Het succes van grote steden

On 20 september 2017, in economie, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in The Washington Post van 17 maart 2017:

Afbeeldingsresultaat voor enrico moretti geography of jobs

Bron: Enrico Moretti, The New Geography of Jobs, 2012

Waarom maakt Donald Trump de succesvolle grote Amerikaanse steden zwart? Die vraag stelde zich Will Wilkinson in The Washington Post afgelopen voorjaar. President Trump twittert regelmatig dat de binnensteden van Amerikaanse grote steden ‘een regelrechte ramp’ zijn, je kunt er op een straathoek worden doodgeschoten, mensen hebben er geen opleiding, er zijn geen banen. Dat beeld is volkomen bezijden de waarheid; het gaat juist erg goed met de Amerikaanse binnensteden en de criminaliteitscijfers laten daar een langjarige daling zien. Ook beweert hij dat de ‘stedelijke elites van de Oost- en Westkust’ de banen zouden hebben verkocht aan de Chinezen en daarmee de Amerikaanse binnensteden hebben veranderd in oorlogszones, dystopische Babels vol zwart gevaar en Mexicaanse aanranders. Ook dat is pure onzin. Toch gaat hij er stug mee door. Wilkinson stelt vast dat het precies omgekeerd is: juist de multiculturele Amerikaanse steden doen het in economisch opzicht goed, terwijl de witte provinciesteden, buitenwijken en dorpen steeds slechter presteren. Het sterke antistedelijke sentiment van Trump probeert de kwijnende en verliezende ‘blanke’ provincie op te zetten tegen de groeiende metropool en heeft een sterk racistische lading. Hij zou juist het succes van de grote multiculturele steden moeten kopiëren.

Wat is bepalend voor dat grootstedelijke succes? Dat zijn onderwijs, kennis, innovatie en mensen afkomstig uit de hele wereld die geconcentreerd zijn in de allergrootste steden. Wilkinson: “Packing people close together creates efficiencies of proximity and clusters of expertise that spur the innovation that drives growth. Automation has killed off many low- and medium-skill manufacturing jobs, but technology has increased the productivity, and thus the pay, of highly eductated workers, and the education premium is highest in dense, populous cities.” Hij haalt de econoom Moretti in, die heeft gewezen op de groeiende kloof tussen compacte, grote steden enerzijds en kleine provinciesteden op het platteland anderzijds. Dat verschil wordt alleen maar groter. “The loss of manufacturing jobs, and the increasing concentration of the best-paying jobs in big cities, has been largely due to the innovation big cities disproportionally produce. Immigrants are a central part of that story.” Grote steden passen zich goed aan en regelen hun eigen vangnetten voor degenen die als gevolg van disruptieve innovatie buiten de boot dreigen te vallen. Op federale schaal gebeurt dat niet. Dat wekt jaloezie. Als Trump doorgaat de grote steden zwart te maken en openheid, tolerantie en handel te frustreren, dan kan het met de Verenigde Staten alleen maar slecht aflopen.

Tagged with:
 

Verslaafd aan olie

On 14 juli 2017, in infrastructuur, innovatie, by Zef Hemel

Gehoord bij ShareNL, Amsterdam, op 4 juli 2017:

Bron: KpW 2012

MAAS staat voor ‘Mobility As A Service’. MAAS gaat over een transitie in mobiliteit, waarbij de consument  niet meer investeert in eigen transportmiddelen, maar mobiliteit inkoopt via een provider. Dus geen auto meer voor de deur, maar gewoon een ritje inkopen. MAAS gaat over delen en is duurzaam en wordt sterk aangedreven door digitale platforms. Nooit eerder is het zo gemakkelijk geweest om alle vormen van mobiliteit aan elkaar te koppelen en als één dienst door middel van een app aan te bieden aan burgers die willen bewegen en de persoonlijke keuze willen maken. Niet dat het al veel gebeurt. MAAS veronderstelt het delen van alle data rond vervoer. Tot nog toe bedient ieder bedrijf zijn eigen klanten. Ondertussen blijven de meesten van ons verstokte autorijders. Afgelopen week was er de vierde MAAS Meet-Up, georganiseerd door de https://www.amsterdameconomicboard.com/. Dit keer ging het over de gebruiker zelf. Drie sprekers gaven hun beeld van de gebruikers van mobiliteit. Gebruikers van autodeelsystemen wel te verstaan. Hoe denken zij en wat willen zij eigenlijk? Wanneer nemen ze afscheid van het autobezit? Richard Hoving, business connector van de Board voor mobiliteit, modereerde.

Ananda Groag van ShareNL meende dat mensen van nature graag willen bewegen, op elk moment, vanaf elke plek. Congestie houdt ze echter tegen. Deelsystemen kunnen helpen mits ze door werkgevers en overheden met kracht worden ondersteund. Pas als autobezit echt onaantrekkelijker wordt gemaakt, zullen mensen MAAS omarmen. Nicole Stofberg van de UvA veronderstelde dat mensen eerst vertrouwen moeten hebben in de deelsystemen voordat ze zullen overstappen. Autodelen is echt anders dan autohuren. Zien mensen wel het verschil? Ze wees op de verrassende omslag bij bewoners die nooit hun woning wilden delen, maar die nu massaal in Airbnb zijn gestapt. Karina Tiekstra van MyWheels gaf inzicht in haar klanten. Die zitten vooral in de grote steden. Autodelen noemde ze iets typisch grootstedelijks, maar, voegde ze eraan toe, ook kleinere steden als Culemborg kennen communities die auto’s delen. Om grote aantallen ging het echter niet. Iemand in de zaal wist zeker dat we hier te maken hebben met een ernstige vorm van verslaving: autorijden. Zelf denk ik dat Tiekstra gelijk heeft: het delen van voorzieningen is grootstedelijk. Dat autodelen in Nederland niet marcheert komt doordat onze steden relatief klein zijn. Echte congestie kennen we niet.Wij leven in een suburbaan reservaat, vergelijkbaar met de ergste Amerikaanse autosteden. Dat Rotterdam en Den Haag nauwelijks autodelen kennen geeft aan dat de uiteengelegde Zuidvleugel stelselmatig voorrang heeft gegeven aan de auto. Het is de gespreide ruimtelijke configuratie die ons verslaafd heeft gemaakt.

Tagged with:
 

The City as Playground

On 28 juni 2017, in innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Retracking America’ (1973) van John Friedmann:

Eind mei op uitnodiging van Prof. Jan Zielonka een gastcollege gegeven op Oxford University over governance in het digitale en circulaire tijdperk. Hoe kan het dat een stad als Amsterdam zo voorop loopt binnen Europa als het gaat om circulariteit, innovatie en digitale connectiviteit? Mijn lezing had als titel ‘The City as Playground’. Mijn invalshoek was die van de tegencultuur. Amsterdam kent een hele krachtige tegencultuur die inmiddels in de lokale institutionele wereld op tal van sleutelposities is doorgedrongen. Het waardensysteem van de tegencultuur is die van duurzaamheid, delen, creëren, spelen, innoveren, alles sociaal en inclusief. Van technologie is ze niet vies, maar bij haar is het allemaal spel, ernstig spel, het gaat haar niet om het winnen. Waar de tegencultuur is doorgedrongen in de gemeente ziet men broedplaatsenbeleid, tijdelijk gebruik van gebouwen, vrije vormen van gebiedsontwikkeling, spannende pilots, gewaagde experimenten. Waar ze in de universiteiten de ruimte krijgt, zijn onderwijs en onderzoek speels geworden, open, vernieuwend, experimenteel, vrolijk. En waar ze het bedrijfsleven infecteert, ontwikkelen ondernemers spannende nieuwe producten en diensten die maatschappelijk veel kunnen betekenen. Het mainstream worden van de tegencultuur in organisaties als de Amsterdam Economic Board is bepalend voor het succes van Amsterdam aan het begin van de eenentwintigste eeuw.

De Amerikaanse planoloog John Friedmann (1926-2017) heeft in ‘Retracking America’ (1973) het waardenstelsel van de tegencultuur treffend getypeerd. De tegencultuur, schreef hij, was een reactie op het zakelijke modernisme van de naoorlogse jaren, dat dacht vanuit schaarste, met één dominante cultuur die opereerde binnen een mechanistische sociale orde waarin iedereen zijn of haar vaste plek had. De tegencultuur brak daarmee. Twee waarden stonden bij haar voorop: “1. find the way back to the discovery of the Self, 2. Build up new forms of the collective life.” Met dat eerste duidde ze aan dat je je hart niet moet afsluiten van je verstand, dat je geloofwaardig moet zijn en gecommitteerd aan de zaak, dat al je acties sporen met wat je zegt, dat je werkt aan de tekortkomingen van de samenleving, dat je je overtuigingen niet moet opleggen aan anderen, maar ook dat je niks doet wat indruist tegen je eigen inzichten, en vooral dat je leert van anderen. Met het tweede waarde doelde Friedmann op het creëren van op het individu gerichte instituties, het vermijden van grootschaligheid, het werken in kleine teams, het versterken van niet-hiërarchische relaties, het beperken van bureaucratie. Het actief deelnemen aan de besluitvorming die je leven vormgeeft en het bewust niet deelnemen aan praktijken die je niet begrijpt of waar je niet in gelooft, ze typeren het waardensysteem van de tegencultuur. Wees vrij en voel je verantwoordelijk. Zo’n waardenstelsel, meende Friedmann, past het beste bij een toekomstige samenleving die door overvloed wordt getypeerd.

Tagged with:
 

Steinway als innovator

On 4 februari 2016, in innovatie, by Zef Hemel

Geleerd van Frenk Bekkers tijdens masterclass New York 2015:

 

Een van de opwindendste fasen in de masterclass New York City 2015 was de ontdekking van de oorsprong van het stedelijke tech-ecosysteem van Long Island City, grofweg het gebied in Queens op een mijl afstand van Roosevelt Island, waar de campus van Cornell-Tech op dit moment in aanbouw is. Hier vestigde Steinway zijn pianofabrieken in 1869. Voor die tijd was westelijk Queens nog overwegend agrarisch, met het dorpje Astoria als centrale kern. Van een ambachtelijke pianobouwer die honderd vleugels per jaar bouwde groeide Steinway in korte tijd uit tot een megabedrijf dat 5.000 instrumenten per jaar produceerde. Steinway & Son was een uiterst innovatief bedrijf dat liefst 126 patenten registreerde, zoals het sustainpedaal, het middelste pedaal op een vleugel. Al die technische uitvindingen waren profijtelijk. Maar Steinway verdiende ook geld met een marktstrategie waarin de stad zelf een belangrijke rol speelde. Zo zorgde het familiebedrijf voor een complete muzikale infrastructuur die bestond uit pianolessen, zangverenigingen en de Steinway Music Hall op Manhattan. Ook zorgde het voor gebouwen en voorzieningen die het woon- en werkgebied aantrekkelijk maakten. Steinway bouwde avenues en huizen; een tram werd op kosten van de zaak aangelegd. De bloeiperiode eindigde met het overlijden van William Steinway in 1896 en de annexatie van Long Island City door New York City in 1898.

In zijn laatste levensjaren gaf de pianomagnaat de aanzet tot een tweede bloeiperiode door de commissie te leiden die het metroplan voor New York maakte. Long Island City werd hierdoor uiteindelijk door bruggen, een tunnel en metrolijnen verbonden met Manhattan. Daaronder ook metrolijn 7 door de door Steinway gefinancierde Steinwaytunnel. Dit keer ging het effect Steinway ver te boven. Commerciële en economische ontwikkelingen kregen een ware boost. Er werden fabrieken gebouwd, vooral in het gebied tussen het water en de drie grote overstapstations. Deze tweede bloeiperiode duurde tot 1950. Daarna sloten in heel New York de fabrieken hun deuren. Oude panden kregen een nieuwe bestemming. City University opende hier zijn universiteit voor toegepaste wetenschappen en in een voormalige bakkerij vestigden zich de Silvercup studios. LIC werd voor de Oostkust het centrum van film en media, in het verlengde van de muziek. Nog steeds werken hier vijfhonderd mensen aan de bouw van nieuwe vleugels. Alles gaat daar met de hand. Daarmee werd het innovatieve ecosysteem van Long Island City een van technologie, muziek & media, maakindustrie, verkeer en stadsontwikkeling. Alles dankzij Steinway.

Tagged with:
 

Powering forward

On 30 oktober 2015, in economie, innovatie, technologie, by Zef Hemel

Read in ‘The Metropolitan Revolution’ (2013) of Bruce Katz and Jennifer Bradley:

 

The US economy is broken. How to repair it? Bruce Katz and Jennifer Bradley wrote a book about ‘how cities and metros are fixing our broken politics and fragile economy’. It is similar to Benjamin Barber’s ‘If Mayors Ruled the World’, only more in detail. Katz and Bradley are working for the Brookings Institution in Washington DC, a nonprofit public policy organization, one of Washington oldest thinktanks, maybe even one of the most influential thinktanks in the world. Their message: the US government can’t solve the huge economic and competitive challenges its cities are facing, so networks of metropolitan leaders are stepping up "and powering the nation forward." They give examples of New York, Denver, Northeast Ohio and Houston. Katz and Bradley think power is shifting again in their country. No longer the federal state is the central agency in moving the country forward. The American revolution, they write, was an urban revolution, so the new economic revolution will be urban again.

The example of New York is exactly the one the Masterclass NYC of the Wibaut Chair at the University of Amsterdam is studying in depth right now: innovation and the next economy. It is the case of ‘the applied science initiative’ of mayor Bloomberg in 2011-2013. The initiative was based on the idea that innovation is closely intertwined with new developments in science and technology, but that New York was weak in engineering. There were too few engineers and similar technical professionals based in New York City. Technology strength often clusters around universities, so universities are basic to the infastructure needed. Katz and Bradley: "There is, of course, a deep irony in the fact that technology, which was supposed to cut ties between people and places and allow people everywhere to work from almost anywhere, turns out to flourish in fairly compact geographic concentrations." A host of studies have shown that clusters spur entrepreneurship and boost start-up initiatives. "Universities do not usually by themselves create clusters, but they can be powerful factors in maintaining and energizing them." So that’s why New York launched an international competition in which the prize was a new school of engineering on Rooseveldt island. Cornell University and Technion in Tel Aviv were the winners in 2013. The building of the new campus has already started. We visited the site two weeks ago. It will open in 2017. "This process will be a model going forward for any kind of technology-oriented development."  Also in Europe. In the biggest European cities and metros, I mean.

Tagged with:
 

From the bottom up

On 29 juni 2015, in economie, innovatie, by Zef Hemel

Read in ‘Emergence’ (2001) of Steven Johnson:

>

OESO’s Territorial Review of the Netherlands 2014 advocated the making of a holistic strategic urban policy framework for cities by the Dutch government. Such a framework is lacking now. The Ministry of Interior Affairs started an open process this year for developing an ‘urban agenda’, which might become the agenda for a national policy for regional growth, equity and environmental sustainability the way the OESO suggested. Thus the discussion on agglomeration economies in the Netherlands became political. Political means: facts play a minor role, research gets biased, opinions rule, economists take over. From the very beginning there was a tendency to frame the whole discussion in the sense that socalled ‘borrowed size’ solutions between cities would solve all problems of lacking agglomeration economies in “a country in which no single urban area or region dominates over the others.” Economists suggested fast connections between cities would be a way out.

We need more common sense here. A bigger picture. In ‘Emergence’ (2001) the New York based writer Steven Johnston wrote about ‘the connected lives of ants, brains, cities and software’. All these organisms, he explained, change and develop from the bottom up. “When enough individual elements interact and organize themselves, the result is collective intelligence – even though no one is in charge.” In chapter 2 he explains how this bottom up process leads to the complex order of big cities. This complexity is the result of many local interactions. Then he criticizes one of his friend’s ode to LA freeway culture. While travelling by car, he writes, the potential for local interaction is so limited by the speed and the distance that no higher-order level can emerge. “City life depends on the odd interaction between strangers that changes one individual’s behaviour: the sudden swerve into the boutique you’ve never noticed before, or the decision to move out of the neighborhood after you pass the hundredth dot-com kid on a cell phone.” For innovation there has to be permanent subtle feedback between agents. Fast transport is no help in that sense. So stop thinking in terms of borrowed size. This will not lead to greater complexity, collective intelligence, innovation. Also read Gerard Marlet’s advice in ‘De aantrekkelijke stad’ (The Attractive City, 2009, p. 384-385): “Urban networks are counterproductive”.

Tagged with:
 

The soft side

On 25 juni 2015, in innovatie, by Zef Hemel

Read in ‘The Regional Knowledge Economy’ (2009) of Otto Raspe:

 

The discussion on agglomeration economies, innovation clusters and regional economic growth is a difficult one. Why? Well, because it all has become very political. So what does science tell us? In ‘The knowledge economy and urban economic growth’ (2009), Otto Raspe – a regional economist working for the National Planning Bureau for the Built Environment in The Hague – tried to relate R&D, innovation and knowlegde workers to regional economic growth in the Netherlands. His paper was published in European Planning Studies. “This paper does not open the entire black box of agglomeration economies – but contributes to the discussion by determining different kinds of localized knowledge densities within economic growth clusters.” Governments and institutions, Raspe points, always focuss on R&D as sources of growth, because this input factor can be stimulated by subsidies. But there are more spatial knowledge indicators: knowledge workers (ICT-sensitivity, educational level, creative economy, communicative skills) and innovation (technological and non-technological). R&D in the Netherlands differs from the rest: south and east are in front of R&D-employment specialization.

But in terms of innovation and knowlegde workers, the highly  urbanized Northern part of the Randstad area – Amsterdam and Utrecht – is leading. ‘The rural regions and the regions in the national periphery of the Netherlands are lagging behind in intensity of this employment.” Most spatially concentrated are the knowlegde workers. Also in terms of innovation, “municipalities in the Randstad region, larger cities and central areas of urban agglomerations still come to the fore as the foci of innovative activities.” Then he concludes: “High R&D-levels are not a sufficient growth condition for economic growth in urban clusters – the knowlegde workers and innovation dimensions are significantly better linked to localized economic growth in the Netherlands.” The ‘soft’ side seems to be far more important than the ‘hard’ technological side. But governments always stress R&D. They love technology. Better focus on industrial and distribution activities (which they already do) and on localized clusters of producer services in big cities (which they do not). Although not opening the black box of agglomeration economies fully, Raspe did a great job. Now let’s wait for new government policies.

Tagged with:
 

The next Silicon Valley

On 11 februari 2015, in film, innovatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gehoord op Roeterseiland Campus te Amsterdam op 6 februari 2015:

/>

College gegeven tijdens de door studentenvereniging Sarphati georganiseerde Ouderdag. Ouders van studenten komen een middag op de universiteit om de sfeer te proeven en informatie te krijgen. Een vast bestanddeel van het programma zijn korte colleges. Die van mij ging over Silicon Valley versus het Silicon Valley van de achttiende eeuw: Manchester. Wat maakte deze twee steden zo buitengewoon intelligent dat ze een voorbeeld werden voor de hele wereld? En hoe maken we onze eigen steden intelligent? Ik bracht ‘The Imitation Game’ ter sprake. Aanleiding was een opmerking van een vader van een student dat de Amerikaanse defensie-industrie het technologische wonder van Silicon Valley met veel geld zou hebben gecreëerd. Even daarvoor had een moeder geopperd om buitengewoon talent naar je stad te halen als middel om intelligenter te worden. Om beide suggesties te wegen gebruikte ik het voorbeeld van Alan Turing en diens inzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. De wiskundige Turing moest in opdracht van de Britten de Enigma-codes van de Duitsers kraken. Het beeld dat oorlogen en geniale talenten innovatie bespoedigen lijkt er in bevestigd te worden.

Niet dus. Dat de generaals niets begrepen van innovatie komt in de film wel bijzonder schrijnend naar voren. De defensiestaf gedroeg zich als het management van een bureaucratie die meer geïnteresseerd was in oorlog voeren dan in wetenschappers de ruimte geven. Er werd teamwerk geëist en discipline bevolen. En als het om geld ging: een bedrag van 100.000 pond voor een Poolse machine was hen al te veel. Pas wanneer de onaangepaste Turing met een brief aan Churchill alsnog zijn zin krijgt en zelfs teamleider wordt, gebeuren er dingen die bureaucraten nooit hadden verzonnen: werving van getalenteerd personeel via een kruiswoordpuzzel in de krant: crowdsourcen avant la lettre. Er komt zelfs een huisvrouw het team versterken! Het team zelf zit opgesloten in Bletchley Park in een barak, terwijl de grote doorbraken plaatsvinden in de informele sfeer van het café in het nabijgelegen dorp. Ondertussen is alles geheim en worden de geleerden permanent in de gaten gehouden omdat de generaals ze verdenken van spionage. En het grote brein Turing? Zijn inzichten had hij al in 1936 ontwikkeld. Het enige wat hem dreef was mededogen met de mensheid, die het maar niet begreep, buitengewoon agressief was en er een enorme bende van maakte.

Tagged with:
 

De uitvinding van agglomeratievoordelen

On 9 februari 2015, in innovatie, technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities in Civilization’ (1998) van Peter Hall:

 

Mooie beschrijving van Manchester en omgeving in de achttiende eeuw door Peter Hall in zijn onnavolgbare ‘Cities in Civilization’. Als innovatief milieu binnen de vroeg-industriële beschaving is Manchester het beste te vergelijken met wat wij tegenwoordig aanduiden als ‘Silicon Valley’. Nergens werden zoveel technische innovaties gedaan in zo’n korte tijd als in deze ene vallei, met als gevolg een enorme toevloed van kapitaal en talent. Vanavond zal ik er mijn Amsterdamlezing mee openen. Waarom uitgerekend Manchester? Zes sleutelelementen onderscheidde de Britse geograaf ten aanzien van het succes van Lancashire: al vroeg kende het gebied een economische organisatie die tegelijk ook een sociale was; de inwoners bleken goed in netwerken; mede daardoor was er hier al vroeg een middenklasse gevormd van kleine ondernemers; de netwerken bleven niet beperkt tot de katoenverwerking, maar overlapten met de ambachten, zoals de fabricage van uurwerken; in het gebied was goed technisch onderwijs voorhanden en waren sociëteiten actief die nieuwsgierigheid stimuleerden; ten slotte het gegeven dat al deze zaken op een heel klein oppervlak – één stad – bijeenkwamen.

Hall besluit het hoofdstuk met het noemen van vijf factoren die bepalend waren voor het economische succes van Manchester: een egalitair klimaat; een gevoel van vrijheid, een drang tot innovatie; relatief ambachtelijke en weinig kapitaalintensieve economische bedrijvigheid; een hecht, goed ontwikkeld kennisnetwerk rond handel en innovatie. Gevolg: “Everyone with ambition wanted to come to Manchester; it was the place where they would make their fame and fortune.” Mensen van buiten waren welkom en konden er relatief gemakkelijk aan de slag. Hier werd het geld vergaard en ook gespendeerd. Wie op afstand in de dorpen en kleine stadjes hetzelfde probeerde te doen, wachtte technologische stagnatie. Je moest er domweg middenin zitten. Bij zijn bezoek aan Manchester schreef Alexis de Tocqueville:”From this filthy sewer pure gold flows.” Alfred Marshall, die Charles Darwin bewonderde en de economische wetenschap op biologische grondslagen wilde vestigen, zou er eind negentiende eeuw zijn begrip agglomeratievoordelen aan ontlenen.

Tagged with:
 

Onbegrepen intelligent

On 27 januari 2015, in film, innovatie, wetenschap, by Zef Hemel

Gezien in Cinecenter Amsterdam op 21 januari 2015:

 

De film ‘The Imitation Game’ van regisseur Morten Tyldum vertelt het waar gebeurde verhaal van de Britse wiskundige Alan Turing en hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog de uitvinding deed waarvan wij allen profiteren. Turing bouwde de eerste versie van de computer. Dat deed hij in opdracht van de Britse strijdkrachten, die de Enigma-codes van de Duitsers wilden kraken. Op een landgoed Bletchley Park, ten noorden van Londen, werkte Turing hermetisch afgeschermd van de buitenwereld in het grootste geheim met een multidisciplinair team jonge wetenschappers aan zijn ‘Turing Machine’. Zijn idee: met een eigen machine de machine van de Duitsers te lijf gaan. Dat was allesbehalve gemakkelijk. De generaals begrepen hem niet en wilden hem het liefst ontslaan, verdachten hem zelfs van spionagepraktijken, zijn collega’s vonden hem maar een asociale geleerde en zijn hele idee bespottelijk. In een dagelijks confrontatie zie je hem met zichzelf en zijn omgeving worstelen, volharden en misschien wel dankzij de ruzies en tegenstand zijn idee verder ontwikkelen. Het landgoed fungeert daarbij als campus, maar op de campus zitten ook spionnen. Tot in Moskou kijken ze met Turing mee. Fascinerend.

Daarmee zag ik in korte tijd twee historische films over geniale Britten: William Turner en Alan Turing. Wat ze, behalve hun genialiteit, met elkaar gemeen hadden? Eenzaamheid, door de anderen niet begrepen worden. En verder? Het grote belang van hun directe omgeving en de wijze waarop deze met de hele wereld in verbinding stond. Zonder de Academy en zonder Bletchley Park had geen van beiden zijn grote daden kunnen verrichten. Ook opvallend:  de Britten dwongen Turing na de oorlog alles te vernietigen en veroordeelden hem vanwege zijn homoseksualiteit; vijftig jaar lang heeft de Britse geheime dienst MI6 alles geheim gehouden. Daarmee verloor Groot Brittannië de voorsprong in technologische kennis, waarvan de Amerikanen later zouden profiteren. Datzelfde geldt voor Turner. Ook hem stootten ze uit de Royal Academy en alleen dankzij zijn testament, waarin hij al zijn schilderijen aan de Britse natie schonk, zijn deze behouden gebleven. Intelligentie werd niet begrepen. Nee, het is erger. Hoe dom kan een natie zijn.

Tagged with: