Form follows vendor

On 17 oktober 2018, in economie, kunst, by Zef Hemel

Gezien in Big Art, in de Bijlmerbajes te Amsterdam op 12 oktober 2018:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Su Tomesen

De première van ‘Street Vendors’, een installatie van de Amsterdamse kunstenaar Su Tomesen, vond onlangs plaats tijdens het Nederlands Film Festival in Utrecht. Afgelopen week waren de vier films te zien in Amsterdam, tijdens de derde editie van ‘Big Art’ in de Bijlmerbajes. Zes jaar werkte Tomesen aan haar installatie. Afgelopen vrijdag ging ik kijken. Simultaan werden in een tent in één van de voormalige gevangeniscellen gelijktijdig vier films van elk een half uur getoond van straatverkopers  in vier steden op vier continenten: Yogjakarta, Johannesburg, Medellìn, Tirana. Er is geen voice-over, er wordt niets toegelicht, je hoort alleen straatgeluiden. De films laten een dag in het leven van een aantal straatverkopers in elk van de steden zien als kleine verhalen, alleen de tijdzones verschillen, dus in de ene stad is het iets eerder donker dan in de andere. Met die vier schermen kwam ik ogen te kort. Het is beste is om je op één stad te concentreren en dan vaag het rumoer in de andere steden aan je voorbij te laten gaan. Maar je kunt je ook laten meevoeren van het ene scherm naar het andere, afhankelijk van wat je oog zoal opvangt. Erg mooi is het, nee het is een ontroerende installatie.

Ik sprak Su tijdens de vertoning. Er was, vertelde ze me, niets in scene gezet, er waren vriendschappen gesloten, waarna uiteindelijk toestemming was gegeven om het dagelijkse werk van nabij te filmen. Gevaarlijk was het soms wel, zeker in Johannesburg. Steeds had Su zich door een assistent laten vergezellen die over haar en haar spullen waakte.  Uiteindelijk had ze een grote hoeveelheid materiaal verzameld, wat een ingewikkelde montage vergde om alles tot een half uur terug te brengen. In die strenge montage had ze ook het geluid betrokken, want de straatgeluiden in de verschillende steden mochten niet met elkaar concurreren. In de leporello bij ‘Street vendors’ schrijft ontwerper Tejo Remy over de ‘bottom-up simplicity’ en de ‘high level of improvisation’. Inderdaad, het improviseren ontroert. En ook: “Street vendors put large amounts of recycling into their trolleys and stalls, using the design code: form follows vendor.” Vooral de kinderen in de tent, viel me op, vermaakten zich kostelijk. Er zaten er verscheidene hardop te genieten. Het optimisme en doorzettingsvermogen van de straathandelaren en het spelelement in hun kleinschalige ambulante handel prikkelde hun zinnen. Door de krankzinnige urbanisatie die op dit moment in de wereld plaatsvindt neemt de straathandel razendsnel toe, ondanks tegenwerking van autoriteiten. Het is een economie van onderop. Een geweldige ontwikkeling.

Tagged with:
 

Sea of Tranquility

On 28 september 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam op 26 september 2018:

Afbeeldingsresultaat voor sea of tranquility hans op de beeck

Op de bovenste verdieping van het Amsterdamse scheepvaartmuseum is nog tot 9 juni 2019 een tentoonstelling te zien over een imaginair cruiseschip. In ‘Sea of Tranquility’ neemt de Belgische kunstenaar Hans op de Beeck de bezoeker mee op een duistere reis op een niet bestaand cruiseschip dat met gemak 3.000 passagiers kan vervoeren, plus nog eens 1.000 bemanningsleden. Waarom duister? Alle zalen zijn donker geschilderd en hoewel de uitgestalde beelden, kostuums, maquettes, tekeningen, serviezen en stukken interieur smetteloos zijn uitgevoerd oogt het geheel toch vreugdeloos en zelfs gloomy. Het schip zelf is hybride: de voorzijde oogt als een oorlogsschip, de achterzijde als een feestboot. Er is geen sprake van een scheepsramp of ongeval. Alles lijkt onder controle, de reis zelf is absoluut veilig, de bediening is tot in de puntjes verzorgd. Maar dat is het hem nu juist.Op het eind is in een filmzaal een documentaire van een half uur uit 2010 te zien die het werkelijke verhaal vertelt van het leven aan boord van het schip. Echt gezellig wil het maar niet worden, ook al ontbreekt het de gasten aan niets. Alle leven lijkt uit het schip gezogen. Zelfs de muziek en de dansers wekken geen emotie op. Terwijl het varende machtig imposant oogt, zijn de mensen aan boord diep ongelukkig.

In een interview vertelt Op de Beeck over zijn denkbeeldige schip in termen van een reusachtig vaartuig dat op een uit de hand gelopen shopping mall lijkt, een wereld van perfecte consumptie. Deze perfecte genotswereld stelt hij tegenover de rommeligheid van de stad. Echte steden zijn chaotisch, zitten vol conflicten, zijn allesbehalve perfect. Maar juist daardóór zijn steden levendig. Op de Beeck in een interview: “Het gaat telkens om het op een bijzondere manier moduleren van banaliteiten. Op die wijze probeer ik iets te zeggen over hoe we het leven ensceneren, onze omgeving trachten te temmen en te vermenselijken en hoe we onbeholpen met elkaar en onze sterfelijkheid omgaan.” (kunstblog ‘Gesprekken met hedendaagse kunstenaars, 26 april 2012). Het is de gebrekkigheid die mensen gelukkig maakt. Ik sprak erover met mijn jongste broer, die tegenwoordig in Singapore woont en die bij me op bezoek was en mee was gegaan naar het museum voor een lunch. Op mijn vraag waarom hij Amsterdam zo aantrekkelijk vond, antwoordde hij: “Ook al is het openbaar vervoer hier veel slechter dan in Singapore, toch vind ik Amsterdam levendiger, de stad zit vol mooie, aantrekkelijke mensen, de huizen staan schots en scheef en zijn onderling sterk verschillend, maar die imperfectie voelt juist fijn.” Hij heeft gelijk. Toen ik het museum verliet lachte de stad me toe.

Tagged with:
 

Monet in Londen

On 1 augustus 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in de Tate Britain in Londen op 4 mei 2018:

Afbeeldingsresultaat voor impressionists in london

Deze zomer ga ik tekenen en schilderen. U verneemt dus even niets van mij. Ik ga naar het droge licht van Van Gogh, in de Provence, met zijn heldere kleuren, dat de schilder zo graag vergeleek met het Japanse licht. Ons eigen vochtige licht schilderde Monet. Ik ken niemand die dit mooier heeft vastgelegd op het linnen doek. Dit voorjaar zag ik het met eigen ogen in de Tate Britain in Londen. In de expositie ‘Impressionists in London’ was één zaal gewijd aan een stuk of negen doeken van Monet van de Thames bij Westminster. In totaal zou hij er meer dan honderd van hebben gemaakt (sic!). In 1904 werden er 37 doeken tentoon gesteld in Parijs, bij de galerie van Durand-Ruel. Het was een megasucces. De doeken had hij in drie winters geschilderd terwijl hij verbleef in het Savoy hotel aan de overkant van de Thames, dat was in 1899, 1900 en 1901. Hij was toen de zestig juist gepasseerd. Zijn bedoeling was om nog één keer alles wat hij in zijn schildersleven had doorleefd – ‘impressions and sensations’ – op het schilderdoek vast te leggen. In totaal verbleef hij zes maanden in het hotel. Daarna nam hij ze mee naar Parijs om er verder aan te werken. Ik zou ze graag allemaal eens tegelijk willen zien.

Overigens, kort daarna opende in de National Gallery een tentoonstelling over ‘Monet & Architecture’. Afgelopen weekeinde was de laatste mogelijkheid om deze tentoonstelling te bezoeken. Die heb ik gemist. Ik begreep dat daar opnieuw een groot aantal Thames-schilderijen van Monet te zien waren. In een recensie las ik dat hij de doeken van Waterloo en Charing Cross in 1899 had geschilderd vanuit de suites 610 en 611 en in 1900 en in 1901 de suites daar direct onder, vanuit 510 en 511, om precies te zijn vanaf het balkon. Tot op de dag van vandaag kun je deze ‘Monet suite’ boeken; een nacht in suite 610 en 611 kost u tenminste 720 Engelse pond, met maaltijden en een tour zelfs 2.600 pond. James Whistler zou Monet op de suites hebben gewezen. Waarom de Franse schilder in 1900 en 1901 moest uitwijken naar een verdieping lager weet ik nu ook: 610 en 611 waren op dat moment in gebruik door invalide Britse soldaten uit de tweede Boerenoorlog. De doeken van Westminster schilderde hij overigens na de thee, aan de overkant van de rivier, bij St Thomas Hospital. Monet had een ijzeren discipline. Die heb ik niet.

Tagged with:
 

Regels voor het sublieme

On 23 juli 2018, in kunst, landschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘IJsselmeergebied’ (2018) van Frits Palmboom:

Afbeeldingsresultaat voor ijsselmeergebied een ruimtelijk perspectief

De afgelopen drie jaar (2013-2016) bezette landschapsarchitect Frits Palmboom (1951) de Van Eesteren-leerstoel aan de Technische Universiteit Delft. Over zijn onderzoekswerk publiceerde hij onlangs een boek. In ‘IJsselmeergebied. Een ruimtelijk perspectief’’ lezen we over tijdlijn, kustlijn, watervlak, achterland, schakelpunten en compositieprincipes. Zijn tekst is er een van instructies, aanwijzingen, regels en principes voor het ontwerpen van het landschap. Voor Palmboom is het IJsselmeergebied feitelijk één grote compositie. En dat is wel gek. Dat voorschrijven, als van een receptuur, verhoudt zich slecht met de heftige en onvoorspelbare dynamiek, het sublieme. “Het water van de delta, met zijn vaak heftige en onvoorspelbare dynamiek, vertegenwoordigt ‘het sublieme’ in het zo geordende alledaagse Hollandse landschap.” Zijn vele tekeningen zijn echter helder en ronduit schitterend en willen die compositieleer vooral illustreren. Ook de landschapsfotografie van Theo Baart is opzettelijk fraai, alsof de fotograaf het sublieme heeft proberen te vatten. Bij het doorlezen bekroop me zelfs het gevoel dat ik eerder met ‘land art’ te maken had, dan met complexe ruimtelijke inrichting. En misschien is dat ook wel zo. Palmboom is in de eerste plaats kunstenaar, een echte estheet.

Metropolitanisering is een van de twee grote tendensen die volgens Palmboom spelen in het gebied. De andere is ecologisering. Aan de basis van metropoolvorming liggen herwaardering  en intensivering van de grote steden, maar Palmboom ziet ook in de omgeving ‘sluipenderwijs’ verandering optreden, met krimp in de periferie. Er moet, vindt hij, worden geïnvesteerd in het leefklimaat op regionale schaal. “Kan de krimpende periferie op eigen kracht overleven of ook profiteren van de tendens tot metropolitanisering?” Hier en ook later verwijst hij naar San Francisco. Rond de baai is daar het Bay Trail Project waarin negen regiobesturen en 41 steden (!) samenwerken en dat de oevers ‘over de volle lengte’ toegankelijk maakt. Zo’n platform is ook rond het IJsselmeer nodig. Helemaal achterin het boek schrijft hij: “Er is een sterke neiging om binnen complexe planprocessen de ideevorming over ruimtelijke kwaliteit uit te stellen (of over te slaan) en voorrang te geven aan het debat over functies, doelstellingen en belangen.” Alsof men zijn compositieleer niet aanvaardt. In het voorwoord wordt zijn klacht ook niet geadresseerd. Palmboom wordt bedankt, zijn werk, schrijft de Regeringscommissaris voor het Deltaprogramma Wim Kuijken, is een ‘belangrijke bouwsteen voor Agenda IJsselmeergebied 2050.” Jammer dat Palmboom het planproces niet heeft kunnen beïnvloeden. Zijn boek lijkt een zoektocht naar een opdrachtgever.

Drifting

On 28 mei 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Stedelijk Museum te Amsterdam op 21 mei 2018:

 Afbeeldingsresultaat voor studio drift stedelijk

 

Afgelopen week de expositie van het werk van Studio Drift in het Stedelijk Museum bekeken. Studio Drift is een veelbelovend Amsterdamse kunstenaarsduo wier werk ik nog nauwelijks kende. In ‘Coded Nature’ (te zien tot 27 augustus 2018) gaat het om “bewustwording van een veranderende maatschappij waarin de impact van technologie groot is, zonder hierover een oordeel te vellen.” Grote woorden, actueel thema, dat zeker. ‘Drifter’ (2017) vond ik vooral fraai. Het traag en vrij in de ruimte zwevende betonblok deed me denken aan de zwevende steen van Wim T. Schippers. Die steen trotseert de zwaartekracht met drie elektromagneten in de sokkel die kracht uitoefenen op magneten die in de steen zijn verwerkt. Zoiets bespeurde ik ook bij ‘Drifter’. ‘Zwevende steen’ verheft zich nauwelijks en is daardoor verrassend en geestig, ‘Drifter’ niet. De film ‘Drifters’ maakte veel duidelijk. “Drifters is een twaalf minuten durende film over een entiteit die zijn oorsprong en bestemming ontdekt, gesitueerd tegen de achtergrond van de Schotse Hooglanden. De vraag die rijst is: valt er voor het individu te ontsnappen aan het collectief?” Gek, maar die vraag stelde ik mij niet. Ik bespeurde eerder een onafwendbare verstedelijking, omineus verbeeld door middel van zwevende blokken die – als vliegende schotels –, afgetekend tegen een maagdelijk landschap, hermetisch in elkaar schuiven tot er geen ontkomen meer aan is. Niet grappig. Eerder ernstig en esthetisch.

Helemaal op het eind van de tentoonstelling zag ik een video van Floris Kaayk, een van de inspiratiebronnen van Lonneke Gordijn en Ralph Nauta, het duo dat Studio Drift uitmaakt. Die video was fantastisch. Ik bedoel niet The Modular Body, maar The Order Electrus. Daarin ontstaat in een vervallen industrielandschap een nieuwe insectensoort die zich razendsnel vermenigvuldigt. De film is vormgegeven als een natuurdocumentaire, maar let op, de nieuwe insect bestaat uit elektronisch afval en loopt op het eind de hele wereld onder de voet, het blijkt een ware plaag. De zeven minuten durende film is eng, aangrijpend, geestig nee hilarisch, en beslist niet esthetisch. Kaayk fabriceerde niet minder dan een moderne ‘Frankenstein’. In het thema bespeurde ik sterke verwantschap met ‘Drifters’ van Studio Drift, maar de ernst en esthetiek van de laatste stond me nu nog meer tegen. Ik vond het teveel ‘Eindhoven’ en te weinig ‘Amsterdam’. Mag ik dat zeggen? Nee, dan Floris Kaayk. Kijk zelf maar: https://www.youtube.com/watch?v=mH6lg2F3EiI

Tagged with:
 

Adelheid Roosen als burgemeester

On 20 maart 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gehoord in CREA, Amsterdam, op 19 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor adelheid roosen de oversteek

Foto: Zina

De zwerver voor haar voordeur heette Jan. Toen de politie hem uit haar portiek wilde halen, ontfermde Adelheid Roosen zich over hem. Jan werd lid van het bewonersoverleg. Hij kreeg als taak om de voordeur te schilderen. Jan koos voor bordeauxrood. Maar het afschuren en lakken duurde eindeloos. Roosen (1958) vertelde er prachtig over tijdens de vierde Amsterdamlezing van dit jaar. In diezelfde lezing vertelde ze over haar overbuurman die elke avond als hij naar bed ging de gordijnen sloot met de tandenborstel in zijn mond. Op een avond belde ze bij hem aan en stelde voor om een nacht bij hem door te brengen. Wat ze vervolgens ook deed. Voor haar was het een experiment geweest. Verschil tussen theater en het normale leven is er niet bij, bij regisseur en theatermaker Adelheid Roosen. Een schouwburg is voor haar gewoon een droge plek om te acteren. Alles draait om menselijk contact, om ontroering, om nieuwe mogelijkheden te verkennen. Contact met anderen noemde ze vormend, dat wist ze zeker. Anderen vormen jou, jij bent niet wie je bent. Ze raadde aan om Emmenuel Levinas te lezen. ‘Ware schoonheid zit in kleine dingen’. Indrukwekkend was haar verhaal over het avontuur met een criminele motorbende in Mexico-stad die ze had gevraagd om in haar wijksafari om te treden. Hoe het was om veertien dagen lang met moordenaars op te trekken? Ze wist wie ze tegenover zich had, maar oordelen deed ze niet.

Het fragment dat ze vertoonde was uit de film over De Oversteek, het toneelstuk dat in zeven schouwburgen in zeven steden was opgevoerd en waarbij telkens honderd gewone burgers het toneel op waren geklommen om zich vervolgens in pyjama te hijsen en er de nacht door te brengen. Maanden hadden de deelnemers geoefend, Roosen en Muizelaar hadden “als kinderen van 6” bij de mensen aangebeld om ze voor de voorstellingen te werven, elke nacht was weer totaal anders geweest. Mensen die nog nooit in het theater waren geweest, speelden nu rollen in ‘Dantons dood’ bij Toneelgroep Amsterdam in de regie van Johan Simons. Het publiek moest maar zien wanneer het vertrok, maar het mocht ook blijven slapen. Het was een enorme operatie geweest, een helse operaproductie. Kijk: https://www.youtube.com/watch?v=QxjM8eY2uQw Stel, Adelheid, ze vragen je om burgemeester van Amsterdam te worden. Zou je dat doen? Waarop de zaal losbarstte. Jazeker! Dit is wat ze zou doen als ze burgemeester werd van Amsterdam: iedereen mag blijven slapen in de Stopera, dat spreekt vanzelf. Er komt een ‘liefdespolitie’ en er wordt een team van dertig burgers geïnstalleerd die alle regels in de stad inventariseren en zoveel mogelijk verwijderen. Roosen wil de mensen bevrijden uit ‘het systeem’, ze is ervan overtuigd dat Amsterdammers lief zijn voor elkaar. Waar had ik dat ook alweer eerder gehoord? Volgende week spreekt econoom Coen Teulings. Mis het niet!

Tagged with:
 

Uittocht der uittochten

On 20 januari 2018, in kunst, by Zef Hemel

Gehoord in Kapitein Zeppos in Amsterdam op 12 januari 2018:

Afbeeldingsresultaat voor 8 billion city arne hendriks

Bron: Arne Hendriks/Monnik

Kunstenaar Arne Hendriks was vorige week vrijdag te gast bij de Masterstudio The Circle City van het Centre for Urban Studies van de UvA. Het werd een fascinerende event. Hendriks, die de laatste spreker was, vertelde over FATberg, de 500 kilogram vet die hij sinds deze winter in het IJ laat drijven en die moet uitgroeien tot een groot eiland van door huishoudens afgedankt vet. Na afloop van zijn lezing aten we gezellig een hapje in Kapitein Zeppos. Hendriks vertelde honderduit over zijn stad van 8 miljard mensen die hij samen met het Amsterdamse bureau Monnik ergens in de wereld, liefst in de Atlantische Oceaan, wil bouwen. In ‘8 Billion City’ willen ze de consequenties onderzoeken van zo’n enorme stedelijke agglomeratie, te bouwen in richtjaar 2025. Waar precies moet de stad verrijzen? Hoe groot? Hoe voedt zo’n reuzenstad zichzelf? Welk politiek systeem hoort erbij? In ieder geval, zei hij, hoort er een groot evacuatieplan bij, want mensen vertrekken niet vrijwillig massaal naar één punt. Achterblijven is geen optie. Dan krijg je gedoe. In Friesland had hij samen met studenten zo’n evacuatieplan ontwikkeld en getest. Evacuatie zou een oplossing zijn voor de problematiek van de bevolkingskrimp.

Op 29 oktober 2015 berichtte de Leeuwarder Courant inderdaad droogjes: ‘Kunstenaar onderzoekt evacuatie Friesland’. Samen met studenten van de Academie voor Popcultuur bedacht Hendriks wat er nodig is om alle Friezen in één keer te verhuizen. Hendriks tegenover de krant: “Men kan zich verzetten tegen de braindrain in Friesland, maar men kan ‘de krimp’ ook accepteren: jonge mensen en talenten wonen nu eenmaal liever in de Randstad.” Dus hoe evacueer je 6.5 ton mensen? Studenten spraken met de politie, de brandweer, het leger en de gemeenten. Projectleider Daan Branding dacht aan verzamelplaats Joure en dan met z’n allen met boten vertrekken. Waar naartoe wist hij nog niet. Een soort Ark van Noach idee. Het plan werd gepresenteerd in Leeuwarden tijdens het Media Art Festival eind november 2015. Huis-aan-huisblad Leeuwarden meldde: “Deze week wordt het oude kantoor in De Snackbar verruild voor een nieuw onderkomen in de Oude Slachterij aan de Kleine Hoogstraat waar de laatste voorbereidingen worden getroffen voor de grootste logistieke operatie aller tijden.” Het werd, begreep ik, een daverend slot.

Tagged with:
 

De kunst van het verdwijnen

On 3 december 2017, in kunst, by Zef Hemel

Gezien in het Rijksmuseum op 30 november 2017:

Afbeeldingsresultaat voor matthijs maris londen

Matthijs Maris, Vanished illusions.

Eind negentiende eeuw werd Matthijs Maris (1839-1917) beschouwd als een van de beroemdste schilders van Nederland. Hij woonde er echter niet. Het Rijksmuseum wijdt aan zijn merkwaardige oeuvre een tentoonstelling, die nog is te zien tot en met 7 januari 2018. Afgelopen donderdag bezocht ik de zalen. Maris verhuisde in 1869 op dertig jarige leeftijd naar Parijs en trok in 1877 door naar Londen, waar hij in 1917 eenzaam stierf. Slechts een enkele keer bezocht hij zijn familie in Nederland. Vrijwel zijn gehele oeuvre kwam tot stand in de twee buitenlandse grote steden. Liefst veertig jaar leefde en werkte hij in Londen, in Parijs woonde hij acht jaar. Zijn bijzondere leven deed me denken aan Karl Marx (1818-1883). Hoewel iets ouder, verhuisde ook tijdgenoot Marx al vroeg naar Parijs, om later door te verhuizen naar Londen, alwaar hij in 1883 in eenzaamheid stierf. Zonder Londen was Das Kapital niet denkbaar geweest. Datzelfde geldt voor het schilderij ‘Vanished Illusions’. Maris was, net als Marx, een revolutionair. In 1870 vocht hij zelfs mee tijdens de Parijs Commune aan de kant van de opstandelingen. Kort daarvoor had Marx zijn Das Kapital gepubliceerd.

Maris verhuisde naar het buitenland en dan met name naar de grote stad vanwege de lokale kunstmarkt, die hij overigens haatte. In geld was hij niet geïnteresseerd. Ook niet in vooruitgang trouwens. Maar een kunsthandelaar uit Londen wist hem te overtuigen. Hij moest toch leven. Die afkeer van geld en dat armoedige bestaan in de beide metropolen, eigenlijk had hij dat ook met Marx gemeen. Maris vond zelfs dat mensen teveel voor zijn schilderijen betaalden. Hij ontbeerde echter een Friedrich Engels die hem in zijn levensonderhoud onderhield. Veel geld had hij niet nodig. Hij bleef ongetrouwd, tenminste ik las niets over een vrouw of kinderen. En zijn werk? Geen beelden van een modern Parijs, en ook niet van het industriële Londen. Wel boeiend en steeds raadselachtiger. Zijn laatste periode in Londen intrigeert het meest. De feeërieke middeleeuwse taferelen en dromerige meisjes maken plaats voor abstracte denkbeelden, dromen en herinneringen. Alles wordt vaag en onscherp. Verdwenen is de realiteit. De realiteit van de industriële stad. Carel Peters noemde hem in Vrij Nederland een modernist met een oude ziel en Bram de Klerck zag in hem een revolutionair en een compromisloze dromer (NRC Handelsblad 12 oktober 2017). Ik begreep het pas toen ik ‘Vanished Illusions’ zag waaraan hij jaren had gewerkt en dat op zijn schildersezel stond toen hij in 1917 overleed. De wereld stond in brand. Vijandige zeppelins vlogen over Londen. Hij werkte aan een vrouw, voorover liggend op de trappen van een altaar, bijna vallend. Maris haatte de moderniteit. Hij bleek een vernieuwer.

Tagged with:
 

Ant City

On 4 oktober 2017, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Public Private van najaar 2015:

Afbeeldingsresultaat voor mierenstad rotterdam

 

Vorige week een lezing gehouden op de Design Academy Eindhoven. Daar kreeg ik bij toeval een nummer in handen van Public Private, een publicatie van een van de acht ontwerpafdelingen. Het nummer uit najaar 2015 ging over ‘Urban Rituals’. Bij een van de bijdragen bleef mijn oog steken. Kennelijk is het me ontgaan, maar in juli 2015 was in Rotterdam gedurende enige maanden de ‘Mierenstad’ te zien geweest. Mierenstad was een werk van Lucas Zoutendijk en Eveline Visser, twee jonge ontwerpers van de Design Academy uit Eindhoven. Hun stad betrof een grote kaart van Rotterdam, opgebouwd uit piepschuimplaten waaruit de straten met een computer waren gestanst en vervolgens met zand en leem waren opgevuld, alles ingeklemd tussen twee glasplaten. In de kaart liepen 1300 Spaanse mieren vrij rond. Ze voedden zich met luchtgaten en capsules met suikerwater in de randen. Omdat er geen koningin was, is de kolonie op een gegeven moment uitgestorven. Maar uit de berichten begrijp ik dat in de tijd dat de mieren te zien waren geweest, ze enorm veel bekijks hebben getrokken. Langzaam aten ze delen van de kaart op of verlegden ze routes. Hoe de eindsituatie er moet hebben uitgezien kan ik slechts gissen.

In een uitzending van Vroege Vogels vertelde Zoutendijk – dat was nog tijdens de expositie – dat hij vooral tevreden was geweest met hoe de installatie had gefunctioneerd als communicatiemiddel, minder wat de mieren nou precies hadden aangericht. De kaart was geplaatst geweest in het Office for Metropolitan Information in het Rotterdamse stadscentrum. Daar had hij onmiddellijk de aandacht getrokken van bezoekers; veel bezoekers waren daarop spontaan gesprekken begonnen over de stad, haar toekomst, haar ambities en haar plannen. Doordat de mieren chaos creëerden in de stadsplattegrond en als het ware spot dreven met bestuurders en planologen, moeten de mensen het gevoel hebben gehad dat ze eindelijk vrijuit over hun stad konden spreken en dromen. Humor en informaliteit hielpen de geesten los te maken. Ik had die gesprekken met mijn studenten graag willen opnemen om ze vervolgens grondig te analyseren. Het had mij niet verbaasd als daaruit heel veel verstandige dingen waren gekomen. Iets als collectieve intelligentie. Opnieuw was aangetoond geweest dat kunst heel goed kan bemiddelen in processen van stedelijke planning.

Tagged with:
 

Onbedorven wereld

On 18 september 2017, in duurzaamheid, kunst, natuur, by Zef Hemel

Gezien in het Nederlands Fotomuseum, Rotterdam, op 14 september 2017:

Afgelopen week in het Nederlands Fotomuseum de tentoonstelling ‘Genesis’ van de Braziliaanse fotograaf Sebastião Salgado gezien. Ik moest er een spreekbeurt geven. Imposant materiaal. Ruim tweehonderd foto’s in zwart-wit, zeer esthetisch. Acht jaar lang reisde de wereldberoemde Magnum-fotograaf naar alle uithoeken van de wereld om mensen en dieren te fotograferen die nog in evenwicht leven met de natuur. Vijf jaar geleden was Genesis al te zien geweest in Londen, Toronto en Rio de Janeiro; in 2013 volgden Parijs, Lausanne en Sao Paulo, daarna Madrid, Venetië, Stockholm, Singapore en een aantal Braziliaanse steden. Nu dan ook in Rotterdam. Salgado’s tentoonstelling draagt een duidelijke boodschap. ‘Genesis’ is een ode aan de natuur. De oude, sociaal bewogen fotograaf toont ons, stedelingen, nog eenmaal zijn schitterende materiaal: de laatste resten onbedorven aarde. Straks is ze er niet meer. Op de foto’s ontbraken de steden, de landbouw, de technologie, allemaal bedorven wereld. Na het zien van de foto’s voelde ik me in verlegenheid gebracht. Ik was juist gevraagd te spreken over de toekomst van de steden.

Geconfronteerd met de foto’s moest ik denken aan de bijzondere biografie van Alexander von Humboldt die ik juist die avond bij me had gestoken. Volgens biografe Andrea Wulf in ‘The Invention of Nature’ was de Duitse geleerde al vroeg doordrongen van de aantasting van het natuurlijke ecosysteem door ingrepen van de mens. Ook zag Von Humboldt op zijn reizen door Zuid-Amerika het verband tussen deze menselijke ingrepen en verschijnselen als uitbuiting en slavernij. Hij had bovendien een esthetisch oog dat zelfs Goethe imponeerde. In Washington DC bezocht hij Thomas Jefferson en bij zijn terugkomst vestigde hij zich in Parijs. Daar, een in van de mooiste en grootste steden op aarde, zou hij de wereld vertellen wat op het spel stond en schreef hij zijn imposante boeken. Maar zijn boeken zijn geen aanklacht. Ze bezongen de natuur. Daarmee inspireerde hij later Darwin, Thoreau en vele anderen. Dat was tweehonderd jaar geleden. Ook ik probeerde de aanwezigen te inspireren. Steden zijn mooi en worden door natuurkrachten vormgegeven. Hoe natuurlijker de planning, hoe beter.

Tagged with: