leuk essay van Bas Kok. Ik las het nadat bekend werd gemaakt dat gemiddeld 84.000 mensen elke dag de nieuwe Noord/Zuidlijn al gebruiken. Het metrogebruik in Amsterdam als geheel groeide na opening met een onstuimige 31 procent. In ‘Metromorfose’ (2018) beschrijft ‘stadsmaker’ Kok hoe hij denkt dat de nieuwe metrolijn Amsterdam zal veranderen. Dus geen terugblik van een mokkende belastingbetaler die er allemaal niets van begrijpt, maar een optimistisch verhaal van een visionair die begrijpt dat de investering van ruim 3 miljard euro de groeiende metropool veel zal opleveren. Zijn verkenning heeft hij geschreven vanuit stadsdeel Noord, waar Kok woont. Het begint met een beknopte geschiedenis van de stad waarbij Kok zijn verbazing uitspreekt over de opkomst van Zuid, ten koste van Noord. Volgens hem was Noord ooit rijk, en Zuid groezelig. Midden negentiende eeuw echter kreeg een groep notabelen belang bij het verbeteren van Zuid en verplaatste zij de industrie naar Noord. Daarmee werd Noord arm en Zuid rijk. Hij spreekt van ‘stuivertje wisselen’. Onzin natuurlijk. De Gouden Bocht in de Herengracht ligt al vierhonderd jaar in het zuiden, op veilige afstand van de haven, het Paleis voor Volksvlijt landde daar in de buurt, even verderop kwam het Rijksmuseum, gevolgd door het Vondelpark en Berlage die de Apollolaan iets zuidelijker projecteerde, met uiteindelijk de Zuidas als topmilieu, nee het rijke deel van Amsterdam wilde niets met de haven te maken hebben en schoof steeds verder op naar het zuidwesten, terwijl Noord kaal bleef, met een galgenveld aan de overkant van het IJ, waar je gemakkelijk vervuilende industrie naartoe kon verplaatsen. Kok pleit voor emancipatie van Noord. Hij wil de Noord/Zuidlijn daarvoor gebruiken. Dat is een mooi streven, maar zo gemakkelijk verander je steden niet.

De auteur voorspelt een ‘brainwash’ binnen vijf jaar. Alle Amsterdammers zullen Noord opeens heel dichtbij gaan vinden en dat zal van alles op gang brengen. Dat zou kunnen. West is uiteindelijk problematischer dan Noord, maar dat komt door de gure westenwind, de directe nabijheid van Westpoort en de weinige beschutting die West en ook Noord en Zaanstad de mensen biedt. Er is ook nooit een Vondelpark of Amsterdamse Bos voor arbeiders overwogen. Tegelijk pleit Kok voor krachtig beleid tegen segregatie waarbij ook forse aantallen sociale woningen in Noord zullen moeten worden bijgebouwd. Hij spreekt van een Catch22 van de tweedeling: “rijke inwoners in dure buurten willen niet dat hun wijk armer wordt, arme inwoners van achterstandswijken willen niet dat hun wijk rijker wordt.” Dat is scherp gezien. Het is een zelfversterkend proces. De contrasten worden dus groter. Ik denk niet dat de Noord/Zuidlijn of een corrigerend woonbeleid iets tegen dat groeiende contrast kunnen doen, ondanks ‘de zaadjes van bereikbaarheid’. Denk eerder dat het planten van een groot bos in het noorden en het westen uitkomst kan bieden. Noord, Sloterdijk en Zaanstad verdienen een ‘Bois de Boulogne’. Spaarnwoude zou tenminste in omvang moeten verdubbelen en de Noorder IJplas moet een mooi rij- en wandelbos worden. Dat was oorspronkelijk ook de bedoeling. Maar daarop is later door de rijksoverheid bezuinigd. Blijft over Westpoort met zijn industrie. Wie rijk is zal daar, ook met een Noord/Zuidlijn, nooit in de buurt willen wonen.

Tagged with:
 

Afwegen of vergeten

On 10 oktober 2018, in duurzaamheid, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Kabinetsperspectief NOVI’ (2018):

image

Sinds 5 oktober ligt er een Kabinetsperspectief Nationale Omgevingsvisie, NOVI, ter inzage. In de beknopte brochure opent het kabinet Rutte een perspectief op de toekomstige inrichting van Nederland. Ik las hem met grote interesse. Het eerste dat me opviel is de ernstige toon. ‘Urgentie’ is een veel gebruikt woord. Veel zaken zijn er die moeten gebeuren. Het land kampt met grote problemen want er is sprake van versnelde groei. Het kabinetsperspectief staat in het teken van forse groei en stevige druk: er zijn files, wachtlijsten, ruimteclaims voor de energietransitie, enzovoort. De crisis lijkt in Den Haag alweer vergeten. Een acute hoogconjunctuur mengt zich hier met existentiële vraagstukken van duurzaamheid. Ik kreeg het benauwd toen ik het las. En ik voelde een lichte boosheid opkomen. Waar is het gevoel voor de lange termijn gebleven? Het tweede dat me opviel was de marginale rol van de ruimtelijke ordening. Kennelijk is deze alleen nodig voor het reserveren van voldoende ruimte en het ‘slim met elkaar combineren’ van de vele ruimtevragende functies. Toen Jan Pronk nog minister was, ging het om kiezen, nu combineren. Het vakgebied is gereduceerd tot het trucje à la ‘Ruimte voor de rivier’. Een eigen ruimtelijke agenda las ik niet. Het derde dat me opviel waren de vele ‘tafels’ waaraan de urgente vraagstukken moeten worden besproken en ‘afgewogen’. ‘Tafels’ is ook al zo’n Haags toverwoord. We vergaderen wat af. Samen komen we er wel uit.

Ronduit teleurstellend vond ik de tekst over het ‘urgente onderwerp’ van de verstedelijking: “Nederland heeft een uniek historisch gegroeide structuur van steden en dorpen met kenmerkende cultuurhistorische kwaliteiten die onderling goed verbonden zijn en goed zijn aangesloten op een internationaal netwerk (een zogenoemde polycentrische structuur). Vanuit elke stad fiets je in relatief korte tijd het open landschap in. Juist dit fijnmazige netwerk zorgt voor een sterke economische verbondenheid, een grote regionale diversiteit en brengt een hoge kwaliteit van leven met zich mee. Dit is ook essentieel voor de aantrekkingskracht van (inter-)nationale kennis, arbeid en kapitaal. Deze kwaliteit willen we versterken door voort te bouwen op de bestaande stedelijke structuur. Zodoende zorgen we voor versterking van onze toplocaties en gezichtsbepalende gebieden als de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad en Eindhoven (waaronder onze mainports).” Er is geen urgentie in deze tekst te bespeuren. In feite staat er: vooral laten zoals het is. Geen idee ook wat er aan de hand is anders dan dat Nederland niet mag ‘verrommelen’. En dat terwijl ons land in 2050 liefst 80 procent minder CO2 zal moeten uitstoten om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen. Met het ‘unieke’ polycentrische stedenpatroon dat ‘voor een sterke economische verbondenheid zorgt’ ga je het heus niet redden. Zullen we de NOVI maar vergeten?

1,5 of 2 graden maakt groot verschil

On 9 oktober 2018, in duurzaamheid, by Zef Hemel

Gelezen op ChinaFile.com van 18 mei 2015:

Afbeeldingsresultaat voor chinafile rising sea level

Bron: ChinaFile

Deze week hield het IPCC in Incheon, Zuid-Korea, haar 48ste vergadering. Er lagen drie rapporten voor. Een ervan ging over de verwachte gemiddelde temperatuurverhoging van 1,5 graad Celsius. Dat bleek ronduit alarmerend. De wereldgemeenschap, reageerde de Verenigde Naties, heeft nog 12 jaar om het tij te keren. Doet ze dat niet, dan gaat het richting 2 graden temperatuurstijging. De gevolgen van die halve graad extra zijn nauwelijks te overzien. Honderden miljoenen mensen zullen worden bedreigd door overstromingen of extreme droogte. Het oppervlak van gebieden die zullen onderlopen bij een zeespiegelstijging bij 2 graden temperatuurverhoging is vijftig procent groter dan bij 1,5 graad. Vijftig procent! Voor het laaggelegen Nederland maakt die halve graad dus nogal wat uit. Verdwijnt ons land of niet. Op dit moment is de aarde al één graad warmer dan in pre-industriële tijden. Ik verwachtte een toespraak van de premier, maar die kwam niet. Nee, wij zijn veilig en we werken inmiddels aan een energietransitie. Er is al 120 miljoen euro rijksmiddelen beschikbaar voor buurten die van het aardgas af willen en de woningbouwcorporaties krijgen nog eens 100 miljoen extra. En we gaan allemaal in elektrische auto’s rijden. Nee, dan China.

Op ChinaFile.com zijn bloedstollende interactieve kaarten te zien die aangeven welke kuststreken in China door de zeespiegelrijzing rechtstreeks worden bedreigd, gebaseerd op de meest recente voorspellingen van het IPCC. Het blijkt te gaan om werk van de cartograaf Jeffrey Linn, woonachtig in Seattle. Eerder had hij dit werk al gedaan voor de westkust van Canada en de Verenigde Staten. Omdat 43 procent van de Chinese bevolking in de kustzone leeft, vroeg ChinaFile hem ditzelfde te doen voor China. Kijk eens en huiver. Vooral de Pearl River delta met steden als Hongkong, Shenzhen en Guangzhou, nu al meer dan 30 miljoen inwoners tellend, zullen compleet van de aardbodem verdwijnen. Ook Dalian en Shanghai moeten ernstig vrezen voor hun toekomst. Deze laaggelegen gebieden kampen nu al grote problemen met ernstige verzilting. In de Pearl River delta zijn de meeste mangrovebossen opgeruimd en wordt op grote schaal vuilnis gestort om zo nieuw land te winnen. In New York is tijdens Sandy gebleken dat deze vuilstorten langs de kusten niet alleen met het wassende water als eerste wegspoelen, maar ook de zee en de oeverzones ernstig verontreinigen. En dan verzakt overal de bodem, want deze haastig gebouwde metropolen zijn in moerasland gebouwd. Ik zie hier een kans. Nederland kan zijn waterkennis exporteren.

Tagged with:
 

Humanhattan 2050

On 8 oktober 2018, in duurzaamheid, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien op de Architectuur Biënnale van Venetië op 3 oktober 2017:

 

map

Bron: NYU Local

Mijn lezing afgelopen week in Venetië ging over ‘Lifeboat Cities’, de wereldwijde opgave om steden te bouwen die als reddingsboten de klimaatverandering kunnen doorstaan, dus steden bedenken waar zoveel mogelijk mensen, dieren en planten straks zullen kunnen overleven. Tijdens mijn rondgang over de Architectuur Biënnale, gewijd aan het thema ‘Freespace’, werd ik na afloop op mijn wenken bediend. De meest potsierlijke en dure reddingsboot die ik zag betrof het plan van de Deense architect Bjarke Ingels voor het eiland Manhattan. In het hoofdgebouw was zelfs een grote zaal aan ‘The Big U’ gewijd. In het midden stond een grote maquette van de zuidelijke helft van het eiland die door een brede beschermende kleurrijke wal was omgeven. Het vriendelijk ogende ingenieurswerk, genaamd ‘Humanhattan’, leek deels dienst te doen als langgerekt park maar bood in werkelijkheid vooral lucratieve nieuwe bouwgrond. Als antwoord op orkaan Sandy toonde het bijna schaamteloos een nieuw verdienmodel: om dit dure deel van de stad tegen het wassende water te beschermen zou er langs de verhoogde randen tegen de klippen op kunnen worden gebouwd. Nieuwe dure gronduitgifte. Zeespiegelrijzing als kans. Je kon de corruptie al ruiken. In Jeff Goodell’s ‘The Water Will Come’ (2017) las ik dat de linkse burgemeester De Blasio denkt dat hiermee vooral de rijken zichzelf beschermen, niet de armen in Queens. En de grote zwakte van New York is het metrostelsel, niet Wall Street.

Arm Venetië, dat in haar eigen biënnale moet toezien hoe de rijkste stad op aarde zich met veel architectonisch aplomb tegen de zeespiegelrijzing denkt te gaan beschermen. En dat in het jaar waarin het eigen MOSE-project dan eindelijk gereed zal komen. Sinds de overstroming van 4 november 1966 werden er al noeste plannen voor de redding van Venetië gemaakt. In 2002 namen de werken eindelijk een aanvang. Er is zestien jaar aan MOSE gebouwd. Pier Vellinga noemde de opblaasbare kleppen in de openingen van de lagune ooit ‘een Ferrari op de zeebodem’. Een paar jaar geleden werd de burgemeester van Venetië en 35 andere mannen opgepakt wegens beschuldiging van corruptie. Er zou voor in totaal 1 miljard euro in hun zakken zijn verdwenen. De kosten van de ingenieurswerken belopen inmiddels al meer dan 7 miljard euro. Nog steeds kampt de lagune met verzilting. Nee, New York kan veel van Venetië leren. Luister niet naar ingenieurs en architecten. Volgens Goodell kampen de plannen voor New York met dezelfde problemen als die voor de Italiaanse lagunestad: veel te duur, corruptiegevoelig, het kost tientallen jaren om ze te bouwen, en tegen de tijd dat ze gereed komen blijkt het zaakje al verouderd. Want Venetië zal uiteindelijk niet door MOSE worden gered. Lees Goodell en huiver. De verwachte zeespiegelrijzing gaat al veel verder dan de 60 centimeter waarop de peperdure ingenieurswerken zijn berekend.

Tagged with:
 

Een ander soort biënnale

On 5 oktober 2018, in ethiek, politiek, by Zef Hemel

Gezien op de Architectuur Biënnale in Venetië op 3 oktober 2018:

United-States-Pavilion-2018-Venice-Architecture-Diller-Scofidio-Renfro-installation

Bron: Inexhibit

Een van de indrukwekkendste installaties tijdens de Architectuur Biënnale Venetië dit jaar vond ik ‘In Plain Sight’ van Diller Scofidio + Renfro, Laura Kurgan en Robert Gerard Pietrusko, te zien in het paviljoen van de Verenigde Staten. Bij de VS gaat het dit jaar om ‘Dimensions of Citizenship’. Afgelopen week bezocht ik op een nazomerse middag in een drogend, bladverliezende Guiardini hun tot nadenken stemmende paviljoen. Samen met Columbia Center for Spatial Research hadden de New Yorkse architecten een video gemaakt die de onhoudbare en oneerlijke toestand in de wereld probeert te vatten. Dit was geen architectuur meer. Ook refereerde de installatie nauwelijks nog aan ‘FreeSpace’ – het zalvende thema van deze biënnale. Op een reusachtig beeldscherm werden in hoog tempo en ondersteund door nare computergeluiden nachtbeelden van NASA-satellieten vertoond die het verschil tussen licht en donker aan het aardoppervlak schoksgewijs analyseerden. In al die verschillen lazen de makers tal van anomalieën op het vlak van energievoorziening, grondstoffenwinning, en toeristische consumptie waarbij bepaalde plaatsen op de aarde evident worden bevoordeeld en andere juist buitengesloten. In beeld komen Peru, Congo, Dominicaanse Republiek, Florida. Zelden kwamen uitsluiting, afscherming en extractie scherper en genadelozer in beeld. Bijna niet te verdragen.

In een recensie in Metropolis  van 4 juni 2018 las ik dat de presentatie van de Amerikanen zou zijn blijven steken in het bewust maken van de bezoekers. Dat verbeelden van maatschappelijke kwesties kunnen architecten heel goed. Maar, zo vroeg men zich af, is dit genoeg? “Can architects do more than represent the structures of injustice?” Zelf had ik het idee, zeker na hun presentatie, dat de opzet van de Architectuur Biënnale van Venetië gewoon fundamenteel anders moet. Zoals het nu gaat kan het niet langer. De urgentie is te groot. Landenpaviljoens moeten helemaal worden afgeschaft en het thema moet onverbiddelijker aan de orde komen. Architecten mogen niet langer wegvluchten, esthetiek rechtvaardigt in ieder geval geen grootse biënnale. Wat dat betreft was het Italiaanse paviljoen een eerste aanzet voor iets anders: een reis door een Italië dat door de nationale politiek is verwoest had de curator naar plekken gebracht waar uit kleine initiatieven opnieuw hoop kon worden geput. Maar deze nationale ‘Places of Hope’-aanpak vond ik uiteindelijk toch te soft. En geef toe, het localisme heeft iets treurigs, romantisch en meelijwekkends. Dan maar liever het heftig beukende ‘In Plain Sight’ van de Amerikanen. Hier de link: https://dsrny.com/project/in-plain-sight (video duurt 18 minuten).

Tagged with: