Alles te danken aan Londen

On 7 mei 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in de Tate Britain te Londen op 25 april 2019:

Afbeeldingsresultaat voor vincent van gogh tate london

Bron: Tate Britain London

Vincent van Gogh woonde bijna drie jaar in Londen. Over die Londense jaren zag ik een interessante tentoonstelling in het Tate Britain. De jonge Van Gogh arriveerde in de Britse hoofdstad in mei 1873. Toen hij de stad de rug toekeerde was het 1876 en was hij drieëntwintig jaar. Zijn volgende bestemming was Parijs, waar hij opnieuw twee jaar zou blijven. Echt schilderen deed hij in Londen nog niet. Hij werkte voor een kunsthandel en woonde aanvankelijk in een voorstad, toen in Brixton, nog weer later in Kennington. Korte tijd was hij onderwijzer in Ramsgate, even nog speelde hij dominee. De kunsthandel plaatste hem over naar Parijs. Voor een Brabantse jongen uit Zundert lijkt me dat een hele ervaring, ook al had hij even daarvoor gewoond in Den Haag. De tentoonstelling in de Tate bleek een nauwgezette kunsthistorische analyse van de Londense jaren van de Hollandse schilder, die later pas in het zuiden van Frankrijk zijn bestemming zou vinden. Op 37-jarige leeftijd pleegde hij zelfmoord. Weinig is er bekend over de Londense jaren. Nu las ik ineens Engelse brieven en zag ik Engelse boeken geschilderd op doeken die hij later in Frankrijk zou maken: boeken van Charles Dickens, George Elliott en Harriet Beecher-Stowe: sociaal bewogen literatuur die Van Gogh kennelijk graag tot zich nam.

Voor de vorming van de schilder waren de vijf jaren in de grootstad klaarblijkelijk van groot belang. Hij ging er lezen, leerde goed kijken, begon kunst te genieten, oefende het schilderen, kocht prenten, probeerde die te verkopen, was gefascineerd door de metro, de publieke parken, de grootstedelijke dynamiek, werd zelfs op een meisje verliefd. Uitgerekend Londen was destijds de plek waar prenten op grote schaal werden gedrukt en verhandeld. Op de tentoonstelling te zien waren de vele schitterende prenten van Gustave Doré die Van Gogh kennelijk gretig had verzameld en waarvan hij sommige scherp natekende of naschilderde. Die ene van de achterbuurten van Londen met de stoomtrein die op de achtergrond over de huizen denderde herkende ik natuurlijk meteen. Ineens bekroop me het gevoel dat Van Gogh juist in Londen depressief moet zijn geworden door de mist en de rook, het grauwe weer in het industriële, steenkoolgassen uitblazende monster, en door de armoede tegenover de extreme rijkdom daar op het eind van de negentiende eeuw. Zelfs Parijs was hem later te somber. De man vluchtte naar het zonnige zuiden, waar hij als een bezetene begon te schilderen. Die laatste prachtige, kleurrijke doeken hebben we aan hem te danken. Zou hij Londen of Parijs hebben gemist? Ik heb zijn brieven nooit gelezen, maar ik waag het te betwijfelen. Toch had dit grote genie alles aan de twee dampende metropolen te danken. Dat besef je als je in de Tate Britain staat. Nog te zien tot 11 augustus 2019.

Tagged with:
 

De binnenstad moet ademen

On 5 mei 2019, in muziek, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 4 mei 2019:

Bron: Stichting De Oude Kerk Amsterdam

Twee componisten uit New York komen volgend weekeinde naar Amsterdam. Beide zullen uit eigen werk spelen op het pas gerestaureerde orgel in de Oude Kerk in de oude binnenstad. De ene heet Philip Glass (82), de ander Nicolas Jaar (29). Van de laatste las ik dit weekeinde een groot interview in Het Parool, opgetekend door Edo Dijksterhuis. Daarin vertelt de Chileens-Amerikaanse muzikant gedetailleerd over zijn werkwijze. Vorig jaar oktober verbleef hij als ‘artist in residence’ een week lang in de Oude Kerk. Werken bij hem bestond uit luisteren. Jaar luisterde naar de kerk, het orgel en het rumoer buiten, vooral ‘s nachts. Zijn verkenningen noemt hij ‘akoestische testen’. Met name het geluid uit de vierduizend pijpen van het achttiende eeuwse Vater Müllerorgel ving hij op met zijn microfoon “om het via een luidspreker op de grond weer de ruimte in te kaatsen en het later weer op te vangen zodat een feedbackloop ontstond.” Toen hij voldoende voeling had sloeg hij aan het improviseren. Na twee uur kwam iets bruikbaars terug. “Daar klonk een thema in C-mineur, iets levends. De rest van de tijd heb ik gebruikt om dat thema verder uit te werken.” Het bleek ‘Just my Imagination’ van The Temptations te zijn. Later zette hij het thema om in C-majeur. “Wat daarvoor dik en een beetje duister had geklonken, werd hoopvol en optimistisch. Het was alsof ik in gesprek was met de ruimte.”

Jaar reisde terug naar New York met meer dan honderd uur geluidsopnamen. Thuis dikte hij het materiaal in tot twintig minuten muziek. Verbluffend. Zijn werkwijze lijkt sprekend op de mijne. Ik ga vanaf 17 mei, daags na het concert van Jaar, een maand lang luisteren in diezelfde Oude Kerk. Dat doe ik om een toekomstvisie voor de Amsterdamse binnenstad te maken. Ruim honderd verschillende mensen heb ik uitgenodigd. Ik ga een maand lang luisteren. Hun stemmen zal ik opvangen om deze in ruim tien publieksbijeenkomsten via de wanden en de grond de kerkruimte in te kaatsen. Zo hoop ik op een feedbackloop. En wanneer ik eenmaal voldoende voeling heb met het onderwerp sla ik aan het improviseren. Door naar al het gezegde te luisteren, zoek ik naar een thema, in C-majeur, want het verhaal mag niet dik en duister klinken, maar hoopvol en optimistisch. Alle materiaal neem ik vervolgens mee naar huis, om in te dikken tot een toekomstverhaal van twintig minuten. Daarna kom ik terug om het verhaal te vertellen. Net als Jaar heb ik een tijd terug besloten om niet meer met managers en agenten te werken. Ik doe alles zelf. Jaar: “Ik prijs me gelukkig met de veel intiemere en directe manier waarop ik met mensen, locaties en instrumenten kan omgaan.” Laatste overeenkomst: vlak voor vertrek opende de Amerikaan alle schuiven zodat de lucht door de pijpen van het orgel liep. “De moeder moet ademen en wij moeten een stapje terug doen en luisteren.” Zo is het. De binnenstad moet ademen en wij doen een stapje terug.

Tagged with:
 

Verfilmd liefdesleven als toeristische aanjager

On 14 maart 2019, in toerisme, by Zef Hemel

Gelezen in The Telegraph van 15 juni 2018:

Afbeeldingsresultaat voor mexico city kahlo map

Bron: Tales and Tours

Het toerisme naar Mexico is hoofdzakelijk op Yucatan gericht: de zuidelijke provincie met stranden en de unieke Mayatempels, veel minder op het noordelijker gelegen Mexico City. Terwijl die eerste groeicijfers van 9 procent haalt, lijkt de laatste te stagneren. Hoewel. De megastad in het hart van het land, hoewel tegenwoordig veel minder vervuild en gevaarlijk, heeft misschien nog steeds een bedenkelijke reputatie, maar bij mijn recente bezoek viel me op dat er hier van een ware ommekeer sprake is. De wijken Roma en Condesa vallen ineens op door talrijke groepjes toeristen die door de lommerrijke straten rondtrekken. Zelfs het centrum lijkt opgeknapt. Het meest zichtbaar is ontluikend internationaal toerisme in de zuidelijke wijk Coyoacán. Daar, op ruim een half uur autorijden van het stadscentrum, staat Casa Azul: een opvallend blauw geschilderd woonhuis in een dorpsachtige straat. Elke dag stroomt de straat hier vol met geduldig wachtende mensen die allemaal dezelfde woning willen bezoeken. Op deze plek is de Mexicaanse schilderes Frida Kahlo in 1907 geboren. Later, na de dood van haar vader, trok ze samen met de al even beroemde Mexicaanse schilder Diego Rivera in het eenvoudige pand. De kunstenaarsechtpaar bood hun huis zelfs korte tijd aan aan de Russische marxist Leon Trotsky, toen deze met zijn vrouw naar Mexico vluchtte. In het blauwe huis stierf de schilderes, 47 jaar jong, aan de verwondingen die ze in haar jeugd had opgelopen bij een busongeluk in een van de straten. Dat was in 1954.

Rivera is een Mexicaanse held, maar Kahlo lijkt nu nog veel beroemder te worden. Dat gebeurde vooral na het verschijnen van de film ‘Frida’ in 2002, gemaakt door de Amerikaanse regisseur Julie Taymor. De film is gebaseerd op de biografie over Kahlo uit 1983 en schetst een kort, ongelukkig en opwindend liefdesleven van twee sterke persoonlijkheden (Kahlo: “There have been two great accidents in my life. One was the trolley, and the other was Diego. Diego was by far the worst”). Vooral sinds ‘Frida’ ook op Netflix te zien is, is toerisme naar Mexico City massatoerisme geworden. Elke maand bezoeken 25.000 jonge mensen de woning, die niet groter is dan 800 vierkante meter, dat is circa 300.000 toeristen per jaar. Op zichzelf lijkt dat niet veel. Maar een flink aantal nieuwe musea in de metropool is inmiddels met Kahlo’s naam in verband gebracht en in 2014 merkte de BBC op dat de merchandising van het merk ‘Kahlo’ in de miljarden moet belopen. Overal in de stad liggen T-shirts, boeken, schotels, prints en zelfs luciferdoosjes met afbeeldingen van Kahlo of van een van haar schilderijen. Afgelopen zomer opende er een tentoonstelling over haar in het V&A in Londen. Die betrof de opvallende kleurrijke kleren die ze in haar korte leven heeft gedragen en vertelde over de herkomst en betekenis ervan. De tentoonstelling was een blockbuster. Het liefdesleven van Kahlo, maar vooral het verhaal over haar lijden, jaagt sindsdien het internationale toerisme naar Mexico City op. In 2016 ging het om 2 miljoen internationale toeristen, in 2025 verwacht de stad zeker 50 procent meer gasten te ontvangen. Een soort van Anna Frankhuis dus. De prognose werd overigens gemaakt kort voordat de film ‘Roma’ van de Mexicaanse regisseur Alfonso Cuarón de filmhuizen veroverde. Ook op Netflix is deze te zien. Daarom verwacht ik de komende jaren nog beduidend méér toeristen.

Tagged with:
 

Vlucht uit het kapitalisme

On 22 januari 2019, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Van Goghmuseum te Amsterdam op 4 januari 2019:

 Afbeeldingsresultaat voor kaart reis gauguin parijs panama martinique

Bij de ingang van de tentoonstelling in het Van Goghmuseum te Amsterdam, begin dit jaar, was een reusachtige kaart te zien van de bootreis die Paul Gauguin en Charles Laval in 1887 maakten van Parijs via Panama naar het eiland Martinique. Er verscheen zelfs een atlas bij de tentoonstelling. Tot dan had ik geen idee waar Martinique ligt. Het ligt in de Cariben. De beide Franse schilders ontvluchtten het decadente Parijs, namen een stoomboot, op zoek naar tropische natuur en naar een primitieve samenleving. Wat ze aantroffen was een Frans-koloniale samenleving van grote suikerplantages rond de hoofdstad Saint Pierre; Saint-Pierre werd ook wel ‘het Parijs van de Cariben’ genoemd – een stad waar Franse artiesten graag kwamen overnachten in luxueuze hotels. Hoezo primitief? Maar de berooide Gauguin en Laval streken zuidelijker neer, aan een strand, waar ze vier maanden lang in een verlaten slavenhut verbleven. In de armoede zochten en vonden ze het paradijs, net zoals de Amerikaanse schrijver Henri David Thoreau dertig jaar eerder in zijn hut aan Walden Pond het paradijs meende te vinden. Gauguin echter werd al snel ziek en moest naar Europa worden gerepatrieerd. Een vriend stuurde hem geld. Zo kon hij de terugreis betalen. Best een treurig verhaal eigenlijk. Daar terug in Parijs ontmoette hij trouwens Vincent van Gogh.

Stel je voor dat Gauguin niet voortijdig naar Parijs was teruggekeerd, dan had hij Van Gogh helemaal nooit ontmoet. Want Van Gogh – ook een armoedzaaier – bleef zeker niet lang in Parijs. Als snel vertrok de Nederlandse schilder naar Zuid-Frankrijk, op zoek naar het exotische Japanse landschap met zijn heldere licht en kleuren, waar hij als kwartiermaker dacht te fungeren voor een te stichten sekte onder leiding van de ‘boeddhistische monnik’ Gauguin. Wat bewoog deze getalenteerde mensen om Parijs de rug toe te keren? Was het decadentie? Nee, het was anders. Erg mooi vond ik het schilderij ‘Coming and Going’. Het toont een landschap met een grote boom waar herders en hun geiten beschutting tegen de zon zoeken en waar vrouwelijke sjouwers zich een weg banen over smalle paadjes. Het landschap oogt idyllisch, als een arboretum, de boom lijkt zelfs boeddhistisch. Je ziet Nirwana. Gauguin hield het schilderij zijn hele leven bij zich. Daarna kwam het in het bezit van een Britse adellijke familie die het uitsluitend voor zichzelf hield. Pas na 1979 is het voor het publiek te bewonderen. Ik denk dat Gauguin vluchtte voor de moderniteit en dat hij in het primitieve van Martinique de zuiverheid zocht die in het industriële kapitalisme verloren was gegaan. Van 1873 t0t 1896 verkeerde de westerse wereld in een economische crisis die volgde op een periode van extreme groei. Iedereen was pessimistisch. Dit kwam nooit meer goed. Maar de cruciale ontmoeting tussen Gauguin en Van Gogh vond plaats in de Franse metropool, in het hart van het industriële kapitalisme. Hoeveel zou ‘Coming and Going’ nu waard zijn?

Tagged with:
 

Talent, trek naar de metropool!

On 17 januari 2019, in kunst, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 9 november 2018:

Afbeeldingsresultaat voor wereldwijd web van kunsttransacties

Bron: NRC Handelsblad

Onder de kop ‘Succesvolle kunstenaar al jong aan de top’ publiceerde NRC Handelsblad eind vorig jaar een interessant artikel over hoe het succes van kunstenaars afhangt van het bewegen in de juiste netwerken in de vroege fase van hun carrière. Het was Bart Funnekotter die verslag deed van onderzoek van wetenschappers van Northeastern University in Boston naar een half miljoen kunstenaars en hoe deze in de netwerken van musea, veilingen en galerieën hun weg zochten. De gegevens betroffen omvangrijke databestanden van liefst 497.796 tentoonstellingen, ruim 16.000 galerieën, 289.677 tentoonstellingen in 7.568 musea en 12.208 veilingen, alle verspreid over 143 landen en geïnventariseerd tussen 1980 en 2016. Het leidde tot een ‘wereldwijd web van kunsttransacties’. En wat blijkt? “Het succes van een kunstenaar is in grote mate afhankelijk van diens toegang tot een klein aantal vooraanstaande galerieën en musea.” Die topinstellingen blijken zich alle in Europa en Noord-Amerika te bevinden. Het gaat om een stuk of twintig. “Dit zijn vaak instanties met een lange geschiedenis, een fraaie locatie en veel beschikbare financiële middelen.” Het centraler in het netwerk, hoe prestigieuzer.

Genoemde ‘fraaie locatie’ betreft doorgaans een grootstedelijke, want vrijwel alle topinstellingen bevinden zich in de grootste metropolen, het MOMA in New York voorop. Het onderzoek lijkt ook te suggereren dat steden die dergelijke prestigieuze kunstinstellingen huisvesten tevens getalenteerde kunstenaars aantrekken. Hun lot hangt immers sterk van het juiste netwerk af. Ze weten dat ze in een grote stad met topinstellingen beter af zijn. En het luistert nauw. Want je hoort erbij of niet en dat begint al vroeg. Werk van kunstenaars, zo blijkt, circuleert binnen clusters, maar maakt zelden de sprong naar een ander cluster. “Wie er niet in slaagt aan het begin van zijn carrière tot deze elite door te dringen, heeft weinig kans dat op latere leeftijd alsnog te doen.” En wat voor kunstenaars geldt, zou maar zo eens ook voor andere beroepsgroepen kunnen gelden: advocaten, bankiers, historici, schrijvers, acteurs, wetenschappers, journalisten. De metropool biedt mensen de meeste kans op succes. Hoe vroeger iemand naar de metropool trekt, hoe gunstiger voor hem of haar. Eigenlijk wisten we dat al. Maar nu blijkt het ook uit dit onderzoek met deze indrukwekkende wereldomspannende dataset. Het maant iedereen om in beweging te komen. Wie in de provincie blijft, zal het minder ver schoppen. Verhuis je naar de metropool, dan duurt je carrière langer en verdien je gemiddeld vijf keer meer dan elders. Althans, dat is bewezen voor kunstenaars.

Tagged with:
 

Form follows vendor

On 17 oktober 2018, in economie, kunst, by Zef Hemel

Gezien in Big Art, in de Bijlmerbajes te Amsterdam op 12 oktober 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Su Tomesen

De première van ‘Street Vendors’, een installatie van de Amsterdamse kunstenaar Su Tomesen, vond onlangs plaats tijdens het Nederlands Film Festival in Utrecht. Afgelopen week waren de vier films te zien in Amsterdam, tijdens de derde editie van ‘Big Art’ in de Bijlmerbajes. Zes jaar werkte Tomesen aan haar installatie. Afgelopen vrijdag ging ik kijken. Simultaan werden in een tent in één van de voormalige gevangeniscellen gelijktijdig vier films van elk een half uur getoond van straatverkopers  in vier steden op vier continenten: Yogjakarta, Johannesburg, Medellìn, Tirana. Er is geen voice-over, er wordt niets toegelicht, je hoort alleen straatgeluiden. De films laten een dag in het leven van een aantal straatverkopers in elk van de steden zien als kleine verhalen, alleen de tijdzones verschillen, dus in de ene stad is het iets eerder donker dan in de andere. Met die vier schermen kwam ik ogen te kort. Het is beste is om je op één stad te concentreren en dan vaag het rumoer in de andere steden aan je voorbij te laten gaan. Maar je kunt je ook laten meevoeren van het ene scherm naar het andere, afhankelijk van wat je oog zoal opvangt. Erg mooi is het, nee het is een ontroerende installatie.

Ik sprak Su tijdens de vertoning. Er was, vertelde ze me, niets in scene gezet, er waren vriendschappen gesloten, waarna uiteindelijk toestemming was gegeven om het dagelijkse werk van nabij te filmen. Gevaarlijk was het soms wel, zeker in Johannesburg. Steeds had Su zich door een assistent laten vergezellen die over haar en haar spullen waakte.  Uiteindelijk had ze een grote hoeveelheid materiaal verzameld, wat een ingewikkelde montage vergde om alles tot een half uur terug te brengen. In die strenge montage had ze ook het geluid betrokken, want de straatgeluiden in de verschillende steden mochten niet met elkaar concurreren. In de leporello bij ‘Street vendors’ schrijft ontwerper Tejo Remy over de ‘bottom-up simplicity’ en de ‘high level of improvisation’. Inderdaad, het improviseren ontroert. En ook: “Street vendors put large amounts of recycling into their trolleys and stalls, using the design code: form follows vendor.” Vooral de kinderen in de tent, viel me op, vermaakten zich kostelijk. Er zaten er verscheidene hardop te genieten. Het optimisme en doorzettingsvermogen van de straathandelaren en het spelelement in hun kleinschalige ambulante handel prikkelde hun zinnen. Door de krankzinnige urbanisatie die op dit moment in de wereld plaatsvindt neemt de straathandel razendsnel toe, ondanks tegenwerking van autoriteiten. Het is een economie van onderop. Een geweldige ontwikkeling.

Tagged with:
 

Sea of Tranquility

On 28 september 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam op 26 september 2018:

Afbeeldingsresultaat voor sea of tranquility hans op de beeck

Op de bovenste verdieping van het Amsterdamse scheepvaartmuseum is nog tot 9 juni 2019 een tentoonstelling te zien over een imaginair cruiseschip. In ‘Sea of Tranquility’ neemt de Belgische kunstenaar Hans op de Beeck de bezoeker mee op een duistere reis op een niet bestaand cruiseschip dat met gemak 3.000 passagiers kan vervoeren, plus nog eens 1.000 bemanningsleden. Waarom duister? Alle zalen zijn donker geschilderd en hoewel de uitgestalde beelden, kostuums, maquettes, tekeningen, serviezen en stukken interieur smetteloos zijn uitgevoerd oogt het geheel toch vreugdeloos en zelfs gloomy. Het schip zelf is hybride: de voorzijde oogt als een oorlogsschip, de achterzijde als een feestboot. Er is geen sprake van een scheepsramp of ongeval. Alles lijkt onder controle, de reis zelf is absoluut veilig, de bediening is tot in de puntjes verzorgd. Maar dat is het hem nu juist.Op het eind is in een filmzaal een documentaire van een half uur uit 2010 te zien die het werkelijke verhaal vertelt van het leven aan boord van het schip. Echt gezellig wil het maar niet worden, ook al ontbreekt het de gasten aan niets. Alle leven lijkt uit het schip gezogen. Zelfs de muziek en de dansers wekken geen emotie op. Terwijl het varende machtig imposant oogt, zijn de mensen aan boord diep ongelukkig.

In een interview vertelt Op de Beeck over zijn denkbeeldige schip in termen van een reusachtig vaartuig dat op een uit de hand gelopen shopping mall lijkt, een wereld van perfecte consumptie. Deze perfecte genotswereld stelt hij tegenover de rommeligheid van de stad. Echte steden zijn chaotisch, zitten vol conflicten, zijn allesbehalve perfect. Maar juist daardóór zijn steden levendig. Op de Beeck in een interview: “Het gaat telkens om het op een bijzondere manier moduleren van banaliteiten. Op die wijze probeer ik iets te zeggen over hoe we het leven ensceneren, onze omgeving trachten te temmen en te vermenselijken en hoe we onbeholpen met elkaar en onze sterfelijkheid omgaan.” (kunstblog ‘Gesprekken met hedendaagse kunstenaars, 26 april 2012). Het is de gebrekkigheid die mensen gelukkig maakt. Ik sprak erover met mijn jongste broer, die tegenwoordig in Singapore woont en die bij me op bezoek was en mee was gegaan naar het museum voor een lunch. Op mijn vraag waarom hij Amsterdam zo aantrekkelijk vond, antwoordde hij: “Ook al is het openbaar vervoer hier veel slechter dan in Singapore, toch vind ik Amsterdam levendiger, de stad zit vol mooie, aantrekkelijke mensen, de huizen staan schots en scheef en zijn onderling sterk verschillend, maar die imperfectie voelt juist fijn.” Hij heeft gelijk. Toen ik het museum verliet lachte de stad me toe.

Tagged with:
 

Monet in Londen

On 1 augustus 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in de Tate Britain in Londen op 4 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor impressionists in london

Deze zomer ga ik tekenen en schilderen. U verneemt dus even niets van mij. Ik ga naar het droge licht van Van Gogh, in de Provence, met zijn heldere kleuren, dat de schilder zo graag vergeleek met het Japanse licht. Ons eigen vochtige licht schilderde Monet. Ik ken niemand die dit mooier heeft vastgelegd op het linnen doek. Dit voorjaar zag ik het met eigen ogen in de Tate Britain in Londen. In de expositie ‘Impressionists in London’ was één zaal gewijd aan een stuk of negen doeken van Monet van de Thames bij Westminster. In totaal zou hij er meer dan honderd van hebben gemaakt (sic!). In 1904 werden er 37 doeken tentoon gesteld in Parijs, bij de galerie van Durand-Ruel. Het was een megasucces. De doeken had hij in drie winters geschilderd terwijl hij verbleef in het Savoy hotel aan de overkant van de Thames, dat was in 1899, 1900 en 1901. Hij was toen de zestig juist gepasseerd. Zijn bedoeling was om nog één keer alles wat hij in zijn schildersleven had doorleefd – ‘impressions and sensations’ – op het schilderdoek vast te leggen. In totaal verbleef hij zes maanden in het hotel. Daarna nam hij ze mee naar Parijs om er verder aan te werken. Ik zou ze graag allemaal eens tegelijk willen zien.

Overigens, kort daarna opende in de National Gallery een tentoonstelling over ‘Monet & Architecture’. Afgelopen weekeinde was de laatste mogelijkheid om deze tentoonstelling te bezoeken. Die heb ik gemist. Ik begreep dat daar opnieuw een groot aantal Thames-schilderijen van Monet te zien waren. In een recensie las ik dat hij de doeken van Waterloo en Charing Cross in 1899 had geschilderd vanuit de suites 610 en 611 en in 1900 en in 1901 de suites daar direct onder, vanuit 510 en 511, om precies te zijn vanaf het balkon. Tot op de dag van vandaag kun je deze ‘Monet suite’ boeken; een nacht in suite 610 en 611 kost u tenminste 720 Engelse pond, met maaltijden en een tour zelfs 2.600 pond. James Whistler zou Monet op de suites hebben gewezen. Waarom de Franse schilder in 1900 en 1901 moest uitwijken naar een verdieping lager weet ik nu ook: 610 en 611 waren op dat moment in gebruik door invalide Britse soldaten uit de tweede Boerenoorlog. De doeken van Westminster schilderde hij overigens na de thee, aan de overkant van de rivier, bij St Thomas Hospital. Monet had een ijzeren discipline. Die heb ik niet.

Tagged with:
 

Regels voor het sublieme

On 23 juli 2018, in kunst, landschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘IJsselmeergebied’ (2018) van Frits Palmboom:

Afbeeldingsresultaat voor ijsselmeergebied een ruimtelijk perspectief

De afgelopen drie jaar (2013-2016) bezette landschapsarchitect Frits Palmboom (1951) de Van Eesteren-leerstoel aan de Technische Universiteit Delft. Over zijn onderzoekswerk publiceerde hij onlangs een boek. In ‘IJsselmeergebied. Een ruimtelijk perspectief’’ lezen we over tijdlijn, kustlijn, watervlak, achterland, schakelpunten en compositieprincipes. Zijn tekst is er een van instructies, aanwijzingen, regels en principes voor het ontwerpen van het landschap. Voor Palmboom is het IJsselmeergebied feitelijk één grote compositie. En dat is wel gek. Dat voorschrijven, als van een receptuur, verhoudt zich slecht met de heftige en onvoorspelbare dynamiek, het sublieme. “Het water van de delta, met zijn vaak heftige en onvoorspelbare dynamiek, vertegenwoordigt ‘het sublieme’ in het zo geordende alledaagse Hollandse landschap.” Zijn vele tekeningen zijn echter helder en ronduit schitterend en willen die compositieleer vooral illustreren. Ook de landschapsfotografie van Theo Baart is opzettelijk fraai, alsof de fotograaf het sublieme heeft proberen te vatten. Bij het doorlezen bekroop me zelfs het gevoel dat ik eerder met ‘land art’ te maken had, dan met complexe ruimtelijke inrichting. En misschien is dat ook wel zo. Palmboom is in de eerste plaats kunstenaar, een echte estheet.

Metropolitanisering is een van de twee grote tendensen die volgens Palmboom spelen in het gebied. De andere is ecologisering. Aan de basis van metropoolvorming liggen herwaardering  en intensivering van de grote steden, maar Palmboom ziet ook in de omgeving ‘sluipenderwijs’ verandering optreden, met krimp in de periferie. Er moet, vindt hij, worden geïnvesteerd in het leefklimaat op regionale schaal. “Kan de krimpende periferie op eigen kracht overleven of ook profiteren van de tendens tot metropolitanisering?” Hier en ook later verwijst hij naar San Francisco. Rond de baai is daar het Bay Trail Project waarin negen regiobesturen en 41 steden (!) samenwerken en dat de oevers ‘over de volle lengte’ toegankelijk maakt. Zo’n platform is ook rond het IJsselmeer nodig. Helemaal achterin het boek schrijft hij: “Er is een sterke neiging om binnen complexe planprocessen de ideevorming over ruimtelijke kwaliteit uit te stellen (of over te slaan) en voorrang te geven aan het debat over functies, doelstellingen en belangen.” Alsof men zijn compositieleer niet aanvaardt. In het voorwoord wordt zijn klacht ook niet geadresseerd. Palmboom wordt bedankt, zijn werk, schrijft de Regeringscommissaris voor het Deltaprogramma Wim Kuijken, is een ‘belangrijke bouwsteen voor Agenda IJsselmeergebied 2050.” Jammer dat Palmboom het planproces niet heeft kunnen beïnvloeden. Zijn boek lijkt een zoektocht naar een opdrachtgever.

Drifting

On 28 mei 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Stedelijk Museum te Amsterdam op 21 mei 2018:

 Afbeeldingsresultaat voor studio drift stedelijk

 

Afgelopen week de expositie van het werk van Studio Drift in het Stedelijk Museum bekeken. Studio Drift is een veelbelovend Amsterdamse kunstenaarsduo wier werk ik nog nauwelijks kende. In ‘Coded Nature’ (te zien tot 27 augustus 2018) gaat het om “bewustwording van een veranderende maatschappij waarin de impact van technologie groot is, zonder hierover een oordeel te vellen.” Grote woorden, actueel thema, dat zeker. ‘Drifter’ (2017) vond ik vooral fraai. Het traag en vrij in de ruimte zwevende betonblok deed me denken aan de zwevende steen van Wim T. Schippers. Die steen trotseert de zwaartekracht met drie elektromagneten in de sokkel die kracht uitoefenen op magneten die in de steen zijn verwerkt. Zoiets bespeurde ik ook bij ‘Drifter’. ‘Zwevende steen’ verheft zich nauwelijks en is daardoor verrassend en geestig, ‘Drifter’ niet. De film ‘Drifters’ maakte veel duidelijk. “Drifters is een twaalf minuten durende film over een entiteit die zijn oorsprong en bestemming ontdekt, gesitueerd tegen de achtergrond van de Schotse Hooglanden. De vraag die rijst is: valt er voor het individu te ontsnappen aan het collectief?” Gek, maar die vraag stelde ik mij niet. Ik bespeurde eerder een onafwendbare verstedelijking, omineus verbeeld door middel van zwevende blokken die – als vliegende schotels –, afgetekend tegen een maagdelijk landschap, hermetisch in elkaar schuiven tot er geen ontkomen meer aan is. Niet grappig. Eerder ernstig en esthetisch.

Helemaal op het eind van de tentoonstelling zag ik een video van Floris Kaayk, een van de inspiratiebronnen van Lonneke Gordijn en Ralph Nauta, het duo dat Studio Drift uitmaakt. Die video was fantastisch. Ik bedoel niet The Modular Body, maar The Order Electrus. Daarin ontstaat in een vervallen industrielandschap een nieuwe insectensoort die zich razendsnel vermenigvuldigt. De film is vormgegeven als een natuurdocumentaire, maar let op, de nieuwe insect bestaat uit elektronisch afval en loopt op het eind de hele wereld onder de voet, het blijkt een ware plaag. De zeven minuten durende film is eng, aangrijpend, geestig nee hilarisch, en beslist niet esthetisch. Kaayk fabriceerde niet minder dan een moderne ‘Frankenstein’. In het thema bespeurde ik sterke verwantschap met ‘Drifters’ van Studio Drift, maar de ernst en esthetiek van de laatste stond me nu nog meer tegen. Ik vond het teveel ‘Eindhoven’ en te weinig ‘Amsterdam’. Mag ik dat zeggen? Nee, dan Floris Kaayk. Kijk zelf maar: https://www.youtube.com/watch?v=mH6lg2F3EiI

Tagged with: