Commoning zonder woningmarkt

On 24 januari 2020, in Geen categorie, by Zef Hemel

Gehoord in het Universiteitstheater te Amsterdam op 16 januari 2020:

Afbeeldingsresultaat voor mara ferreri newcastle

Bron: Mara Ferreri (Twitter)

Mara Ferreri, van huis uit Italiaanse, is geograaf en wetenschappelijk medewerker verbonden aan Northumbria University, Newcastle in Engeland. Ze doet onderzoek naar ongelijkheid en naar ‘housing commons’ in zowel Londen als Barcelona. Over dat laatste sprak ze op de vierde dag van de Masterstudio ‘The Common City’ op de Universiteit van Amsterdam. Haar gehoor: veertig masterstudenten Urban Planning evenals ambtenaren en professionals op het terrein van commoning in Amsterdam. Voor Ferreri zijn de commons geen goed, maar een proces. Commoning betreft een proces van collectieve zelforganisatie waarbij ruimtes – in dit geval woningen – door burgers worden geclaimd. Commoning is in haar ogen een radicale politiek die in steden telkens wordt heruitgevonden. Wonen noemde ze in navolging van Turner (1972) een werkwoord want woningen zijn veel meer dan een consumptiegoed. Mensen leven in en met hun woningen, die ze voortdurend aanpassen aan hun wisselende bestaan. In haar lezing sprak ze van een geografie van commoning en behandelde ze zowel Londen in de jaren ‘70 als Barcelona na de recente financiële crisis.

In het verarmde Londen rond 1975 leefden zeker 25.000 krakers. Onder hen waren eind jaren ‘70 circa 15.000 gebruikers van coöperatieve eenheden. Ze bezetten meest lege woningen die wachtten op sloop. Ferreri toonde kaarten van de Britse hoofdstad waarop bezette coöperatieve eenheden waren aangegeven. Een piek bereikte de beweging tussen 1976 en 1988, vier jaar na de opkomst van de kraakbeweging. Met een wet uit 1974 maakte de Britse overheid deze spontane wijze van wonen (short life licencing) mogelijk. Maar in 1988 kwam er een nieuwe woningwet die coöperatieve vormen van tijdelijk wonen onmogelijk maakte. Midden jaren ‘90 waren de meeste alweer opgeheven. De nieuwe wet reageerde op snel stijgende grondprijzen; privatisering greep om zich heen. In 2018 zijn er nog maar vier wooncoöperaties over.  Ferreri trok drie conclusies: 1. commoning ontwikkelt zich van onderop, 2. commoning reageert op leegstand, 3. commoning wordt mogelijk gemaakt door lagere overheden die zelfbestuur door burgers erkennen. Daarna volgde het voorbeeld van Barcelona na de financiële crisis. Daar is commoning geïnspireerd op Uruguay, waar krachtige burgerbewegingen het wonen bepalen. Institutionele steun blijkt ook daar cruciaal. Vaak echter is de overheid bang dat ze bepaalde groepen bevoordeelt. Terwijl commoning zich voltrekt buiten de markt om. Anders was ze wel een privaat initiatief van een groep ordinaire kopers. Maar dat is een ernstige vergissing.

 

When the commons meet the public

On 22 januari 2020, in energie, by Zef Hemel

Gehoord in het Universiteitstheater te Amsterdam op 15 januari 2020:

Afbeeldingsresultaat voor burger energie berlin

Op de derde dag van Masterstudio ‘The Common City’ bij de Universiteit van Amsterdam was Timothy Moss een van de sprekers. De Brit Moss is verbonden aan het IRI THESys van de Humboldt Universiteit in Berlijn. IRI THESys staat voor Integrative Research Institute on Transformations of Human-Environment Systems – een hele mond vol. Moss – van huis uit historicus – doet onderzoek naar institutionele veranderingen in stedelijke infrastructuren, ook hun ruimtelijkheid betrekt hij daarin. In Amsterdam sprak hij over de ‘energie commons’. Vroeger, vertelde hij, behoorde energievoorziening tot de publieke goederen, maar de afgelopen decennia is alles geprivatiseerd. Sommigen willen terug naar de oude situatie, maar dat kan niet meer. Biedt de commons uitkomst? Om dit te onderzoeken moet volgens hem verschil worden gemaakt tussen commoning bij grondstoffen (olie, steenkool, gas, elektriciteit), infrastructuren (leidingen, netwerken) en omgevingen (atmosfeer, landschappen, water). Bij elk is sprake van grote institutionele uitdagingen. Infrastructuren zijn sowieso ‘club goods’: je kunt ze moeilijk afsplitsen. Fijntjes wees Moss erop dat in de meeste literatuur de geografie ontbreekt. Die maakt het nóg ingewikkelder.

Als casus nam Moss Berlijn. Daar is het dossier energie hevig in beroering. Deels komt dit door de Duitse Energiewende, die grote veranderingen aanjaagt. Daarnaast loopt de concessie voor het Berlijnse elektriciteitsgrid op zijn einde. Burgers weten dit. Zij klagen over het weinig enthisch handelen van de commerciële energiebedrijven en verzetten zich. Verzet hoort ook bij de moderne geschiedenis van Berlijn: tijdens de Koude Oorlog was er onder de bevolking hevig verweer tegen de bouw van twaalf centrales in de bossen van West-Berlijn. Het gedrag van overheden is nog lang niet vergeten. Wantrouwen drijft dus de burgers. Het zijn lokale sociale burgerbewegingen die de kans zien om vormen van commoning in de stedelijke energievoorziening te introduceren. Moss noemde twee voorbeelden. In de Berlin Energy Ronde Tafel werken veertig lokale groepen stadsbreed samen. Daarnaast is er de coöperatieve Bürger Energie Berlin die delen van het grid wil kopen – meer dan 12 miljoen euro heeft ze nog niet opgehaald. Energiebedrijven als Vattenfall proberen op de beweging in te spelen. Ook de Berlijnse overheid reageert. Maar netwerken kun je beter niet opsplitsen. En de overheid wordt allerminst vertrouwd. Een typisch geval van “when the commons meet the public.” Wie is hier het collectief? Wie wordt buitengesloten? De komende periode zal spannend worden in Berlijn.

Tagged with:
 

De moeizame praktijk van commoning

On 20 januari 2020, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gehoord in het Universiteitstheater te Amsterdam op 13 januari 2020:

Afbeeldingsresultaat voor common city uva

Bron: Enrico Savini

Atul Pokharel, verbonden aan Wagner School for Public Management New York University, probeerde naar Amsterdam te komen, maar kreeg geen visum. Daarom sprak hij de studenten en andere aanwezigen in UvA Masterstudio The Common City noodgedwongen toe via Zoom, vanuit een nachtelijk New York. Wel zo duurzaam. Voor ons was het 9.30 uur in de ochtend, maar voor hem was het 3.30 uur lokale tijd. Niettemin leidde het tot een spannend college over de ‘commons’. Een uitstekende aftrap. Wat is commoning? Hoe realiseer je een commons? Pokharel introduceerde de Ostrom of Bloomington School. Deze richt zich op grondstoffen (vis, grond, water, lucht) die door groepen worden beheer en onderhouden. Ze zijn eigendom van niemand en worden door iedereen gebruikt. Mensen zijn daardoor gedwongen om samen te werken. Dat vereist sociaal kapitaal en collectieve actie. Pokharel, die naar praktijken van commoning onderzoek doet, noemde deze in navolging van Elinor Ostrom de ‘derde manier’ om grondstoffen te beheren, naast overheidsregulering en marktwerking. Commoning is duurzamer, eerlijker en functioneert doorgaans beter. Pokharel is vooral in ‘fairness’ geïnteresseerd.

Wie commoning praktiseert stuit op grote problemen. Collectieve actie is lastig te realiseren. Ook is het moeilijk om meelifters en profiteurs buiten te sluiten. Veel hangt af van sociaal kapitaal, individuele capaciteiten, en, niet te vergeten, gedeeld verlangen. Pokharel wees op het niet-rationele gedrag van mensen. Mensen zijn niet berekenend. Anders dan economen menen, denken ze niet uitsluitend in kosten en baten. “People care about fairness.” Ze hanteren normen, kunnen zich schuldig voelen of andere mensen waarderen en iets gunnen, zelfs liefde voelen. Oneerlijk gedrag herkennen ze snel en wijzen ze af. Desalniettemin gedragen ze zich strategisch. Maar dat betekent niet dat de overheid op voorhand moet ingrijpen of de markt zijn werk moet laten doen. Om commoning een kans te geven moet de overheid lokale initiatieven herkennen, minimaal interveniëren en vooral condities scheppen voor individuen om hun sociale en organisatorische capaciteiten maximaal aan te wenden. Overheden moeten hun macht ‘wijs’ gebruiken en hun interventies ‘verstandig kalibreren’. Een probleem zijn minderheden en ook principiële meningsverschillen tussen groepen. Dat maakt het lastig. Er is veel wantrouwen en steden zijn complexe omgevingen. Daarover ging de rest van de Masterstudio, die nog een week zou duren. Wordt dus vervolgd.

De tuin der wereld

On 15 januari 2020, in ethiek, film, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Laudato Si’ (2015) van paus Franciscus:

Laudato si' - 9789492093202

Voor het eerst in mijn leven een encycliek gelezen. In 2015, kort voor de start van de klimaatonderhandelingen in Parijs, promulgeerde paus Franciscus in Rome ‘Laudato Si’ (Geprezen zijt Gij), een encycliek over het behoud van het gemeenschappelijke huis. Normaal zou ik zo’n gewijde tekst niet lezen, maar na het zien van de film ‘The Two Popes’ was ik toch nieuwsgierig geworden. Ook was ik benieuwd naar wat de paus te zeggen zou hebben over het klimaatvraagstuk. In de brief roept hij de mensheid op tot “een nieuwe dialoog over de wijze waarop wij de toekomst van de planeet gestalte geven.” Daarbij richt hij zich niet alleen tot de gelovigen. Wij allen hebben zorg voor het behoud van de schepping. Tot mijn verbazing bevat de tekst belangrijke passages over hoe we steden moeten bouwen, met nadruk op de openbare ruimte en met voldoende woningen voor de armen, en zelfs las ik dat stedenbouwers in hun plannen het standpunt van bewoners een plaats moeten geven. In ‘Laudato Si’ komt de paus met niet minder dan een ruimtelijke toekomstvisie ‘van onderop’. De aarde, stelt hij, is ons gemeenschappelijke huis en het eerste hoofdstuk gaat over wat er met dat huis aan het gebeuren is. Er is sprake van een ecologische crisis. De mens is daarvan de wortel. Alles is voor hem economie. Vervolgens roept hij op tot een integrale ecologie met veel aandacht voor de gerechtigheid tussen de generaties. Tenslotte heeft hij lijnen voor oriëntatie en handelen.

De stadspredikant van Amsterdam wees mij op gelijkenissen tussen de tekst van de encycliek en de tekst van mijn toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad. In beide wordt de metafoor van de tuin gebruikt. Een van de negen meditaties bij de encycliek luidt inderdaad: ‘De tuin der wereld bewerken en bewaren.’ Hier wordt gesteld dat de wereld geen probleem is dat wij moeten oplossen, maar een ‘vreugdevol mysterie’ dat wij ‘met blijde lofprijzing’ moeten aanschouwen. Niet de aarde bevolken en onderwerpen, zoals in het eerste scheppingsverhaal valt te lezen, maar de tuin van Eden bewerken en bewaren, zoals in het tweede scheppingsverhaal. Dat, aldus de paus, vereist zowel bewerken en cultiveren als verzorgen, beschermen, bewaken en in stand houden. Na het zien van ‘The Two Popes’ begreep ik het ineens. Let op die ene scene. In de tuin van het Vaticaan spreekt de kardinaal met een tuinman. Samen hebben ze het over de kwaliteit van de oregano. Na afloop krijgt hij een vers plantje in zijn handen gedrukt. Paus Benedictus XVI, die toeziet, begrijpt er niets van. Vervolgens reist de kardinaal door Rome in de stadsbus met het plantje op zijn schoot. De geur van oregano, de boodschap van eenvoud, maar vooral van bewerken, beschermen, bewaken, in stand houden. Zelden een mooiere scene over de metafoor van tuinieren gezien.

Tagged with:
 

Jeff Preiss

On 12 januari 2020, in film, by Zef Hemel

Gezien in het Stedelijk Museum op 23 en 29 december 2019:

 

Afbeeldingsresultaat voor stedelijk museum logo

In het Stedelijk Museum werd deze winter de video ‘Stop’, onderdeel van de installatie ‘More Than I Looked For’ van de New Yorkse filmer Jeff Preiss, vertoond. Vandaag, zondag, was hij voor het laatst te zien. Ik ging twee keer kijken. De beelden laten me niet meer los, ook al is het weken geleden. De video bestaat uit vier delen en duurt in totaal liefst twee uur. Het gaat om een grote reeks zeer korte beeldfragmenten van zeker 2500 analoge 16-millimeter films die alle chronologisch zijn gerangschikt: vanaf het moment dat zijn dochter wordt geboren in 1995 tot en met orkaan Sandy in 2012. Sommige beelden dragen geluid, andere zijn geluidloos. Eigenlijk lijkt het te gaan om een soort van samengestelde home-video, maar de maker is een van de beroemdste filmers van Amerika, die hiermee een inkijkje in zijn privé-leven geeft. Wie durft zich zo kwetsbaar op te stellen? Want die inkijk is verrassend. Thema: dochter laat zich ombouwen tot zoon. Vooral die laatste beelden komen binnen. De puberende jongen staat aan zee, waar orkaan Sandy beukt op de kust van New York City. En ja, uiteindelijk gaat de hele film óók over New York. We reizen in treinen, vliegtuigen, metro, auto’s. Wat een stad!

In deel twee zijn we getuige van 9/11, Preiss filmt het allemaal met zijn camera. Even later staan we tussen de afzettingen en de puinhopen, in deel drie en vier keren we telkens weer naar de plaats des onheils terug, waar na verloop van tijd een bouwput is verschenen. Ondertussen reist Preiss de halve wereld rond: Berlijn, Amsterdam, Londen, Venetië, Seoul. We zitten in vliegtuigen, stijgen op en landen. We volgen niet alleen zijn privéleven, maar ook zijn werkende bestaan als cameraman, zijn successen, zijn vriendschappen. Thuis wordt er gegeten, vakantie gevierd, de hete stad ontvlucht, vrienden ontmoet, familie bezocht, openingen bijgewoond. We maken alles mee, zij het allemaal in flitsen. Wat me nog het meeste trof: het slot met Sandy, de orkaan die zo genadeloos beukt op de kust van een van de grootste steden op aarde. Het is een ramp. En de zoon die eerst nog een dochter was, maar van wie we al vermoeden dat zij zich onbehaaglijk in haar lichaam voelde, zeker wanneer haar haar wordt geknipt. Ergens in ‘Stop’ zegt ze het ook. Die stem had vader Preiss niet zelf opgenomen, maar is afkomstig van een vriend die op hetzelfde moment zijn camera liet lopen. Preiss kreeg het geluidsfragment cadeau en zette het onder zijn eigen beelden. En dan dat verdwijnen van analoge film door de opkomst van digitale camera’s, we zien Preiss een smartphone filmen en we weten, het is voorbij. Nooit meer die mooie warme filmbeelden. Om koude rillingen van te krijgen.

Tagged with:
 

Catastrofe in vier scenario’s

On 9 januari 2020, in duurzaamheid, economie, energie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘What is the Future?’ (2015) van John Urry:

Afbeeldingsresultaat voor johan rockstrom uva

Bron: UvA

Tijdens de 388ste Dies Natalis van de Universiteit van Amsterdam ontving de Zweedse aardwetenschapper Johan Rockström een eredoctoraat. Zijn dankwoord  was alarmerend. De mensheid dreigt de grenzen te overschrijden waarbinnen het planetaire systeem aarde min of meer stabiel blijft. Eenmaal over de grens wacht onheil. Opnieuw was daar een catastrofale toekomstvisie. Klimaatverandering, aldus John Urry, heeft gemaakt dat de toekomst centraal is komen te staan in ons denken. In ‘What is the Future?’ schetst de Britse socioloog vier scenario’s voor de toekomst waarbij klimaatverandering een hoofdrol speelt. Het eerste heet ‘business as usual’. In dit scenario doen regeringen alsof groei noodzakelijk is. De stroom van producten en diensten blijft groeien, of deze nou nuttig is of niet. Mensen veranderen hun gedrag ook niet. In dit scenario is sprake van een Cassandra syndroom: klimaatwetenschappers waarschuwen tevergeefs, waarna de ramp zich voltrekt. Het tweede scenario heet ‘de-growth’: samenlevingen organiseren zich van onderop – een ‘civil society’ ontwikkelt nieuwe leefwijzen die de uitstoot van CO2 en stikstof reduceren. Urry wijst erop dat zulke aanpassingen alleen kunnen plaatsvinden onder invloed van catastrofes. Het derde scenario heet ‘ecologische modernisering’. Op een crisis volgt een nieuwe fase van baanbrekende technologische innovaties. Deze zullen in een cyclus van zestig jaar een hele nieuwe toekomst voor de mensheid creëren, net zoals de industriële revolutie zich in cycli van zestig jaar voltrok en hele nieuwe werelden schiep. Urry ziet hiervoor weinig tekens.

Het vierde scenario heet ‘geo-engineering’. Het is een toekomst van grootschalige catastrofes, die door regeringen en bedrijfsleven tegemoet wordt getreden met zware vormen van geo-technologie. Ingrepen in de aardkorst en in de atmosfeer zullen worden voorgesteld als enige manier om fossiele brandstoffen te kunnen blijven gebruiken. Zulke omvattende programma’s, aldus Urry, vereisen samenwerking op continentale en deels mondiale schaal. “As a Plan B, such geo-engineering is a Faustian bargain trumping democratic politics and dependent upon a globalist imaginary bypassing national processes.” Urry waarschuwt voor een hele nieuwe reeks maatschappelijke conflicten die hiervan het gevolg zullen zijn, hij noemt het een keuze tussen barbarisme en barbarisme, daarmee I. Stengers citerend (‘Catastrophic Times: Resisting the Coming Barbarism’, 2015). De komende decennia zullen we laveren tussen deze vier scenario’s. Urry maakt het niet meer mee. Nog voordat hij zijn boek voltooide, stierf hij. Zijn laatste boodschap: hoe meer wij het toekomstdenken democratiseren, hoe beter wij ons voorbereiden. Op de catastrofe die onvermijdelijk komen gaat.

Tagged with:
 

Een logisch voorstel

On 7 januari 2020, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 4 december 2019:

Afbeeldingsresultaat voor huizenprijs bestaande koopwoning het parool

Bron: CBS/Kadaster (stijging huizenprijzen – rood: Amsterdam)

Goed voorstel van Mark van Houdenhoven in NRC Handelsblad van 4 december. In ‘Geef zorgwerker in dure stad woontoeslag’ voert deze bijzonder hoogleraar Economische bedrijfsvoering in de gezondheidszorg aan de Radboud Universiteit een pleidooi voor de invoering van een regiocomponent in de cao die rekening houdt met veel hogere kosten van levensonderhoud in steden. Ambtenaren in de zorg, onderwijs, openbaar vervoer, politie, brandweer enzovoort krijgen nu overal hetzelfde bedrag uitgekeerd, terwijl de kosten van levensonderhoud in de grote steden van de Randstad veel hoger zijn dan elders. Die verschillen nemen toe. Vooral na de financiële crisis koken de steden over. Het wonen dreigt daar voor ambtenaren onbetaalbaar te worden. In een hoogconjunctuur met een gespannen arbeidsmarkt heeft dat ongewenste effecten. Afgelopen winter moesten scholen in Amsterdam tijdelijk sluiten; ook politiebureaus gingen ‘s nachts dicht. Vandaar het pleidooi van de hoogleraar, die tevens directeur van een groot ziekenhuis is, om personeel te compenseren. Met alle kosten,meent hij, kun je niet rekening houden, maar wel met de snel oplopende woonlasten.

Vroeger, toen er nog geen cao’s waren, werden ambtenaren in de grote steden beter betaald dan daarbuiten. Soms liep het verschil wel op tot tien procent. Het leven is steden is nu eenmaal veel duurder. Maar dat was in de tijd dat grote steden nog zelf de inkomstenbelasting mochten vaststellen. In 1929, aan het begin van de crisis, maakte de regering Colijn hier een einde aan. Piet de Rooy, emeritus-hoogleraar Geschiedenis, in Ons Amsterdam (oktober 2011): “De eigen bevoegdheid van gemeenten om inkomstenbelasting te heffen, wat ook een bruikbaar instrument had kunnen zijn in de crisisjaren, was al voor die tijd ongedaan gemaakt door nieuwe wetgeving. Het rijk trok de belastingheffing naar zich toe en verdeelde de opbrengst volgens eigen criteria via het Gemeentefonds. Zo kreeg het rijk meer invloed op het gemeentebeleid.” Het waren ambtenaren die in de ogen van de regering vooral moesten inleveren. De Rooy: “In 1932 werd via het Gemeentefonds de rijksbijdrage aan de salarissen van gemeentepersoneel ineens met 3% gekort. ‘Maar dat kan niet,’ zei Amsterdam, ‘dat is in strijd met de afgesproken arbeidsvoorwaarden!’ Dan betaal je het maar uit een andere pot, antwoordde de regering.” Die houding, die is ontwikkeld in de crisis van de jaren ‘30, geldt nog steeds. Het ‘linkse’ Amsterdam plust bij uit eigen kas. Een regiocomponent lijkt niet onredelijk.

Tagged with:
 

Cool Tokyo

On 6 januari 2020, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in The Guardian van 10 juni 2019:

Afbeeldingsresultaat voor tokyo 2020 heat

Bron: Sportify Cities

2020 wordt het jaar van Tokio. In augustus worden daar de Olympische zomerspelen gehouden. De vorige keer dat Tokio Olympische stad was, was in 1964. Die spelen werden destijds ook wel de ‘science fiction spelen’ genoemd.  Hun legacy is nog altijd voelbaar in de Japanse metropool. In 2020 echter niets van dat al, of het moet al zijn het optreden van robots rond het stadion. Er wordt dan ook veel gemopperd in de stad. Op de website van de gemeente las ik: “Tokyo 2020 will be more about quality, the infrastructure, the smooth operation of everything and of Japanese hospitality. They just want to make it effective, make everyone happy, to be successful.” Met andere woorden, deze spelen gaan, anders dan de vorige, over ‘happiness’. Ook wil Tokio bekendstaan als een ‘eco-friendly city’. Dat houdt in dat het energieverbruik zal worden geminimaliseerd, de afvalproductie gereduceerd en de luchtvervuiling bestreden. De verlichting van alle venues wordt LED, de medailles zullen worden gemaakt van kostbare metalen onttrokken aan afgedankte smartphones, het Olympisch dorp wordt opgetrokken uit hout afkomstig van bossen uit heel Japan. Na afloop van de spelen zal alles weer worden afgebroken en hergebruikt. De legacy zal tot nul worden gereduceerd of, zoals de organisatoren stellen, deze zal ‘zacht’ zijn. En alles moet onder controle.

Waarom heetten die van 1964 ‘science fiction spelen’? In dat jaar ging de eerste hogesnelheidstrein op aarde rijden; hij verbond Tokio met Osaka. Voor het eerst ook werden de Olympische Spelen uitgezonden via een satelliet. Dat betekende dat Europa ‘s nachts kon opblijven om de wedstrijden te zien. De modernistische architect Kenzo Tange ontwierp de belangrijkste venues, waaronder het schitterende Yoyogi gym. De stad zelf bouwde liefst 100 kilometer stadsautowegen tussen Haneda airport en de venues plus nog eens 40 kilometer metrolijn. En het belangrijkste: een uiterst modern rioolstelsel werd door de hele metropool aangelegd waardoor het vervuilde water in de baai gezuiverd werd. Noem dat geen kwaliteit. Time magazine vond Tokio “de meest dynamische stad op aarde”, haar hart klopte sneller dan dat van New York. Destijds telde Tokio ruim 10 miljoen inwoners -vergeleken echter met New York waren er dubbel zoveel bars, nachtclubs en restaurants. “There was so much going on – the visual density was so great – that the Western eye could not process it all.” Tegenwoordig telt Tokio 38 miljoen inwoners. De stad verdicht en breidt in, de randen krimpen. Ze vreest vooral een hete zomer, want door klimaatverandering  stijgt de temperatuur. Afgelopen zomer werd een record van 41,1 C gemeten, in heel Japan stierven 50 mensen als gevolg van de hitte. “The weather cannot be changed – there’s absolutely nothing we can do about it.” Het verschil met 1964 kan inderdaad niet groter.

Tagged with:
 

Moskou begrijpen

On 3 januari 2020, in internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in The Economist van 4 januari 2020:

Gerelateerde afbeelding

Yuri Luzhkov is niet meer. De voormalige burgemeester van Moskou overleed op 10 december 2019 op 83-jarige leeftijd in een ziekenhuis in München. Kort daarvoor liep hij nog op zijn Russische landgoed, waar hij als imker de laatste jaren van zijn leven sleet. Bijen waren zijn grote liefde. In 2011 werd Luzhkov afgezet door president Medvedev, met wie hij slecht kon opschieten. Luzhkov, vond Medvedev, was corrupt, maar wilde niet wijken. Toch wijdt de The Economist van 4 januari 2020 een hele bladzijde aan de imposante werken van Luzhkov als burgemeester van de Russische hoofdstad – een metropool van liefst 17 miljoen inwoners. En dat overzicht is opvallend positief. Niet dat Luzhkov niet rijk is geworden na de ondergang van het Sovjet Unie, waarvan hij mateloos profiteerde na het verzoek van president Boris Jeltsin om Moskou er weer bovenop te helpen. Hij privatiseerde de stad en verdiende flink mee, bezat op een gegeven moment liefst 1500 Moskouse ondernemingen en beheerde vastgoed vooral via zijn vrouw. Lees ‘The Oligarchs’ (2002) van David Hoffman er maar op na. De ‘Grand Projets’ van de Franse president Mitterrand verbleken als je ze vergelijkt met de publieke werken die Luzhkov ondernam:  de nieuwe rondweg, een nieuw heetwatersysteem om de woningen te verwarmen, de bouw van de Christus de Verlosserkerk en de ontwikkeling het nieuwe financieel centrum Moscow City. Ook verhoogde hij de pensioenen. Een burgemeester van een stad als Moskou kan zoiets doen.

Eenmaal ontmoette ik Luzhkov. Het was winter 2006. Het betrof een theevisite op het Moskouse stadhuis waarvoor we door de omstreden burgemeester waren uitgenodigd. Luzhkov wilde een nieuw structuurplan voor de stad en wij moesten hem adviseren. Hij liet ons lang op de gang wachten, verscheen plots in een lichtbruin pak, schreed op hele dure zachte suede schoentjes, knikte vriendelijk naar ons. We logeerden in een hotel tegenover de Doema. Ons ontbrak het aan niets. Zo ziet macht er dus uit. Na zijn vertrek zou ik nog veel vaker in Moskou komen, maar dan onder zijn opvolger, burgemeester Sobjanin. Het structuurplan kwam er uiteindelijk ook. En hoe. Met Moskou gaat het zichtbaar beter. Mijn studenten hebben nog zeker vier jaar op de stad gestudeerd, totdat het studieonderdeel – Cities in Transition – mij werd afgenomen. Elk eerste college begon ik met muziek. Aanvankelijk Boris Godoenov van Modest Moessorgski, de laatste keren Ouverture 1812 van Pjotr Tsjaikovski. Dat laatste stuk liet burgemeester Luzhkov opvoeren tijdens de her-inwijding van de Christus Verlosserkerk in september 1997. Waarom ‘1812’? Waarom Christus de Verlosser? Waarom 1997? Wie was Luzhkov? Als mijn studenten dat allemaal wisten, begrepen ze Moskou, eerder niet.

Tagged with:
 

Anecdotal evidence

On 2 januari 2020, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Vital Little Plans’ (2016) van Samuel Zipp en Nathan Storring:

Gerelateerde afbeelding

Tijdens de kerstdagen met veel genoegen ‘Humboldts Gift’ (1973) van Saul Bellow herlezen. Het verhaal over de vriendschap tussen de New Yorkse dichter Von Humboldt Fleisher en de Chicagose schrijver Charlie Citrine leest, opnieuw, als een epos van twee imposante mensenlevens. Het verhaal met zijn vele flashbacks speelt rond de kerstdagen. Citrine is zestig jaar, Humboldt allang begraven. Voor Bellow was het een verhaal over Amerika in de twintigste eeuw. Voor mij is het een verhaal over twee steden: New York en Chicago. Ongemerkt noteerde ik alle beschrijvingen van Chicago; het deed me denken aan mijn student-assistentschap in Groningen. Mijn docent destijds was Wander de Jong, hoofddocent Amerikakunde bij Sociale Geografie. De Jong had mij uitverkoren omdat ik in studentenblad ‘Girugten’ regelmatig over streekromans schreef en over wat die geografen zoal kunnen leren. In deze streekgebonden kennis was hij geïnteresseerd. Een jaar lang moest ik van hem Amerikaanse streekromans lezen en ontleden. Het heeft me nooit meer losgelaten. Nu las ik bij Bellow over het klimaat van Chicago (intens koud in de winter), de ondergrond (stranden en moerassen uit de ijstijd), de bebouwing (“grote delen van Chicago raken in verval en storten in. Sommige worden herbouwd, andere blijven gewoon liggen. Het is net een filmmontage van opkomst en neergang en opkomst.”). Ik waande me weer in de bibliotheek van het WSN-gebouw op het Groningse Paddepoel. Een vreemde gewaarwording.

De Amerikaanse stedenbouwkundige Jane Jacobs had er een naam voor: ‘anecdotal evidence’; maar dat ontdekte ik pas later. In ‘Efficiency and the Commons’ (2001), afgedrukt in ‘Vital Little Plans’, wees zij haar toehoorders in Toronto op de tekortkomingen van het denken uitsluitend in efficiency. Verantwoording van resultaten moet, maar niet per se in geld, inzet van middelen, tabellen, lijsten, gestandaardiseerde overzichten. Het is goed om statistieken te hebben, maar anekdotische bewijsvoering is vaak beter en scherper. Jacobs: “It’s like novels. If you want to find out about a part of the world you haven’t personally experienced, you probably will get a better idea from a good novel than you will from any nonfiction.” Hoe dat kan? Omdat romans verzamelingen zijn van anekdotische bewijsvoering. We moeten, aldus Jacobs, veel duidelijker kijken wat er gebeurt met al die individuen, niet in cijfers maar als verhalen. En dat bracht me weer naar de Oude Kerk op de Amsterdamse wallen. De gesprekken met de tachtig mensen in het huisje van Gerda op het Oudekerksplein afgelopen voorjaar hebben me zoveel duidelijk gemaakt. Hun levensverhalen waren allemaal zoveel beter en scherper dan al die analyses en statistieken over de binnenstad. Hun verhalen heb ik gebruikt bij het componeren van de toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad. En die visie, die heeft de vorm van een roman. Was ik maar Saul Bellow.

Tagged with: