Geeft HSL steden enig profijt?

On 6 juli 2017, in economie, infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 1 juli 2017:

Afbeeldingsresultaat voor tgv cities

Wat heeft de Hogesnelheidslijn-Zuid uiteindelijk gekost en wat heeft deze investering Amsterdam en Rotterdam opgeleverd? Die vragen stelde ik mezelf toen ik in The Economist van afgelopen week las over de voltooiing van de Franse TGV-netwerk. Het eindpunt van de bouw van het stelsel van hogesnelheidslijnen in Frankrijk is met de opening, een week geleden, van de verbindingen van Parijs met Rennes en met Bordeaux eindelijk bereikt. Of beter, voortijdig bereikt, want geldproblemen hebben het programma stopgezet. Na dertig jaar bouwen zijn tien Franse steden plus enkele tientallen voorsteden via het snelle spoor met de hoofdstad verbonden. Alleen al de lijn naar Rennes kostte de Franse schatkist vele miljarden met, zoals gebruikelijk, de nodige kostenoverschrijdingen. Ooit bedoeld om metropolen en hun luchthavens onderling te verbinden, is het programma uitgelopen op een kostbaar gezelschapsspel van burgemeesters en ministers. Meer dan 100 miljoen reizigers maken jaarlijks van het netwerk gebruik. Nu nog worden de vele onrendabele lijnen geëxploiteerd door het Franse staatsbedrijf SNCF, dat voor 40 miljard euro in het krijt staat bij de staat. Vanaf 2020 moet de exploitatie van het netwerk Europees worden aanbesteed. Italiaanse bedrijven azen op de meest lucratieve verbindingen, zoals die tussen Brussel en Parijs. Hoogste tijd om de balans op te maken.

In 2014 verscheen er een rapport waarin de economische voordelen van het hogesnelheidsspoor voor het eerst werden geëvalueerd. Die voordelen, aldus Ecorys in ‘The Economic Footprint of Railway Transport in Europe’, bleken er voor de meeste steden niet te zijn. Wel groeide het forensisme. Alleen Parijs vaart er wel bij. Zelfs knooppunt Lille heeft amper garen gesponnen bij de TGV. Sterker, sinds de komst van de snelle trein is het werkloosheidscijfer in Nord Pas de Calais verder opgelopen. Wel steeg het aantal banen in de directe omgeving van de stations, maar die lijken onttrokken aan de wijdere omgeving. En de lijn Parijs-Lyon die werd gezien als een van de lucratiefste, is dan misschien in vervoerstermen een succes, het effect op Lyon blijkt zeer beperkt. Ook in de Rhône-streek blijkt de werkloosheid sinds de komst van de TGV met 4 procent opgelopen. In een rapport van Ecorys uit 2014 staat: “Even though employment growth in cities that are on the TGV line does not generally appear to have been above the national average, a TGV connection can favour the retention of existing companies.” De vraag die The Economist aan de Franse regering stelt is of het vasthouden van bedrijven eigenlijk wel de vele miljarden euro’s waard is geweest. Zelf denk ik: had dat bedrag in de steden zelf gestoken. Dat geldt ook ten aanzien van de 11 miljard euro voor de HSL-Zuid. Zes steden kregen mooie nieuwe stations, dat wel. Maar verder?

Tagged with:
 

Gehoord in het Stadsdeelkantoor van Amsterdam-Oost op 30 juni 2017:

Afbeeldingsresultaat voor paul smith holywood

Foto: Paul Smith in Hollywood

Afgelopen vrijdag presenteerden acht studententeams van de Universiteit van Amsterdam hun ruimtelijke analyses en daarvan afgeleide planologische interventies in Amsterdam-Oost in aanwezigheid van twee stadsdeelbestuurders en de ambtelijk opdrachtgever. Die laatsten vormden de jury die het werk moest beoordelen. De eindpresentaties vonden plaats in de raadszaal van Oost. Dat gaf iets feestelijks. De vraagstukken waarvoor ze in een maand tijd interventies moesten verzinnen hadden betrekking op kantorenleegstand aan de Mr. Treublaan, ouderenhuisvesting in de Indische buurt, fietsdrukte op de Weesperzijde, wonen op bedrijventerrein Overamstel, toekomst voor de tijdelijke broedplaats Lolalik in de Bijlmerbajes, reconstructie van het Flevopark, overgewicht in de Transvaalbuurt, toekomst van volkstuincomplex Amstelglorie. Het atelier had plaatsgevonden Lolalik in de Bijlmerbajes, waar op dit moment volop wordt gebouwd. Net als de acht vraagstukken bleken de door hun aangedragen interventies buitengewoon divers.

Voor de leegstaande kantoortoren aan de Amstel suggereerden ze een kleurrijke Instagram-actie naar het voorbeeld van Paul Smith’s Pink Boutique in Hollywood, die voor de belegger een uitweg moest bieden uit een impasse die al jaren voortduurde. Voor de ouderenhuisvesting bedachten ze collectieve eettafels die ouderen uit hun isolement zouden moeten halen. Voor het probleem van de fietsdrukte bedachten ze een verrijking van de zogenoemde Knowledge Mile met buurtvereniging Weesperzijde en de Fietsersbond om van de Wibautstraat een fietsbypass te maken. Voor de ontwikkeling van wonen èn werken op Overamstel stelden ze een tijdelijke community voor op een van de kavels die zwaar vervuild is en die onlangs door een actieve ontwikkelaar is aangekocht. Voor Lolalik bedachten ze een BajesFest waarmee eenheid in het verbrokkelde gebied tussen Weespertrekvaart en Duivendrechtse vaart zou worden gesmeed.  Voor de reconstructie van het Flevopark kwamen ze met een verduidelijkende bewegwijzering die gebruikers zou attenderen op voorgestelde veranderingen. Voor het probleem van overgewicht stelden de studenten straatdiners voor in het stille westelijke deel van de wijk om betrokkenheid van afzijdige bewoners uit te lokken, en een voetbaltoernooi in het veel actievere oostelijke deel. Voor Amstelglorie riepen de studenten gemeente en volkstuinvereniging op om aan de hand van scenario’s een open gesprek over de toekomst van Amstelkwartier te voeren. Bijzonder was het om te ervaren wat dertig studenten in amper een maand tijd aan planologische interventies kunnen verzinnen. In plaats van lastige besluiten te forceren ontwikkelden ze verrassende interventies die door middel van crowdsourcing nieuwe toekomsten kunnen genereren.

Tagged with:
 

Schijnbare chaos

On 3 juli 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Schijnbare chaos’ (1989) van Götz Nassuth:

Afbeeldingsresultaat voor van eesteren lelystad

Foto: C. van Eesteren, ontwerp Lelystad, 5 februari 1964 (tekening G.A.Nassuth)

De conservator van Het Nieuwe Instituut te Rotterdam zocht contact. In het archief van onderzoeker Theo van Lohuizen (1890-1956) waren kaartenbakken met fiches aangetroffen. Op elk fiche is een uitsnede uit de topografische kaart van Nederland geplakt, telkens rond een nederzetting, een gehucht, dorp, stad, grootstedelijke kern. Ernaast staan systematisch gegevens over de omvang en groei met pen geschreven. De herkomst van de bakken was onduidelijk. Er zat een verwijzing bij naar mij. Vandaar het contact. Ineens herinnerde ik me weer mijn bezoek aan Götz Nassuth, oud-medewerker van de Rijksplanologische Dienst en voormalig student-assistent van Van Lohuizen op de Technische Hogeschool te Delft. Het moet rond 1995 zijn geweest. Daar, aan de kade in Amsterdam-Zuid, had ik de kaartenbakken gezien. Ze dateerden uit de Delftse periode van Nassuth. Ze zagen er aandoenlijk uit. Götz had me gevraagd wat hij ermee aan moest. Waarop ik hem adviseerde ze af te leveren bij de Droogbak in Amsterdam, bij het toenmalige Documentatiecentrum voor de Bouwkunst. Wat hij daarna ook deed. Korte tijd later stierf hij.

Nassuth was met Cornelis van Eesteren de ontwerper van Lelystad, net zoals zijn broer Siegfried samen met Van Eesteren de ontwerper was van de Bijlmermeer. Anders dan zijn broer school bij Götz de interesse eerder in het wetenschappelijke onderzoek naar verstedelijking dan in het tekenen van verkavelingen. Hoe groeien steden? Welke patronen zijn daarin te ontwaren? Nassuth ontdekte de chaostheorie. Deze bijzondere belangstelling had hij geërfd van zijn leermeester Van Lohuizen. Bij zijn afscheid in 1989 van de Rijksplanologische Dienst publiceerde Nassuth zijn levenswerk, gebundeld in een fraai boekwerk, getiteld ‘Schijnbare chaos’. Ik heb nog een exemplaar. Op het omslag staan fractale patronen. Steden, schreef hij, groeien organisch. Ze planmatig ontwikkelen heeft weinig zin; ze gaan hun eigen gang. Nassuth: “Met die alles hou ik geen pleidooi voor luiheid en achteloosheid met betrekking tot concepties van een wereld die ons de dag van morgen wacht. Wat hier wordt bepleit is juist meer eenheid in die concepties te bevorderen door erop te wijzen dat het streven naar het mechanistische ideaal van perfectie in al ons doen en laten een gepasseerd station is.” Dat schreef hij daags na publicatie van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (1988), waarin de woningcontingenten door overheidsinstanties planmatig over de verschillende kernen werden verdeeld. Het resultaat? Ga maar rijden door Nederland. Ondanks alle planning schijnbaar chaotisch.

Tagged with:
 

Onbegrijpelijke toekomst

On 30 juni 2017, in boeken, technologie, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘What is the Future’ (2016) van John Urry:

Afbeeldingsresultaat voor what is the future? urry

Afgelopen weekeinde in Het Parool (24 juni 2017) een interview met Leo Meyer, oud-onderzoeker bij het IPCC en het Planbureau voor de Leefomgeving. Meyer is klimaatexpert. Nee, vrolijk werd ik er niet van. Meyer: “We vliegen blindelings op een voor ons onbegrijpelijke toekomst af. In 2500 zou de zeespiegel wel eens 15 meter hoger kunnen staan.” Alle toekomstprojecties, aldus Meyer, zijn met grote onzekerheden omgeven. Alles is denkbaar, het gekste kan gebeuren. We lijken het echter niet te beseffen. “Hoe groot, hoe omvangrijk, hoe urgent het probleem is, dringt niet door.” Het interview deed me denken aan het vorig jaar verschenen boek van de Britse socioloog John Urry. In ‘What is the Future?’ onderzocht deze de toekomst als maatschappelijk fenomeen. “Futures are now everywhere.Thinking and anticipating the future are essential for almost all organizations and societies.” Tegelijkertijd lijken al die toekomsten onvoorspelbaarder dan ooit, onzeker en onbekend. Fijntjes stelt Urry vast dat met toekomstdenken de planologie weer terug op het toneel lijkt. Aan planologie kleefde de geur van de sociaal-democratie. Toen die het aflegde tegen het neoliberalisme, moesten de planologen een toontje lager zingen. Noem je leerstoel echter ‘Future studies’ en je zit gebeiteld.

De laatste hoofdstukken van ‘What is the Future?’ zijn gewijd aan toekomstscenario’s. Het allerlaatste hoofdstuk gaat over het klimaat.  Geen van de vier klimaatscenario’s loopt goed af. In het eerste scenario zijn klimaatwetenschappers door regeringen die de toekomst van ‘economische groei voorop’ aanhangen in de hoek gezet van een verschrikkelijke toekomst, een rampspoed waar zij niets aan kunnen doen en die zich noodlottig zal wreken: een regelrecht Cassandra syndroom. In het tweede zijn er activisten die een CO2-neutrale toekomst voor mogelijk houden, maar ze zijn te laat en zullen hun doel slechts bereiken tijdens mondiale catastrofes. De derde stroming denkt aan ecologische modernisering, al meent Urry dat er van een monumentale technologische ommekeer sprake zal moeten zijn om zo’n toekomst plausibel te maken. Ten slotte is er, als reactie op rampen die zich hoe dan ook zullen voltrekken, een toekomst denkbaar, gedomineerd door grootschalige geo-engineering via machtige partijen die de democratie daarbij opzij zullen schuiven. Zij zullen proberen het klimaat naar hun hand te zetten, waarop oorlogen zullen uitbreken. Het lijkt wel of Urry, die vlak voor zijn dood het manuscript voltooide, in de toekomst van het klimaat aanleiding zag voor het schrijven van zijn boek. ‘What is the Future?’ is een somber boek. U begrijpt dat ik na lezing het even niet meer zag zitten.

Tagged with:
 

Digital Storytelling

On 29 juni 2017, in film, innovatie, participatie, by Zef Hemel

Gelezen op Storyplacers.tumblr.com:

image

 

Ze promoveert binnenkort op de Universiteit van Helsinki in participatieve planning. We raakten met elkaar in gesprek. Ze vertelde me over Telephonoscope. Telephonoscope is een in Japan ontwikkelde methode, waarbij mensen hun verhalen over hun eigen leven in een bepaalde buurt inspreken in een telefoon. De verhalen worden opgenomen en digitaal gedeeld. Ik bezocht de website die ze me doorspeelde. Het gaat om Storyplacers, een transdisciplinair project van Japanse en Finse wetenschappers. Gewerkt wordt met een ouderwetse bakelieten telefoon, maar onder de omhulling zit moderne opnameapparatuur verborgen. Alleen een Japanner kan zoiets grappigs verzinnen. Op diverse plekken in Helsinki stond de telefoon tijdelijk opgesteld: een bibliotheek, een supermarkt, een kantoor, een keer betrof het zelfs een Finse sauna. Per keer werden circa twintig verhalen opgenomen. Elk verhaal duurde niet langer dan 3 minuten. Die verhalen werden gedeeld.

Telephonoscope is een vorm van digital storytelling (DST), een methodiek die midden jaren ’90 werd ontwikkeld door het Centre for Digital Storytelling in San Francisco. De methode is gericht op het leren, delen en creëren door gewone mensen, alles ondersteund door digitale technologie met dragers als film, fotografie, animatie, muziek of geluid. Kort gezegd gaat het om het delen van korte verhalen die door beeld en geluid worden ondersteund. Digital storytelling maakt gebruik van zowel creatief schrijven, orale geschiedenis als kunsttherapie. Kunstenaars, wetenschappers en activisten hebben de methode gezamenlijk ontwikkeld. Door de verhalen digitaal te delen kunnen alledaagse ervaringen van gewone mensen in lokale gemeenschappen de hele wereld over reizen en uiteindelijk een enorme impact hebben. Ook voor planners lijkt me dit buitengewoon interessant. Voor wie meer wil weten  http://sphera.ucam.edu/index.php/sphera-01/article/viewFile/262/243.

Tagged with:
 

The City as Playground

On 28 juni 2017, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Retracking America’ (1973) van John Friedmann:

Eind mei op uitnodiging van Prof. Jan Zielonka een gastcollege gegeven op Oxford University over governance in het digitale en circulaire tijdperk. Hoe kan het dat een stad als Amsterdam zo voorop loopt binnen Europa als het gaat om circulariteit, innovatie en digitale connectiviteit? Mijn lezing had als titel ‘The City as Playground’. Mijn invalshoek was die van de tegencultuur. Amsterdam kent een hele krachtige tegencultuur die inmiddels in de lokale institutionele wereld op tal van sleutelposities is doorgedrongen. Het waardensysteem van de tegencultuur is die van duurzaamheid, delen, creëren, spelen, innoveren, alles sociaal en inclusief. Van technologie is ze niet vies, maar bij haar is het allemaal spel, ernstig spel, het gaat haar niet om het winnen. Waar de tegencultuur is doorgedrongen in de gemeente ziet men broedplaatsenbeleid, tijdelijk gebruik van gebouwen, vrije vormen van gebiedsontwikkeling, spannende pilots, gewaagde experimenten. Waar ze in de universiteiten de ruimte krijgt, zijn onderwijs en onderzoek speels geworden, open, vernieuwend, experimenteel, vrolijk. En waar ze het bedrijfsleven infecteert, ontwikkelen ondernemers spannende nieuwe producten en diensten die maatschappelijk veel kunnen betekenen. Het mainstream worden van de tegencultuur in organisaties als de Amsterdam Economic Board is bepalend voor het succes van Amsterdam aan het begin van de eenentwintigste eeuw.

De Amerikaanse planoloog John Friedmann (1926-2017) heeft in ‘Retracking America’ (1973) het waardenstelsel van de tegencultuur treffend getypeerd. De tegencultuur, schreef hij, was een reactie op het zakelijke modernisme van de naoorlogse jaren, dat dacht vanuit schaarste, met één dominante cultuur die opereerde binnen een mechanistische sociale orde waarin iedereen zijn of haar vaste plek had. De tegencultuur brak daarmee. Twee waarden stonden bij haar voorop: “1. find the way back to the discovery of the Self, 2. Build up new forms of the collective life.” Met dat eerste duidde ze aan dat je je hart niet moet afsluiten van je verstand, dat je geloofwaardig moet zijn en gecommitteerd aan de zaak, dat al je acties sporen met wat je zegt, dat je werkt aan de tekortkomingen van de samenleving, dat je je overtuigingen niet moet opleggen aan anderen, maar ook dat je niks doet wat indruist tegen je eigen inzichten, en vooral dat je leert van anderen. Met het tweede waarde doelde Friedmann op het creëren van op het individu gerichte instituties, het vermijden van grootschaligheid, het werken in kleine teams, het versterken van niet-hiërarchische relaties, het beperken van bureaucratie. Het actief deelnemen aan de besluitvorming die je leven vormgeeft en het bewust niet deelnemen aan praktijken die je niet begrijpt of waar je niet in gelooft, ze typeren het waardensysteem van de tegencultuur. Wees vrij en voel je verantwoordelijk. Zo’n waardenstelsel, meende Friedmann, past het beste bij een toekomstige samenleving die door overvloed wordt getypeerd.

Tagged with:
 

Egalitair Tokio

On 26 juni 2017, in hoogbouw, wonen, by Zef Hemel

Gelezen in The Tokyo Files 2016 van Clark Parker:

 Afbeeldingsresultaat voor vertical gated communities tokyo

Afgelopen woensdag presenteerde de Urban Planning Group van de Universiteit van Amsterdam zijn lopende onderzoeken aan de gemeente. Ook mijn eigen vergelijkende onderzoek naar ‘Smart Communities in Amsterdam+Tokyo’ werd met PhD’s en studenten uit de Research Master besproken. Daar kwam de vraag op of niet ook Tokio veel gated communities kent. Op mijn ontkennende antwoord werd met ongeloof gereageerd. Hoe kan een Aziatische megastad met meer dan 35 miljoen inwoners geen gated communities tellen? In The Tokyo Files geeft Clark Parker een verklaring. Tokio kent overal een relatief hoge dichtheid, alle woningbouw is sterk op metro en trein gericht, de criminaliteit in Tokio is laag, ook de inkomensongelijkheid is er gering. Niet vergeten moet worden dat Tokio uit een zeer omvangrijke middenklasse bestaat die in de naoorlogse periode vanuit het egalitaire Japanse ideaal van de ‘100 miljoen middenklasse’ werd opgekweekt. Dat ideaal kwam neer op een hecht gezinsleven, hard werken, sobere huisvesting, speeltuinen voor kinderen en voor iedereen een fiets.

De belangrijkste reden voor het ontbreken van afgeschermde woongebieden voor de rijken in Tokio schuilt in de Japanse regelgeving. In ‘Vertical Gated Communities in Tokyo’ (2007) schrijft Junko Abe-Kudo, verbonden aan Sugiyama Jogakuen University, dat het Japanse Bouwbesluit geen wegen toestaat die uitsluitend eigendom zijn van en onderhouden worden door bewoners zelf of door gemeenschappen van bewoners. Alle wegen moeten vrij toegankelijk zijn. “Therefore, at present in Japan, we do not have any American style gated communities which are physically isolated from the neighbouring area with gates, fences around estates, and roads possessed communally and privately among the residents.” Gewoon een kwestie van wetgeving dus.  Kan elke stad doen. Het resultaat is een reusachtige, zeer leefbare megastad waar mensen van allerlei slag elkaar dagelijks op straat tegenkomen. Maar waterdicht is het niet. Want wat gebeurt er op dit moment in Tokio? De wens om je als rijke af te zonderen is kennelijk zo sterk dat men de laatste tijd zijn toevlucht zoekt in hoogbouw. Het verklaart deels waarom hoogbouw aan een stevige opmars bezig is in Tokio. Hoogbouw, wel te verstaan, voor de rijken.

Tagged with:
 

Tokio als regenwoud

On 23 juni 2017, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Made in Tokyo’ (2015) van Momoyo Kaijima e.a.:

Afbeeldingsresultaat voor made in tokyo

We maakten kennis in Amsterdam. Na afloop zond hij me een grappig boekje over Tokio. De architect Ben van Berkel van UN Studio reageerde geamuseerd toen ik hem vertelde dat ik Tokio een van de meest intrigerende steden op aarde vond en dat ik er naar onderzoeksprojecten zocht. Hij wenste me veel inspiratie, schreef hij me. In ‘Made in Tokyo’ doen drie Japanse architecten onderzoek naar nieuwe, vreemdsoortige architectuurtypologieën in de Japanse hoofdstad. Het Japanse woord voor zulke gebouwen is da-me (niet goed). Vooral in de meest recente gebouwen ontwaren zij bizarre programma’s zoals ‘rail museum, flying temple, sewage court, karaoke hotel, dispersal terminal, bath tour building, vampire park, coolroom estate, diving tower, horse apartment house, electric passage, cine-bridge, neon building,’ enzovoort. Van elk van de gebouwtypen is een korte beschrijving opgenomen, een getekende weergave, een kleine zwart-wit foto en een kaartuitsnede. Zeker zo interessant als deze bizarre gebouwen vond ik de interpretatie van Tokio als geheel door de drie schrijvers. Vormde de Japanse hoofdstad niet een krankzinnig chaotisch geheel?  “Actually, despite these claims of chaos, Tokyo is interesting in its own way of functioning. It resembles the unstructured forms of the rainforest, within which there is in fact many types of creatures co-existing, whilst each contructing their own world.” Tokio als een van de rijkste stedelijke ecosystemen ter wereld.

Achterin het boekje staat de tekst van een interview van de drie auteurs met Takashi Homma, fotograaf en schrijver van ‘The Narcissistic City Notebook’ (2016). Homma is zijn hele leven al gebiologeerd geweest door steden.  Wat hij van de bizarre gebouwen vond, was de vraag van de drie architecten. Hij vond ze, antwoordde hij, humoristisch, maar ook hard. Maar Tokio, zei hij, is ook hard. En een aantal gebouwen in het boekjes was alweer afgebroken. Niet dat hij dit erg vond. Foto’s wekken vaak nostalgische gevoelens, zeker in sepia afgedrukt, maar daar had Homma geen last van. Als de gebouwen hun functie hebben verloren, kun je ze net zo goed afbreken, vond hij. Hij was meer geïnteresseerd in de toekomst. Welk gebouw inmiddels alweer verdwenen is weet ik niet, maar bijzonder vond ik ‘shooting graveyard’ in Niizuka, Niiza-shi. Het was een Olympische schietbaan uit 1964, aangelegd op de plek van een zeer oude tombe. Op dit moment wordt hij gebruikt door het Japanse zelfverdedigingsleger voor schietoefeningen. Schieten en begraven, een huiveringwekkende combinatie van functies, schrijven de samenstellers. Is dit humoristisch? Wellicht. Het is vooral hard. Da-me.

Tagged with:
 

Overal groei

On 22 juni 2017, in migratie, by Zef Hemel

Gehoord in Museum Het Schip in Amsterdam op 18 juni 2017:

Afbeeldingsresultaat voor a city of comings and goings

Twee bijzondere bijeenkomsten bijgewoond in Amsterdam. De ene ging over bevolkingskrimp op het Europese platteland, de tweede over recente migratie naar Europese steden. De eerste speelde zich af in het Paleis op de Dam en werd bijgewoond door de Koninklijke familie, de tweede – vier dagen later – vond plaats in museum Het Schip in de Spaarndammerbuurt en maakte deel uit van het International Social Housing Festival. Tijdens de eerste werd een terugkeer naar het platteland bepleit, ja er werd zelfs een rurale renaissance in het vooruitzicht gesteld, de tweede pleitte voor een gastvrije stad voor buitenlanders en internationale vluchtelingen omdat de stroom migranten naar steden ook de komende jaren zal aanhouden. Wel gek om die twee bewegingen naast elkaar te zien. Migratie, zo luidde het afgelopen zondagmiddag, hoort nu eenmaal bij stedelijke ontwikkeling en dus is het belangrijk hoe steden die aanhoudende groei opvangen. Terwijl we vier dagen eerder in het geval van de platteland van bevolkingskrimp niet mochten spreken: plattelandsgemeenten waren “in een transitiefase”. Daar in het Paleis werd weliswaar toegegeven dat jongeren het platteland verlaten, maar die zouden terugkeren als de plattelandsgemeenten zich hun lot meer zouden aantrekken. Over buitenlandse migranten hoorde ik niets. Kennelijk zijn we ver voorbij de crisis. Overal ziet men weer groei.

Tijdens het International Social Housing Festival introduceerde Michelle Provoost van het Rotterdamse onderzoeksbureau Crimson die zondag vier steden die bijzondere migratie-geschiedenissen kennen: Prato in Italië, Aarhus in Denemarken. Londen en Wenen. Het voorbeeld van Prato ging over Chinese migranten in de kledingindustrie, Aarhus over de opvang van Syriërs, Londen over migranten uit de hele wereld, Wenen over de invasie uit Oost-Europa en de Balkan. Opvallend was dat elk van de sprekers liet zien dat opvang en integratie vooral in het informele en ongeplande plaatsvinden, niet in de gereguleerde systeemwereld van instanties en overheden. In Londen ging het om oude, vieze hoofdstraten waar migranten de straathandel nieuw leven inblazen, in Prato de vergeten publieke ruimte waar kunstenaars en migranten nieuwe ontmoetingsplekken creëren, in Aarhus de leegstaande openbare gebouwen, in Wenen de private huursector. Vooral Prato was illustratief. De Italiaanse autoriteiten, aldus Massimo Bressan, dachten de Chinese migranten te kunnen exploiteren, maar die bedachten hun eigen strategie. Chinezen kopen daar nu massaal vastgoed op en omzeilen daarmee de programma’s van de autoriteiten. Onmacht en onvermogen om met migratie om te gaan lijken overal groot. Onmacht, aldus Provoost, tekent ook de kabinetsformatie in Nederland, die is vastgelopen op uitgerekend de migratie.

Tagged with:
 

Een wereld te winnen

On 20 juni 2017, in benchmarks, by Zef Hemel

Gehoord bij Mori Memorial Foundation in Tokio op 23 mei 2017:

Afbeeldingsresultaat voor global power city index mori

Professor Hiroo Ishikawa ontving ons op de veertigste verdieping van het imposante Roppongi Hills. Op de vloer was een reusachtige maquette van het centrum van Tokio nagebouwd. Het gebied reikte van de baai tot aan Shinjuku. Ernaast lag, op dezelfde schaal, het schiereiland Manhattan. In één oogopslag werd duidelijk dat het centrum van New York slechts een fractie vormt van het veelkernige centrum van de Japanse megastad. We spraken over de ‘Global Power City Index 2016’ van de Mori Memorial Foundation. Het Institute for Urban Strategies van deze stichting – spin-off van een van de rijkste ontwikkelaars van Japan – doet al jaren onderzoek naar Global Cities. Men bestudeert 42 steden en doet dat op grondige wijze. Elke stad scoort op 70 indicatoren.In de index van afgelopen jaar staat Johannesburg op de laatste plaats. New York staat op plaats 2, na Londen en vóór Tokio. Tokio is Parijs voorbijgestreefd, die nu op plek vier is beland. Amsterdam staat op plaats 8, net boven Berlijn, maar onder Hong Kong. Die relatief hoge plek op de lijst van wereldsteden heeft de Nederlandse hoofdstad vooral te danken aan de luchthaven. Zonder Schiphol was Amsterdam of Nederland überhaupt niet op de ranglijst geweest.

Naast internationale bereikbaarheid (netwerk, vluchten, landingsbanen, punctualiteit) scoort Amsterdam relatief hoog op culturele aantrekkelijkheid. De uitstekende culturele voorzieningen en de schitterende binnenstad dragen hier uiteraard aan bij. Ook qua stadions, hotels en in mindere mate winkels doet de stad het niet slecht. Maar op alle andere vlakken doet Amsterdam het eigenlijk beduidend minder dan veel andere wereldsteden: onderwijs en onderzoek, economie, leefbaarheid, en zelfs duurzaamheid. Een megastad als Tokio biedt op al deze terreinen beduidend meer, ja zelfs als het om leefbaarheid en duurzaamheid gaat. Stedelijke omvang zegt dus weinig. En juist de Japanse steden (Osaka, Fukuoka, Tokio) scoren hoog op leefbaarheid. De auto heeft er geen ruimte gekregen. In het oog springend vond ik ook het belang van de culinaire infrastructuur in de benchmark van de Mori Memorial Foundation. Lekker eten in uitstekende restaurants, het maakt veel uit en blijkt buitengewoon belangrijk voor de score van een wereldstad. Die culinaire reputatie heeft weer invloed op economie, onderwijs en onderzoek, cultuur en leefbaarheid. En op culinair gebied scoort Amsterdam matig (plaats 28). Een eetcultuur is hier nauwelijks ontwikkeld. In Tokio is dat heel anders. Uitgerekend daarop valt nog een wereld te winnen.

Tagged with: