Planning intelligence

On 16 mei 2018, in boeken, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Slow Burn City’ (2017) van Rowan Moore:

Afbeeldingsresultaat voor slow burn city moore

Hoe vergaat het Londen? Rowan Moore, architectuurcriticus van The Observer, schreef een verontrustend boek over de Britse metropool. Londen is gemaakt door handel, wordt gedomineerd door private krachten, kampt met een notoir zwakke overheid, verliest snel aan publieke waarde, doet graag zaken op de MIPIM in Cannes. Kort samengevat is dat de strekking van de eerste drie delen van het boek. De auteur, die de lezer graag meeneemt op een lange wandeling door de stad, bezoekt gebouwen, leest gebieden, verkent de openbare ruimte van de nieuwe, snel opverende metropool. Wat gaat het Londen goed! Zeer goed zelfs. En wat verandert Londen snel. In deel vier gaat het over de tien miljoen inwoners. ‘You burned your own town, you burned yout own town’, klinkt het luis in het stadion van Chelsea. Chelsea, de voetbaldclub die eigendom is van Roman Abramovic, speelt tegen Tottenham Hotspur. De fans op de tribune zingen over de fatale schietpartij in Tottenham Hale en het zomerse geweld dat daarop uitbrak. Vijf mensen stierven, duizenden werden gevangen gezet. Dat was in 2011, het jaar voor de Olympische Spelen. Aan de liedtekst ontleent het boek van Moore zijn titel. “When the Chelsea fans sang of burning your own town, they could have been describing the whole of London.”

Volgens Moore is Londen zichzelf aan het opeten. Wanneer grondprijzen en vastgoedprijzen zo snel stijgen, dan is dit wat er gebeurt: in razend tempo verliest de stad de plekken waar gewerkt wordt, kennis wordt uitgewisseld, kunst ontwikkeld, plezier gemaakt. “In these circumstances new development will not necessarily be in the interests of the city as a whole, unless guided otherwise, or of business, or even of the property market. It will only reflect the immediate interests of individual landowners and their investors.” Volgens Moore is het belangrijk dat er snel een tegenkracht wordt ontwikkeld die deze tendens naar plat geld verdienen keert. Dat is belangrijk zeker nu Londen afstevent op een inwonertal van zeker tien miljoen. Die omvang, dat komt neer op vijftig procent meer inwoners dan in het midden van de jaren ‘80. Wat de exploderende stad vooral ontbeert is een vorm van ‘planning intelligence’, eentje die alleen de overheid kan leveren, in een subtiel samenspel met al die andere krachten werkzaam in de metropool. ‘Slow Burn City’ is een goed boek om te lezen zo aan de vooravond van de PROVADA, de grootste Nederlandse vastgoedbeurs die op 5, 6 en 7 juni 2018 wordt gehouden in de Amsterdamse RAi. Amsterdam is gewaarschuwd.

Tagged with:
 

Gehoord op Roeterseiland Campus, Amsterdam, op 5 maart 2018:

Afbeeldingsresultaat voor map jane and finch toronto

 

Toronto is een hyperdiverse stad. Tuna Tasan-Kok, zelf afkomstig uit Ankara, Turkije, was de Canadese stad gaan onderzoeken omdat Europese steden qua bevolkingssamenstelling steeds veelkleuriger worden en niet goed weten hoe daarmee om te gaan. Hoe doet men dat in Toronto? De planoloog Tasan-Kok is sinds kort hoogleraar Planologie aan de Universiteit van Amsterdam en doet onderzoek naar hyperdiverse planning. Ze vertelde erover in het bachelor-programma Cities in Transition aan de Universiteit van Amsterdam. Bijna de helft van de twee miljoen inwoners omvattende stad, aldus Tasan-Kok, is in het buitenland geboren. Van de andere helft heeft vrijwel iedereen wortels in een vreemd land. Iedere inwoners is als het ware een nieuwkomer. De complexiteit van deze hyperdiversiteit wordt door de stad niet als probleem gezien, maar is juist uitgangspunt van de planning. Dit houdt in dat alle twee miljoen inwoners toegang hebben tot de voorzieningen, voor elke bevolkingsgroep zijn fysieke ruimtes geregeld en iedereen krijgt in principe dezelfde mogelijkheden. Wat het eerste betreft gaat het niet alleen om toegang tot informatie, maar ook tot consultatie en zelfs delegatie van bevoegdheden. In de stad vindt men duizenden street agents die bemiddelen tussen de overheid en lokale gemeenschappen. Ze liet goed zien hoe ver dit gaat en hoe complex deze omgang met diversiteit is. Toch is er ook in Toronto nog sprake van racisme en discriminatie. “Toronto prides itself on its diversity. It’s even the city’s motto, Diversity Our Strength. But Torontonians know that’s just public relations spin, a goal we’ve never really tried to actually achieve.” Lees het onderzoek van David Hulchanski, hoogleraar Housing ande Community Development aan de University of Toronto.

In haar gastcollege zoomde Tasan-Kok in op twee wijken: Regent Park en Jane-Finch. De eerste bleek een achterstandsbuurt in het peperdure centrum, de tweede het afvoerputje van de stad in de noordwestelijke suburbs. Ze vertelde dat Regent Park vele malen onderhanden is genomen, maar dat elke poging tot stadsvernieuwing was gestrand. Uiteindelijk hebben marktpartijen met nieuwe planningsinstrumenten de wijk aan de praat gekregen. De dichtheid is flink opgevoerd, er zijn nieuwe groepen komen wonen zonder dat de zittende bewoners werden verjaagd en de openbare ruimte is opgeknapt. Sommigen spreken afkeurend van gentrificatie, maar Tasan-Kok vindt de ingrepen verdedigbaar. In het geval van Jane-Finch was alles veel lastiger. Geen marktpartij wilde in deze door drugs en geweld geplaagde hoogbouwwijk investeren. Hier hebben de planners het zelf gedaan, gebruik makend van het sterk ontwikkelde gemeenschapsgevoel. In de leegstaande winkels in de malls hebben ze voorzieningen gemaakt ten dienste van de verschillende bevolkingsgroepen. Fysieke en sociale programma’s werden op elkaar afgestemd. Al die verschillende leefstijlen, houdingen en activiteiten accepteren, aldus Tasan-Kok, is beslist niet makkelijk. Haar bewondering voor de planners van Toronto stak ze niet onder stoelen of banken. Terecht.

Tagged with:
 

Bouwen en wonen

On 3 maart 2018, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Building and Dwelling’ (2018) van Richard Sennett:

Afbeeldingsresultaat voor building dwelling richard sennett

De erudiete Brits-Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943) koos er op hoge leeftijd voor om alsnog praktiserend planoloog te worden. Zo adviseerde hij kleine gemeenschappen en één internationale organisatie. Deze ontboezeming doet hij in ‘Building and Dwelling’, zijn nieuwste boek, dat een titel draagt die lijkt afgeleid van een van Martin Heideggers beroemde essays. Planoloog zijn was een bijzondere ervaring. “It took time to find ways to engage the gap between the built and the lived, the ville and the cité.” In ‘Building and Dwelling’ wijst hij op de scheiding tussen de gebouwde en de geleefde stad en hoe deze de discipline van de planologie door de tijd heeft gespleten: aan de ene kant de stedenbouwkundige vormgevers met hun gedurfde toekomstvisies en stedenbouwkundige projecten, aan de andere kant de planologen en sociologen met hun diepgaande kennis van het stadsleven en hoe mensen op de gebouwde omgeving reageren. Lewis Mumford stond dichter bij het eerste, Jane Jacobs dichter bij het tweede. Op een gegeven moment dreven beide uit elkaar. Deze scheiding tekent het vakgebied tot op heden. De scheiding markeert ook de inhoudsopgave van zijn boek.

Volgens Sennett kan de stad alleen goed functioneren als gebouwde omgeving en stadsleven elkaar weten te vinden. Dat vergt veel van de stedelingen. Maar het vraagt ook iets van de planners. Stedelingen moeten wennen aan al die drukte en al die vreemde mensen om hen heen. Omgekeerd moet de gebouwde stad zich aanpassen aan voortdurende verandering. Sennett noemt vijf open vormen die tot een betere, meer flexibele fysieke structuur kunnen leiden: openbare ruimte die een veelheid van activiteiten synchroniseert; poreuze grenzen tussen wijken en buurten; eenvoudige materialen en symbolen die, willekeurig over de stad verdeeld, onopvallende plekken karakter geven; het spelen met thema’s en variaties; een complex patroon laten ontstaan door scholen, parken, winkels en woningen als zaden te planten, het resultaat is iets als een collage. Sennett is geen voorstander van master planning. Maar kleinschaligheid hoeft wat hem betreft ook niet. “Master-planning of Mumford’s well-intentioned sort assumes people want to live a stable, balanced life. The simplification of the city follows from making this assumption, and the result is not good.” Een stabiel, evenwichtig leven is een leven dat energie verliest – “and so is a stable, balanced city.” Geen overzichtelijke tuinsteden dus. In de ogen van Sennett zijn steden lastige plekken waar mensen hun ervaring van collectief leven kunnen, nee moeten verdiepen. Steden bestaan bij de gratie van complexiteit.

Tagged with:
 

Donkere materie

On 4 januari 2018, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘No Is Not Enough’ (2017) van Naomi Klein:

Afbeeldingsresultaat voor no is not enough naomi klein

Tijdens de kerstdagen ‘No is not enough’ van Naomi Klein gelezen. Huiveringwekkend boek. In haar nieuwste analyse van de situatie in de wereld komt alles samen: klimaatverandering, natuurrampen, neoliberalisme, klimaatkapitalisme, oorlogen, schokkende gebeurtenissen, hysterie, verwarring, ontreddering, lege merken, mediatisering, en het voert allemaal naar de ene persoon van Trump. De Canadese klimaatactiviste Klein weet het zeker: de boosaardige Donald Trump is een regelrechte “shock to the system.” Haar feilloze analyse van de persoon van Trump als ‘Brand Bully’ en ‘rampenkapitalist’ vond ik treffend, maar ook deprimerend. Klein, die net als Richard Florida woonachtig is in het progressieve en tolerante Toronto, heeft het allemaal al eens meegemaakt. Haar burgemeester Rob Ford was een regelrechte bully afkomstig uit de buitenwijken van Toronto. Zijn jaren van reactionair bewind waren verschrikkelijk voor de stad. Zowel ‘The New Urban Crisis’ van Florida als ‘No Is Not Enough’ van Klein zijn niet te begrijpen zonder kennis van het burgemeesterschap van Rob Ford in het Canadese Toronto. En wat Ford deed met Toronto, dat doet Trump nu met de Verenigde Staten. Een politieke megacrisis is het. Zeker. Maar ook boos makend en deprimerend.

Lisa Randall, hoogleraar Theoretische natuurkunde aan Harvard University, typeerde Trump onlangs in een interview met NRC Handelsblad (11 november 2017) als een echte ‘Queens bully’. Randall, zelf afkomstig uit Queens, noemde dit precies de reden waarom ze altijd al weg wilde uit dit deel van New York. Je richten op dit soort asociale mensen uit de suburbs helpt je geen steek verder, voegde ze daaraan toe. Mooi en hoopvol vond ik wat ze vervolgens vertelde over hoe we de maatschappij óók kunnen percipiëren. “Zoals we letterlijk een blinde vlek hebben voor donkere materie die het heelal vormgaf, zo hebben we figuurlijk vaak een blinde vlek voor grote groepen andere mensen. We merken ze niet op, kijken door ze heen, om hun geslacht, ras of omdat ze niet behoren tot het zichtbare groepje aan de top. Terwijl ook deze onzichtbare massa’s de maatschappij vormgeven en stutten, en veel gevarieerder en rijker zijn dan vaak wordt aangenomen.” De collectieve intelligentie van al deze gewone mensen aanboren, daarmee creëren we pas een betere wereld. Dat is ook precies waar Klein haar boek mee besluit: haar Leap Manifesto voor een betere wereld stelde ze samen met hulp van liefst zestig heel verschillende mensen. “We had come together to figure out what connects the crises facing us, and to try to chart a holistic vision for the future that would overcome many of the overlapping challenges at the same time.” Deed me denken aan ‘Volksvlijt’. Laten we onze aandacht liever richten op de donkere materie, op die grote massa anonieme mensen die veel rijker en diverser is dan wetenschappers en politici doorgaans aannemen, dan op die ene Donald Trump.

Tagged with:
 

Uit de as herrezen

On 9 oktober 2017, in geschiedenis, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Träume in Trümmern’ (1993) van Werner Durth, Niels Gutschow:

Afbeeldingsresultaat voor träume in trümmern werner durth

In een hotel in Hannover vertelde Noud de Vreeze over zijn binnenkort te verschijnen boek dat handelt over de Duitse steden kort voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het was daags na de Duitse verkiezingen waarover in de kranten nog eens was gereleveerd dat de geallieerde bezetters na de oorlog aan verliezer Duitsland een federatief, dus gedecentraliseerd, politiek stelsel hadden opgelegd, dit om te voorkomen dat enige totalitaire gedachte bij onze oosterburen ooit weer een kans zou krijgen. De Vreeze trok de maatregel door naar de door de geallieerden in het naoorlogse Duitsland geïntroduceerde grondpolitiek. Grondbezit werd door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië heilig verklaard, onteigenen buitengewoon lastig. Zo kon geen overheid de macht nog aan zich trekken om nieuwe grote ondernemingen te beginnen. Dit verklaart waarom de gebombardeerde en afgebrande Duitse steden na de oorlog kavel na kavel, blok na blok, weer werden opgebouwd. Ideeën zoals in Rotterdam om op basis van een Duitse onteigeningswet de hele binnenstad maar af te breken en een radicaal nieuw ontwerp te introduceren maakten in de Duitse steden geen schijn van kans. De stedenbouwer van Hannover, Hillebrecht, kon niet anders doen dan met de individuele grondeigenaren oeverloos praten. Machteloos moest hij toezien hoe burgers hun eigen plan trokken. Het naoorlogse Hannover werd daardoor een prettige, kleinschalige metropool.

Grootschalige plannen ontbraken bij onze oosterburen in de naoorlogse jaren, zo lees ik ook in ´Träume in Trümmern’ (1993) van Werner Durth en Niels Gutschow, de korrelgrootte van de stedelijke ontwikkelingen bleef klein, waardoor een krachtige ontwikkeling van onderop werd gestimuleerd. De Vreeze noemde de grote hoeveelheid prijsvragen, burgerinitiatieven en tentoonstellingen die in de periode van de wederopbouw in de Duitse steden werden georganiseerd; burgers domineerden de toekomstgesprekken. Men kan gerust stellen dat juist de door de Amerikanen afgedwongen grondpolitiek de Duitse steden snel en succesvol heeft doen herrijzen. En dat terwijl het de wens van de Amerikanen was om met de door haar genomen maatregelen van het industriële Duitsland weer een agrarische natie te maken – het plan Morgenthau –, waarbij dorpsachtige ontwikkelingen werden bevoordeeld en Duitsers hun afgebrande grote steden de rug zouden toekeren. Het gebeurde niet. “Schon früh kann in der amerikanischen Zone der Wiederaufbau in fast unreglementierter Eigeninitiative der Bewohner, der Haus und Grundeigentumer nach dem liberalistischen Motto Laissez faire, laissez allez begonnen werden, wodurch rasch tatsachen geschaffen werden.” De Duitse planning-van-onderop heeft tot het naoorlogse  economische wonder geleid, alles dankzij de steden en hun gefragmenteerde grondpolitiek.

Tagged with:
 

Ant City

On 4 oktober 2017, in kunst, by Zef Hemel

Gelezen in Public Private van najaar 2015:

Afbeeldingsresultaat voor mierenstad rotterdam

 

Vorige week een lezing gehouden op de Design Academy Eindhoven. Daar kreeg ik bij toeval een nummer in handen van Public Private, een publicatie van een van de acht ontwerpafdelingen. Het nummer uit najaar 2015 ging over ‘Urban Rituals’. Bij een van de bijdragen bleef mijn oog steken. Kennelijk is het me ontgaan, maar in juli 2015 was in Rotterdam gedurende enige maanden de ‘Mierenstad’ te zien geweest. Mierenstad was een werk van Lucas Zoutendijk en Eveline Visser, twee jonge ontwerpers van de Design Academy uit Eindhoven. Hun stad betrof een grote kaart van Rotterdam, opgebouwd uit piepschuimplaten waaruit de straten met een computer waren gestanst en vervolgens met zand en leem waren opgevuld, alles ingeklemd tussen twee glasplaten. In de kaart liepen 1300 Spaanse mieren vrij rond. Ze voedden zich met luchtgaten en capsules met suikerwater in de randen. Omdat er geen koningin was, is de kolonie op een gegeven moment uitgestorven. Maar uit de berichten begrijp ik dat in de tijd dat de mieren te zien waren geweest, ze enorm veel bekijks hebben getrokken. Langzaam aten ze delen van de kaart op of verlegden ze routes. Hoe de eindsituatie er moet hebben uitgezien kan ik slechts gissen.

In een uitzending van Vroege Vogels vertelde Zoutendijk – dat was nog tijdens de expositie – dat hij vooral tevreden was geweest met hoe de installatie had gefunctioneerd als communicatiemiddel, minder wat de mieren nou precies hadden aangericht. De kaart was geplaatst geweest in het Office for Metropolitan Information in het Rotterdamse stadscentrum. Daar had hij onmiddellijk de aandacht getrokken van bezoekers; veel bezoekers waren daarop spontaan gesprekken begonnen over de stad, haar toekomst, haar ambities en haar plannen. Doordat de mieren chaos creëerden in de stadsplattegrond en als het ware spot dreven met bestuurders en planologen, moeten de mensen het gevoel hebben gehad dat ze eindelijk vrijuit over hun stad konden spreken en dromen. Humor en informaliteit hielpen de geesten los te maken. Ik had die gesprekken met mijn studenten graag willen opnemen om ze vervolgens grondig te analyseren. Het had mij niet verbaasd als daaruit heel veel verstandige dingen waren gekomen. Iets als collectieve intelligentie. Opnieuw was aangetoond geweest dat kunst heel goed kan bemiddelen in processen van stedelijke planning.

Tagged with:
 

Bonuscultuur

On 18 juli 2017, in stedenbouw, by Zef Hemel

Gelezen in De Architect van 2 mei 2016:

 

In NRC Handelsblad las ik dat de bonuscultuur in het bedrijfsleven terug is. Alsof er geen financiële crisis is geweest. Het deed me denken aan de gebiedsontwikkeling van de Bijlmerbajes. Afgelopen week heb ik daar het Atelier Gebiedsontwikkeling afgesloten. Bijna veertig studenten planologie van de UvA werkten vier weken lang in de voormalige Bijlmerbajes aan acht ruimtelijke vraagstukken die spelen in Amsterdam-Oost. Een ervan had betrekking op de toekomst van Lolalik, de tijdelijke broedplaats in de gevangenis die op 1 juni 2016 kwam leeg te staan en die daarna door het Rijksvastgoedbedrijf te koop is gezet. De studenten hadden alle plannen bestudeerd, niet alleen voor het gevangenisterrein, maar ook voor de omgeving. Amstelkwartier wordt een omvangrijk nieuw stadsdeel met woningen in het duurdere segment van de koopmarkt, waar de bajeskavel deel van gaat uitmaken. Vijf consortia zijn in de race voor de ontwikkeling van het gevangenisterrein. Tot 1 juni kregen zij de tijd om hun plannen bij het Rijk in te dienen. Die wil 60 miljoen euro cashen voor de 7,5 hectare. Maximaal 135.000 m2 vloeroppervlak kan worden ontwikkeld. De gemeente eist 1.000 m2 broedplaats terug en een openbare ruimte die aansluit bij de rest van de stad. Het moet een duurzame stadswijk worden. Op 1 september 2017 wordt de winnaar bekendgemaakt.

Voor de studenten was de casus niet gemakkelijk. Alles lijkt hier vooraf dichtgetimmerd. Door de gekozen werkwijze kunnen partijen in het gebied alleen maar afwachten tot de winnaar bekend wordt gemaakt. Terwijl architecten in het grootste geheim masterplannen maken, is er voor burgers geen mogelijkheid om tussentijds te interveniëren. Bovendien wordt realisatie door de besloten prijsvraag en de eisen vooraf extreem duur gemaakt. Ze vroegen zich af waarom zo’n omvangrijke, kostbare en ambitieuze gebiedsontwikkeling uiteindelijk wordt gekoppeld aan slechts één commerciële partij. Zo ontwikkel je toch geen levendig stuk stad? Levendigheid krijg je door de dichtheid op te voeren en vooral door veel verschillende partijen met elk zijn of haar eigen ideeën toe te laten tot de plannenmakerij. Straks met één partij onderhandelen is bovendien vragen om moeilijkheden. Kennelijk hebben gemeente en Rijk van de crisis niets geleerd. Als alternatief ontwikkelden de studenten BajesFest: een reeks van open workshops rond de toekomst van het hele gebied tussen Amstel en Gooiseweg waar alle geïnteresseerde partijen, waaronder Lolalik, hun stem kunnen laten horen. En de gevangenis zelf, die had natuurlijk door de gemeente gekocht en vervolgens in zes of acht stukken uitgegeven moeten worden.

Tagged with:
 

Geen planning

On 1 februari 2017, in duurzaamheid, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Tokyo’s Urban Growth, Urban Form and Sustainability’ (2010) van Junichiro Okata en Akito Murayama:

 

Tot 1950 bestonden de uitbreidingen van Tokio, Japan, overwegend uit eengezinswoningen gebouwd in een zeer lage dichtheid, hoofdzakelijk bedoeld voor migranten van het platteland – aankomende middenklasse gezinnen. De woningen hadden vaak geen toilet, bezaten alleen een pomp voor grondwaterwinning. Deze eenvoudige behuizing strekte zich eindeloos uit langs diverse spoorlijnen die zich vanaf 1920 vanuit het stadscentrum ontwikkelden. Het heersende planningsysteem was op dat moment Duits, maar de wil om te handhaven was zwak. De razendsnelle suburbanisatie werd nog aangewakkerd door de grote aardbeving van 1923. Wat ik niet wist, is dat er in de twintigste eeuw ook in Japan plannen waren gesmeed om de groei van de hoofdstad met een groengordel te beteugelen. Het Tokyo Regional Greenbelt Plan dateert van eind jaren ‘30 en werd door aankoop van grond door de gemeente geëffectueerd. Na de Tweede Wereldoorlog verpachtte deze de grond bovendien aan boeren voor rijstteelt. Het plan werd in 1958 naar het voorbeeld van Londen nog aangevuld met voorstellen voor de bouw van nieuwe steden, maar die betroffen visies zonder middelen. Er kwam dus niets van terecht. Tokio groeide gewoon door.

In ‘’Tokyo’s Urban Growth, Urban Form and Sustainability’ speculeren Junichiro Okata en Akito Murayama over wat er zou zijn gebeurd als de Japanse planningsmachine in de twintigste eeuw professioneler was geweest. Hun opzienbarende idee is dat de huidige problemen in Tokio dan veel groter zouden zijn en ook dat Tokio dan niet zou zijn uitgegroeid tot de grootste megastad ter wereld. Waarom? Omdat de vele migranten die in de twintigste eeuw naar Tokio kwamen in dat geval zeker in illegale en informele nederzettingen zouden zijn beland, met minder dan minimale voorzieningen. Juist door de zwakke ruimtelijke planning kon Tokio organisch blijven groeien zonder dat de overheid limieten stelde en voorzagen de spoorwegmaatschappijen niet alleen in een goede ontsluiting en infrastructuur, maar ook in de benodigde basisvoorzieningen rond hun nieuwe stations. Al vanaf 1927 begint men met de aanleg van metro in de stad. Hierdoor is het autogebruik in Tokio slechts 9 procent (1998). Liefst 73 procent van de forensen maakt gebruik van het openbaar vervoer. Dankzij het ontbreken van goede ruimtelijke planning.

Tagged with:
 

Eén grote improvisatie

On 3 augustus 2016, in kunst, regionale planning, by Zef Hemel

Gehoord op 3 juli 2016 in de OBA te Amsterdam:

 _MGL6176

foto: Lex Banning

De feestelijke afsluiting van twaalf weken Volksvlijt die op zondagmiddag 3 juli plaatsvond in de OBA aan het Amsterdamse Oosterdok was werkelijk heel bijzonder. Ruim honderd betrokkenen, waaronder een baby, hadden zich in het theater op de zevende verdieping verzameld zonder vooraf precies te weten wat er die middag zou gebeuren. Die merkwaardige omstandigheid typeerde eigenlijk het hele proces van aanloop en voorbereiding van de tentoonstelling, van opbouw, opening, aankleding en uiteindelijke programmering, een open planproces dat anderhalf jaar in beslag nam en dat officieel begon met een presentatie van het vage idee in Pakhuis de Zwijger in december 2014: er zou een tijdelijk Paleis voor Volksvlijt komen met een tentoonstelling over de toekomstige economie van de metropool Amsterdam. Aanleiding waren de IABR 2016 (The Next Economy) en EU2016 (Urban Agenda). Geld, organisatie en een gebouw waren er echter niet. Hoe de tentoonstelling eruit zou zien, was ook onbepaald; alleen dat er twaalf ‘campussen’ zouden komen, meer niet. Zelfs waar het paleis zou komen en wie er aan zouden meewerken was onduidelijk geweest. Het enige dat vaststond was de openingsdatum van 12 april 2016 en het slotevent op 3 juli 2016. Het was een open uitnodiging om mee te doen en de inhoud mee te helpen bepalen. Zo begon een gezamenlijke improvisatie met steeds meer spelers, die allemaal zonder opdrachtgever en zonder geld of belang uiteindelijk het paleis samen gingen bouwen. Eén grote assemblage.

Wat we die gedenkwaardige zondagmiddag op 3 juli deden was terugblikken. Hoe was het voor ieder van ons geweest om in zo’n onzekere situatie aan zoiets ambitieus te werken? Van een enkeling groeiden we naar een groep, die weer uitgroeide tot een hele gemeenschap. Wat dreef ons? Waarom hielden we het vol? Vrijwel iedereen gaf toe de onzekerheid wel eens moeilijk gevonden te hebben. Je moest elkaar kunnen vertrouwen, de wederzijdse afhankelijkheid was groot, wie gaf hier de leiding, wat werd het eindresultaat? Wie meedeed werkte belangeloos, voor een hoger, gezamenlijk doel. Steeds was er inspiratie die ons voortdreef. En het hele idee was ook heel gaaf. Groot was de beloning toen de tentoonstelling eindelijk opende. En nee, niemand had zo’n resultaat ooit verwacht. Ook de programmering daarna was spontaan, van onderop, verlopen, alles was helemaal open geweest. Ruim 400.000 mensen bezochten de tentoonstelling. De tentoonstelling zelf is met twee maanden verlengd en kan nog tot 1 september 2016 worden bewonderd. Wie Volksvlijt kan bouwen, kan elke onzekerheid aan, die kan heel goed samenwerken, die kan zelfverzekerd een onbekende toekomst binnenstappen, die kan, net als Kees de jongen, werkelijk heel goed dromen. Wat een schitterend experiment! Iemand die hierop wil promoveren? Foto: lex Banning

Tagged with:
 

Tristate City Vintage

On 5 juli 2016, in Geen categorie, by Zef Hemel

Read on Tristatecity.com:

Imagine: ‘The Battle of the Cities’. The Dutch employers organisation VNO-NCW and the real estate developer CBRE think there is a battle going on in this world. They wanna be winners. Mr. Peter Savelberg, a Dutch consultant, proposes a city of 30 million inhabitants. VNO NCW and CBRE decided to sponsor him. His TristateCity covers the whole of the Netherlands, the Rhine-Ruhr Area and Belgium. He even made a map of his transnational conurbation, its size even bigger than Jean Gottmann’s Megalopolis of 1962. Mr. Savelberg, who is a professional in real estate and marketing, thinks it’s gonna be the most powerful urban power center of the world. Yes, we’re going to beat the Chinese! We need transport corridors that are connecting all three rings of rather small-size cities. The so-called Randstad is just the inner ring. A second ring connects Middelburg, Goes, Tilburg, Breda, Eindhoven, Zwolle, Leeuwarden; a third ring binds Ostende, Ghent, Brussels, Maastricht, Aachen, Cologne, Duisburg, Enschede, Groningen together – this last ring is even wider than the outer ring of Greater-Beijing or the MKAD of Greater-Moscow. The outer ring is shrinking, the future of the middle ring is fishy, even parts of the Randstad are suffering a Rust Belt condition. Mr. Savelberg’s scheme reminded me of a diagram and an old idea: in 1898 the British inventor Ebenezer Howard thought a diagram like this would make sense. He was wrong. The Soviets tried. It only generated congestion.

The problem with Mr. Savelberg’s TristateCity is its scale too, of course. It’s simply too grand, too megalomanic, too much out of control, lacking any decent governance. The whole idea is also not liveable and sustainable, and worse, what it lacks are agglomeration economies. You remember the corridors-discussion of the nineties? See the result. The future Mr. Savelberg and his powerful sponsors seem to propose looks almost like Soviet or Fascist style planning of the twentieth century. On the website of Tristate City, the organisations that support Mr. Savelberg refer to the Pearl River Delta, a conurbation of 60 million inhabitants. So that is their adversary. Are they aware of the fact that Chinese planning schemes on this huge scale have a communist background? I doubt it. And do they see the difference between Pearl River delta and the Tristate City?: one is full of peasant-immigrants and growing very fast, while the other is ageing and shrinking. Mr. Hans de Boer, president of the Dutch employers organisation, thinks it is just a great way to present the Netherlands to the world. Is it? I think it is ingenious. As a planner I even feel embarrassed. No, we should be very worried. 

Mr. Savelberg commented:

“Jammer dat u niet even contact heeft opgenomen/zich echt ordentelijk heeft verdiept in ons MARKETING-model; het gaat hier natuurlijk geenszins om een ruimtelijk ontwikkel model; laat staan om een ruimtelijke ambitie.

Op dit moment wonen er al lang 30 miljoen mensen in dit gebied en dat zal ook niet hard groeien. Ook nemen wij de Pearl River Delta absoluut NIET als voorbeeld voor onze Lage Landen. In tegendeel, wij stipuleren juist dat ons organisch gegroeide model van netwerk van kleine steden op vele fronten als voorbeeld kan dienen voor alles wat er nu mis gaat bij de onbeheerste urbanisatie in o.a. China.

Wel geven wij een antwoord op de huidige inefficiente en gefragmenteerde citymarketing van vele kleine steden en hun bestuurders. Dat wordt overigens door velen op prijs gesteld (ook in de academische wereld).”

Tagged with: