A child of the Valley

On 10 oktober 2011, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Odyssey. Pepsi to Apple’ (1987) van John Sculley:

Vorige week overleed Steve Jobs, de man achter Apple. Voor mij aanleiding om het verhaal van John Sculley nog eens te lezen, de man die Steve Jobs midden jaren tachtig de laan uitstuurde. Sculley was afkomstig van Pepsi Cola, nota bene Steve Jobs zelf had hem naar Apple gehaald om de marketing te komen regelen. In ‘Odyssey’ beschrijft hij niet alleen zijn succesvolle marketingstrategie, maar ook de persoon van Jobs, de bedrijfscultuur van Apple, en de kracht van ideeën en creativiteit. “Above all, it’s the story of how a person who had the opportunity to experience both worlds – old and new, East Coast to West Coast, linear and multi-dimensional – has so dramatically changed in the process.” Sculley verhuisde begin jaren ‘80 van New York aan de oostkust naar San Francisco aan de westkust. Jobs was geboren in Silicon Valley, Sculley in New York. Sculley, gewend aan de Pepsicultuur in New York (“every two months the marketing gurus of Pepsi – the company’s heart and soul – would gather here, on 4/3, the executive floor of PepsiCo’s corporate headquarters in the New York City suburb of Purchase, for a private ritual in the public war of the colas between Pepsi and Coke”), had grote moeite te wennen aan de losse cultuur van Apple. Dat begon al met het stedelijke landschap dat zo anders was. Vanaf San Francisco was het een rit van 35 mijl naar het zuiden via route 280 naar Cupertino. Wat hij zag leek in de verste verte niet op het landschap van New York.

The city, I discovered, was one of a handful of the sprawling suburbs of Santa Clara County that had become known as Silicon Valley. (…) Viewed from above, the area looks not unlike a massive integrated circuit, with row upon row of prefabricated buildings occupied by little start-up companies. I had expected the buildings to look hi-tech. Instead, they were monotonous, flat, rectangular structures with tilt-up walls. It somehow seemed unappropriate for what had emerged as the technological centre of the world.” Het hoofdkantoor bleek een bescheiden, twee verdiepingen tellend bruin gebouw ingeklemd tussen een skiwinkel en een supermarkt. Via een brandtrap moest Sculley naar de tweede verdieping klimmen. De ruimte die hij daar binnentrad was een labyrint van open cellen, met in elke cel een personal computer. De kamer van Jobs had geen computer, maar was wel het centrum van activiteit. Voortdurend rinkelden er telefoons en iedereen – allemaal twintigers in casual kleding – probeerde op zijn kamer te komen. De kamer zelf oogde rommelig. “It was cluttered and disorganized, with posters and pictures taped on to the walls.” Ernaast bevond zich een kleine vergaderkamer van niet meer dan 9 bij 9 foot. Dat was Jobs’ ultieme vergaderplek. Sculley werd door de baas van Apple meegenomen naar Anthony’s Pier One restaurant, enkele blokken van de campus verwijderd. “At the end of the luncheon, we walked back, I got back in my car and headed for the airport that afternoon.” Sculley was verkocht. Zoiets had hij nog nooit gezien.

Tagged with:
 

Schokkend

On 23 maart 2011, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in A Crack in the Edge of the World (2005) van Simon Winchester:

Afgelopen zondag mensen uit Japan ontmoet. Ze vertelden me dat hun vrienden en familie op dit moment nog steeds naschokken voelen. Elke dag zijn er waarschuwingen op de Japanse televisie. Volgende week reizen ze weer naar huis terug. Huiveringwekkend idee. Het bracht me op de gedachte Winchester’s boek over de aardbeving in de vroege ochtend van 18 april 1906 nog eens na te lezen. Die aardbeving duurde amper een minuut, daarna volgde een brand die drie dagen duurde, deze verwoestte destijds heel San Francisco: 28.188 gebouwen werden verwoest. Winchester stelt zich voor dat hij vanaf de maan zag hoe de aardbeving zich destijds voltrok: “The answer is inevitably dismaying to all of those who like to think that the earth and its inhabitants and the events that occur upon it have any importance at all, in a cosmic sense. For from that distance he would have seen, essentially, nothing.” Hij zou de kortstondige trilling eerder hebben waargenomen als een probleem van de lens van zijn telescoop dan als een grote ramp. “No more, for the earth entire, than a gentle and momentary heave of the shoulders.”

Het citaat doet me denken aan Spinoza. In de Ethica volgt op stelling 36 (Er bestaat niets uit de natuur waarvan niet een gevolg voortvloeit) de conclusie “dat alle mensen onwetend omtrent de oorzaken van de dingen worden geboren en dat iedereen de neiging heeft zijn voordeel te zoeken, en zich daarvan bewust te zijn.” De natuur, zegt Spinoza, kan de mens gemakken bieden, maar ook grote ongemakken, zoals aardbevingen. Ze hebben, voegt hij eraan toe, geen enkel vooropgezet doel. Inderdaad, Winchester beschijft indringend hoe naar aanleiding van de ramp die San Francisco die vroege ochtend van de 18e april trof – ruim 200 jaar na Spinoza -, de studie van de schuivende tectonische platen binnen de geologie grote vooruitgang boekte. Omtrent de oorzaak werd toen veel  bekend. En omtrent de gevolgen? Als gevolg van de aardbeving in 1906 kwamen in San Francisco 3000 mensen om het leven; 90.000 mensen ontvluchtten de stad, op een totaal van 400.000. Het veiliger geachte Los Angeles aan diezelfde westkust kon mede hierdoor een snelle opmars beginnen. Winchester: “Large cities survive great natural disasters, true; but earthquakes, of all such trials, tend to have a very different kind of effect upon the future of cities that survive them.”

Tagged with:
 

Geboortegrond van Facebook

On 26 februari 2011, in economie, technologie, by Zef Hemel

Gezien in Kriterion op 25 februari 2011:

De bioscoopzaal zat gisteravond afgeladen vol. We keken naar ‘The Social Network’ van David Fincher. Over Mark Zuckerberg (Jesse Eisenberg), oprichter van Facebook. Wie wil weten hoe moderne innovaties in hun werk gaan moet beslist de film gaan zien. Het gaat dus niet zozeer over de persoon, maar over succesvolle innovatie. En uiteindelijk draait de film om steden! Het eerste deel speelt zich af in Boston. Echte universiteitsstad, beetje oubollig, belegen. Harvard, Boston University. Studentenleven. Feesten. Vriendschappen. Facebook begint daar, maar de maker zoekt al snel ingangen in de universiteiten van het nabije New York. Dan bedenkt zakenpartner Eduardo dat ook Stanford moet worden veroverd. Stanford? Dat is wel ver weg. Het begint de jongens te dagen: voor het echte succesvol ondernemen moet je niet aan de Oostkust zijn. Daarvoor moet je toch naar de Westkust. Zuckerberg is niet geïnteresseerd in geld, maar wel in succes. Het tweede deel van de film speelt zich af in San Francisco. Mooie shot!

Hoe maakt de jonge Zuckerberg de overstap van het belegen Boston naar de dynamische Westkust? Door in een bar de even jonge maar gepokte en gemazelde oprichter van Napster te ontmoeten, die de potentie van zijn software onmiddellijk ziet. Kennersoog uit Stanford. Die haalt hem over om zijn geluk in Silicon Valley te beproeven. Terwijl zijn jonge partner Eduardo nog tevergeefs probeert zaken te doen in New York, begint Zuckerberg al met werken vanuit een zonovergoten villa met zwembad in San Francisco die tijdelijk wordt gehuurd. Overal laptops, mobiele telefoons. Dan de echte nachtclubs. Wow! Vervolgens de venture capitalists die bereid blijken veel geld te investeren in Facebook. We maken kennis met de wereld van het echte zakendoen. Met kennersogen. Een flinke werkruimte wordt gehuurd in een oud pakhuis. Veel jonge, hardwerkende mensen bij elkaar. Kleding is belangrijk: pakken uit Boston zijn fout, losse vrijetijdskleding is hip. Muziek is belangrijk. Ten slotte de advocaten. Hele dure advocaten. Dat is Silicon Valley, dat is San Francisco. Van daaruit verovert Facebook dus de wereld. In de zestiende eeuw ging het niet anders. Het gaat om steden, stupid!

Tagged with:
 

Hub Cities

On 15 juni 2010, in internationaal, regionale planning, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘’The Great Reset’’ (2010) van Richard Florida:

Niet dat het suburbane leven een illusie is die zal opdrogen. Dat gelooft de Amerikaans-Canadese econoom Richard Florida zeker niet. Weinigen zullen hun comfortabele twee-onder-een-kapper met SUV in de garage opgeven en terugkeren naar de stad. “It’s a mistake to consider suburbanization a backward step and impugn it wholesale, with the catchall slur of ‘sprawl’, and to see only more compact, urban-style back-to-the-city development as a path of the future.” Wel beginnen de voormalige voorsteden te verdichten en, naast overwegend wonen, nieuwe functies aan te trekken. Bewoners van deze dun bevolkte gebieden beginnen ook stedelijk gedrag te vertonen: ze gaan uit eten, pakken een bioscoop, bezoeken trendy plekken, rijden minder auto. Ze worden min of meer onderdeel van de kernstad. De bewoning van de suburbs gaat ook niet meer ten koste van de kernsteden, maar vormt een aanvulling op het grootstedelijke leven voor nieuwe groepen die zich aangetrokken voelen tot de grote stad. Zo ontstaat een nieuw patroon van urbanisatie, van reusachtige stedelijke megaregio’s die vaak landsgrenzen overschrijden. Deze megaregio’s zuigen het omringende land met zijn plattelandskernen leeg; ergens midden in deze megaregio’s vormen zich nieuwe, krachtige centra: dit zijn de ‘’hub cities’’. Deze steden groeien gemiddeld sneller dan de andere steden, de huizenprijzen zijn er gemiddeld hoger, hoger zelfs dan in de rijke voorsteden. Dus terwijl in het zuiden van de Verenigde Staten in veel steden leegstand ontstaat en mensen beginnen weg te trekken, groeien in het westen en noordoosten de productieve megaregio’s, met steden als New York, Boston, San Francisco en Washington DC als de krachtige hub cities.

Florida ziet hetzelfde patroon in Europa. Vooral in het noordwesten van Europa vormen zich krachtige megaregio’s, met Londen, Parijs, Amsterdam, Frankfurt en Zürich als nieuwe hub cities. Het zijn deze steden die een enorme aantrekkingskracht uitoefenen op jonge getalenteerde mensen. Iedereen probeert min of meer in de nabijheid van deze steden te wonen. Hij verwacht dat dit ruimtelijke patroon zich in de crisis alleen maar sterker zal profileren. “Because of their size, diversity, and regional role, these megaregion hubs have been better buffered from the recent economic crash than other regions, especially manufacturing-dependent areas and places where prosperity was tied to a single transient phenomenon, such as the housing-driven boom of the Sun Belt.” Opvallend is dat hub cities open zijn en goed verbonden met de rest van de wereld, in staat veelsoortige bedrijven aan zich te binden die eerder gevestigd waren in de kleinere steden in hun omgeving. Iedereen wil er ineens wonen. Fascinerend.

Geletterde steden

On 31 mei 2010, in economie, by Zef Hemel

Gelezen op The Atlantic.com van 28 mei 2010:

We hebben het over krachtige steden. Dirk van der Woude wees me erop naar aanleiding van mijn item over het imago van steden (item: Genieten). In The Atlantic verscheen dezer dagen een artikel over het meten van menselijk kapitaal in steden, ook wel gekscherend Jane Jacobs-externaliteiten genaamd. Doorgaans gebeurt dat meten door het tellen van het aandeel academici in een stad. Die maat is op zichzelf al veelzeggend. De maat die The Atlantic aanhaalt is die van Rob Pitingolo. Die meet niet het aantal academici op de totale populatie van een stad, maar de dichtheid van academici per vierkante kilometer. Dit doet hij per stad en per stedelijke regio. Zo’n maat zegt veel meer: hoe dichter opeengepakt de academici zitten, hoe groter de interactie van geletterde stedelingen in een bepaalde stad.Voor de 50 grootste steden van de Verenigde Staten komt Pitingolo tot een ranglijst waar San Francisco en New York helemaal bovenaan prijken. Daarna volgen Boston, Washington, Seattle en Chicago. High Tech-steden als Austin en Raleigh doen het helemaal niet zo goed, die staan ergens in het midden. Onderaan bungelen New Orleans, Nashville, Birmingham, Jacksonville and Oklahoma City. In die laatste steden is de dichtheid academici in de buurgemeenten hoger dan in de kernstad. Pitingolo noemt dat zorgwekkend. Hij duidt het verschijnsel aan als ‘’human capital sprawl’’. Intellectuele reflectie werkt alleen als academici dicht opeengepakt in de kernstad wonen. “Metro areas need strong central cities and strong central cities need a lot of smart people.”

Wie zou niet zo’n statistiek wel eens toegepast willen zien op Nederland? Welke stad denkt u dat bovenaan de lijst zal prijken? Universiteitssteden als Leiden, Utrecht, Groningen en Delft zullen zeker hoog eindigen, maar daar woont een groot deel van de academici in de dure buurgemeenten. Amsterdam – daaraan hoeft toch nauwelijks te worden getwijfeld – zal glansrijk winnen. Niet dat ik chauvinistisch wil zijn. Helemaal niet. Het is alleen de erkenning dat we in Amsterdam iets unieks aantreffen waar we in Nederland heel zuinig op moeten zijn. Anders is het straks ook nog weg. Dan is er helemaal niets meer in Nederland aanwezig wat de moeite waard is.

Tagged with:
 

Informele stad

On 17 februari 2008, in duurzaamheid, economie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 5 februari 2008:

"Het concrete van innovatie zit hem in de kleine dingen (…)", schrijft hoogleraar Louise Fresco na een recent verblijf op Stanford en Berkeley, Californië USA, in haar eerste column sinds lange tijd in NRC Handelsblad. Natuurlijk gaat het allemaal om de sfeer, om de drive van mensen om iets te willen, om nieuwsgierig te zijn. Maar verder schuilt het geheim van Silicon Valley als het om innovatie gaat, aldus Fresco, in de kleine dingen. Zoals daar zijn: iedereen zit vlak naast elkaar zonder enige privacy, aan lange tafels met alleen een laag wandje tussen de beeldschermen. "Op de overloop komen tijdelijke werkplekken als paddestoelen op, als er voor een project ineens meer medewerkers nodig zijn." Vaak ontbreken deuren in kamers, als ze er zijn staan ze open. Heel veel gemeenschappelijke ruimtes, uitgebreide keukens, grote ijskasten, magnetrons, gratis koffie, overal zitjes, veel kantines, "opvallend goed en gezond voedsel." Er is in de vorm nauwelijks sprake van hiërarchie, "voortdurend zie je mensen die elkaar staande houden om iets te vertellen." In elke kamer witte of zwarte schoolborden. "Wie een goed idee heeft, breekt gewoon in het gesprek in." Kortom, een ongewoon grote informaliteit. En verder "optimisme, openheid voor kwaliteit en relativeringsvermogen, gepaard aan flexibiliteit en minimale hiërarchie."

Als je deze kleine dingen nu eens zou vertalen naar de stadsontwikkeling, dan krijg je zoiets als de informele stad. Dat is een buitengewoon humane, leefbare en innovatieve stad. Wie schreef daar ook alweer over, zo’n veertig, vijfenveertig jaar geleden? Was dat niet Jane Jacobs? En ook, wat stelt het Innovatieplatform van premier Balkenende daar ook alweer tegenover? Een kunstmatig eiland in zee?

Tagged with: