Springplank voor innovaties

On 13 april 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 3 maart 2012:

Zelf zat ik op judo, van 1965 tot 1969 om precies te zijn, bij sportschool Spermon in Emmen. Het winnen van olympische goud van Anton Geesink in Tokio in 1964 lag aan die keus mede ten grondslag. Een Nederlander die won in Japan, in een Japanse vechtsport! Veel jongetjes van mijn leeftijd kozen na dat kampioenschap voor judo als hun favoriete sport. Misschien daarom ook viel mijn oog op Het Parool van ruim een maand geleden, waarin Steven van der Gaag de geschiedenis optekende van sportschool Gé Koning in Amsterdam. Sinds 1952 huist deze sportschool onder het Zuiderbad, recht tegenover het Rijksmuseum. Eigenaar Gé Koning had zijn diploma jiujitsu – “de vechtkunst der Japaneeschen” – gehaald bij de Japanner K.T.Yo. “Koprollen op de stoep in zwarte gebreide korte broekjes, dat soort werk.” Al voor de oorlog was de jonge Koning begonnen in jiujitsu les te geven in Amsterdam. Na de oorlog ging hij met Pim Smit op de motor naar Parijs. “Ze hadden gehoord over de jiujitsuclub van Jean Beaujean, maar keerden terug met een nieuwe sport: judo.” In Bordeaux leerden ze de Japanner Michigami kennen die voor hen de techniek van de onbekende vechtkunst ontleedde. Elke drie maanden haalden ze hem op met de auto. Zo belandde judo als vechtsport in Amsterdam. Diezelfde Gé Koning zat tien jaar later als bondscoach langs de mat in Tokio, toen Anton Geesink daar zijn olympische gouden plak won.

Opnieuw een fraai voorbeeld van hoe innovaties zich succesvol via steden verspreiden. Wat niemand dus weet is dat het Nederlandse judo zijn oorsprong vond in Parijs en Bordeaux en dat ze letterlijk op de motor vervoerd werd naar Amsterdam. Geesink woonde destijds in Utrecht, maar na een telefoontje dat ze daar een jongen hadden “die ze niets meer konden leren”, maakte Koning met hem kennis en haalde hem naar de hoofdstad. Onder het Zuiderbad, recht tegenover het Rijksmuseum, werd het olympische succes van later voorbereid. Koning junior over Geesink: “Hij heeft hier lesgegeven en mijn moeder heeft nog kleren voor hem gemaakt.” Ziedaar het nut van grote steden. Ze fungeren als springplank voor innovaties, die later de rest van het land bereiken. Want wat destijds voor judo gold, geldt nog steeds voor talloze andere zaken. Zaken die we nog niet kennen. Omdat het innovaties zijn. Die wij in de provincie nog moeten leren.

Tagged with:
 

Sportieve rivalen

On 3 februari 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 2 februari 2012:

Amerikanen zijn gek van sport, dat is bekend. Sommige Amerikaanse steden zijn nog extremer als het aankomt op sport en sportbeoefening dan andere. Tijdens mijn korte verblijf in Boston, Massachusetts, viel het me al op. Alles lijkt in die stad aan de Oostkust te draaien om wedstrijden, clubs, stadions en toernooien. De lokale aanhang beweegt mee met het seizoen. In de winter is ijshockey favoriet en loopt iedereen uit voor de Boston Bruins; ‘s zomers is het eerder honkbal en basketbal, en staat heel Boston in het teken van de Patriots en de Boston Celtics. Ook de universiteiten hebben hun eigen studentenclubs en hun eigen stadions. Het stadion van Boston College is bijvoorbeeld groter dan de Ajax Arena in Amsterdam. Prijzenkasten beslaan er hele verdiepingen en iedereen eert de lokale helden. Sportheld ben je hier voor je hele leven. Hoe anders is dat bij ons.

In het nieuwste nummer van The Atlantic wijst de Amerikaanse econoom Richard Florida op het feit dat sport sterk gebonden is aan de grootste steden. De verschillen tussen steden zijn, als het aankomt op sport, echter veel extremer dan als het gaat om economie of cultuur. De ene stad presteert uitzonderlijk, terwijl de andere nauwelijks meetelt. Zo ontdekte Florida dat de zone Boston-New York-Washington veruit de kroon spant als het gaat om het winnen van kampioenschappen, de zone van Chicago-Detroit-Cleveland-Pittsburgh blijkt een goede tweede. Nummer drie en vier zijn al veel kleiner. Nee, de sportprestaties blijken tussen steden zeer ongelijk verdeeld. De Amerikaanse topsport wordt beheerst door de rivaliteit tussen het kleine Boston en de reus New York. Die rivaliteit verwijst ver terug in de Amerikaanse geschiedenis, toen de twee steden nog wedijverden om de macht binnen de jonge Republiek. In de afgelopen jaren was het Boston dat zijn grote buur aftroefde. Ja, dat is sport: een sportstad kun je niet maken door een stadion te bouwen en een club financieel te ondersteunen. Die sportieve status heeft hele sterke historische wortels, aardend in een geschiedenis van stedelijke macht en rivaliteit.

Tagged with:
 

Olympische schuld

On 23 juni 2011, in sport, by Zef Hemel

Gehoord in Rotterdam op 22 juni 2011:

Gisteren gesproken op het Nationaal Congres over Olympische Sportaccommodaties in Rotterdam. Aanwezig was de fine fleur van de Nederlandse gemeenten op het gebied van sportvoorzieningen, hun raadgevers en architecten. Titel van mijn lezing: ‘Olympische Polis: sport als stedenvormende kracht.’ Het ging over de rol die sport speelt in de moderne grootstad en hoe Amsterdam daarmee omgaat. Maar eerst vertelde ik over ons bezoek aan Londen. Die Londense ervaringen de afgelopen maanden interesseerden het publiek wel. Je wordt er ook enthousiast van. Mijn opmerking dat de aanvankelijk begrote kosten van de Spelen in Londen 2012, groot tweeënhalf miljard euro, waren overschreden met bijna zeven miljard, leidde echter tot grote opschudding. Dacht men dan werkelijk dat het organiseren van de Spelen zo weinig zou kosten? In Londen begrepen ze het wel. In de zaal circuleerde een bedrag van ruim vier miljard euro dat men kennelijk als redelijk beschouwde. Getuigt dat van goed koopmanschap?

Wat kostten die andere Olympische Zomerspelen? Een rijtje. Athene (2004) was net even een miljard duurder dan Londen: 10 miljard euro. Dat was dan wel het dubbele van wat er was begroot. Het tekort op de Griekse begroting steeg hierdoor tot boven de 4 procent, hetgeen de Europese Commissie ertoe bracht een reprimande aan de Griekse regering te geven (toen al!). Er resteert nog altijd een schuld van 7,2 miljard die de Grieken hun geldschieters moeten terugbetalen. De stand van zaken van de Helleense staatsbegroting is iedereen genoegzaam bekend. Atlanta bleef met een schuld zitten van 609 miljoen dollar en Sydney moet nog altijd bloeden voor 700 miljoen. (Die bedragen zijn vergelijkbaar met de extra kosten voor Amsterdam voor de Noord-Zuidlijn). Alleen Los Angeles (1984) kwam met winst uit de Olympische Spelen tevoorschijn. Maar dat hield verband met de uitzendrechten, die de stad grotendeels zelf opstreek. Die truc is sindsdien niet meer mogelijk, want het IOC eist die inkomstenbron tegenwoordig voor zich op. Overigens kostten de Olympische Spelen in Sydney in totaal 4 miljard euro. Dat rekensommetje klopt aardig met wat men in de zaal in Rotterdam aanvaardbaar achtte. Weerhoudt dat ons ervan om een stad in Nederland in 2019 te kandideren? Het is wachten op een uitspraak van de Nederlandse regering. Die heeft echter even geen tijd. Ze is bijeen om te bepalen of ze de Olympische schuld van Athene zal kwijtschelden.

Tagged with:
 

Commerciële kunst òf ruimhartig burgerdom

On 19 juni 2011, in kunst, politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Systems of Survival’ (1994) van Jane Jacobs:

Voor morgen uitgenodigd door de Vaste Commissie voor Cultuur van de Tweede Kamer om te komen praten over de voorgenomen bezuinigingen op de kunsten door de regering. Er wordt een statement van mij verwacht. Ter voorbereiding lees ik Systems of Survival van Jane Jacobs. Daarin worden de twee overlevingssystemen van de mensheid aan elkaar gespiegeld: het private en het publieke (commercial syndrome resp. guardian syndrome). De waarden van het private syndroom, aldus Jacobs, verschillen geheel van die van het publieke, het verschil komt neer op: geen macht uitoefenen versus geen handel drijven of winst maken, eerlijk zijn versus gehoorzaam zijn, concurreren versus loyaal zijn, optimistisch zijn versus fatalistisch zijn, innovatief zijn versus zich schikken in de traditie, contracten respecteren versus wraak nemen, enzovoort. Het private systeem heeft natuurlijk de voorkeur van de Amerikaanse activiste, maar in de loop van haar onderzoek komt ze tot de ontdekking dat het publieke minstens zo belangrijk is. Beide heb je nodig. Domineert het publieke teveel, dan krijg je staatssocialisme, domineert het private, dan krijg je maffiose praktijken. De twee systemen moeten elkaar in evenwicht houden.

Kunst en cultuur, net als sport en vermaak, schaart Jacobs onder het waardensysteem van het publieke. De waarde waar het om gaat duidt ze aan als “make rich use of leisure”. Terwijl ondernemers hard werken voorop stellen (‘de hard werkende Nederlander’) en de kunsten zien als nutteloos en overbodig, viert de overheid juist het vermaak en vertier, het spel en de cultuur. Denk aan de riddertijd met haar poëzie, zang en dans, en de aristocratische traditie waarin burgers zich als amateurs trachten te bekwamen in sport, muziek en spel, zonder winstbejag. “Think about royal and aristocratic patronage of artists, musicians, writers, opera, and theater, continued by many democratic governments today.” Al deze voorbeelden laten zien dat de overheid de kunsten altijd actief heeft beschermd en kunstenaars heeft vrijgesteld om juist niet hard te hoeven werken. Hierdoor begrijp je ook, aldus Jacobs, dat commerciële kunst met de nek wordt aangekeken en dat de sympathie uitgaat naar de amateursport, niet naar commerciële sport. Hoe kan het dan dat we de laatste tijd vaak horen dat kunst en cultuur economische activiteiten zijn die zich zonder subsidie moeten zien te bedruipen en zelfs geld moeten genereren, en dat zelfs kunstenaars keer op keer beklemtonen dat ze wel degelijk heel hard werken? “The sour doctrine that idleness is a playground for the devil belongs to the commerical syndrome with its esteem for industriousness.” Wie het publieke met het commerciële verwart, dreigt een grote fout te maken. Was het niet de Duitse filosoof Peter Sloterdijk die onlangs in de Vrijstaat Amsterdam voor ‘ruimhartig burgerdom’ pleitte? “De theorie van de stad, zowel de historische als de toekomstige, – en eo ipso de theorie van de democratie – kan alleen worden gebaseerd op het bewijs van de mogelijkheid van ‘liberaal’, dat wil zeggen vrijmoedig en ruimhartig gedrag.” Ruimhartigheid, dat is wat je van de politiek toch zou mogen verwachten.

Tagged with:
 

Voorheen wielerstad

On 29 december 2010, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 6 mei 2010:

Criteriums in Amsterdam, ze werden volop gereden tot halverwege de jaren ‘60. Toen was het ineens voorbij. Oud-wielrenners Piet van Heusden en Joop Middelink dreunden ze op: de Ronde van de Orteliusstraat, de Ronde van de Kinkerstraat, de Ronde van de Dapperstraat, de Ronde van de Markthallen, de Ronde van de Lindengracht. Het waren er zo’n dertig tot veertig per jaar. En dan was er Olympia’s Tour, de belangrijkste rittenkoers voor amateurs die startte op het Rembrandtplein. Tijdens wedstrijden zat het Olympisch Stadion altijd bomvol. Wielrennen was een ware volkssport die gemakkelijk kon wedijveren met voetballen. Bart Jungmann interviewde de twee tachtigjarigen voor de Volkskrant. Aanleiding: de opening van de Giro in Amsterdam, afgelopen zomer. Boodschap: Amsterdam was vroeger een echte wielerstad, maar is dat allang niet meer.

Vragen naar de redenen voor de ondergang van het wielrennen in Amsterdam is tegelijk de vraag stellen waardoor het wielrennen in de jaren vijftig ineens zo immens populair was, ook in de hoofdstad. Van Heusden en Middelink noemen er een aantal: “Er was in die tijd niet veel te beleven en het wielrennen bood een hoop spektakel.” Door de komst van de televisie begin jaren zestig zakte de wielersport snel weg. Er kwam concurrentie, afleiding, meer vertier. Dan waren er de straatraces. Die waren een soort van afgeleide van de klassiekers en brachten veel volk op de been. “Anders dan de grote wegwedstrijden was het goed te volgen.” Ze konden bestaan dankzij het feit dat er nog geen auto’s in de straten gepakeerd stonden. Het groeiende autobezit maakte de straatraces op een gegeven moment echter onmogelijk. Ook het prijzengeld dat werd opgehaald in de straten onder de zittende winkeliers liep terug doordat de middenstand het in de jaren zestig moeilijk begon te krijgen. Oorzaak: diezelfde auto die de winkels de stad uitdreef. “Voorbij die tijd van autovrije straten en gulle middenstanders.” En de televisie, met z’n motorrijders en helicopters, maakte de wegwedstrijden juist gemakkelijker te volgen. Zo verdween er een volkssport uit de stad. Olympia is met 111 jaar de oudste wielerclub van Amsterdam. Ze heeft het moeilijk. Leden werven gaat bijna niet meer. De stedelijke bevolking verandert snel van samenstelling. De jeugd warm laten lopen voor wielrennen is lastig. Middelink: “Dat heeft te maken, het spijt hem dat te zeggen, met andere culturen, waar doorzettingsvermogen te wensen over laat.”

Tagged with:
 

Lusail City

On 20 december 2010, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 17 september 2010:

Wel grappig om tijdens de kerstvakantie oude kranten te lezen. Kort voordat bekend werd dat het WK voetbal aan Rusland (2018) respectievelijk Quatar (2022) werd toegewezen, deed de Volkskrant verslag van het bid van Quatar. “Quatar en voetbal. Daarbij denk je aan oude vedetten die nog even snel hun zakken komen vullen.” Nee, dan het bid van Nederland en België. De kleine oliestaat aan de Perzische Golf werd door de Hollandse pers geen schijn van kans gegeven. Hoe anders is het gelopen. Terwijl Nederland voorstelde om tijdelijk een extra tribune bovenop de Amsterdam Arena en het Olympisch Stadion te plaatsen, de regering de steden voor de kosten wilde laten opdraaien en meende op die manier het WK wel in de wacht te slepen, beloofde Quatar een compleet nieuwe stad te bouwen, Lusail City, even ten noorden van de hoofdstad Doha. Over tien jaar wonen daar tweehonderdduizend mensen. Buiten het voetbal (een nieuw stadion en vijf trainingscomplexen) krijgt de stad een mix van cultuur, entertainment en winkelcentra plus veertigduizend extra hotelbedden. Ook wordt er een nieuw vliegveld gebouwd. In totaal komen er negen nieuwe stadions, drie bestaande worden gerenoveerd. Een hogesnelheidstrein zal de bezoekers binnen een uur van stadion naar stadion brengen en ook nog even het vliegveld van buurland Bahrein aandoen. Kosten: 36 miljard euro. Volgend jaar al organiseert Quatar het Aziatisch kampioenschap voetbal en in 2016 de Asian Games.

De emir van Quatar staat bekend als een behoedzaam investeerder. Hij investeert, anders dan zijn collega in Dubai, vooral in onderwijs en niet zozeer in vastgoed. Hij maakt nauwgezet studie van andere stadstaten in de wereld, zoals Hongkong, Singapore en Israel, maar het kleine Nederland? Zeker, uit Nederland haalt hij de voetbaltrainers. Co Adriaanse is aangetrokken om het olympisch elftal te trainen en Ronald de Boer assisteert hem daarbij. Maar wat valt er verder van het aardgasrijke Nederland te leren? In ieder geval niet hoe je steden bouwt. Premier Rutte zei het op 3 februari 2009 nog zo: de VVD gaat voor “een kleinere overheid, geen lastenverzwaring maar belastingverlaging om loonmatiging te faciliteren en een beter begrotingssaldo door vast te houden aan de Zalmnorm.” Bezuinigen dus. En als er in het land geïnvesteerd wordt, dan “in wegen, spoorverbindingen en waterwerken,” niet in steden. Voor zo’n visie loopt zelfs een behoedzaam investerende emir niet warm. En de FIFA, zo bleek op 2 december, dus evenmin.

Tagged with:
 

Speerpunten tegen de krimp

On 11 november 2010, in demografie, Geen categorie, sport, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 14 juli 2010:

Vandaag afgereisd naar Heerlen. De stad is gelegen in de krimpregio Zuid-Limburg. Ter oriëntatie heb ik voorafgaand kennis genomen van vele stukken. Vond ook nog een curieus knipsel van afgelopen zomer. In de Volkskrant vertelde een wethouder van Sittard dat de provincie Limburg alle Limburgse regio’s naar hun ‘speerpunten’ had gevraagd. De vraag was gesteld in verband met de komende bevolkingskrimp. Het was een zogenaamde strategische vraag geweest. Er moest namelijk worden voorkomen “dat we in de netwerkstad Zuid-Limburg, met 600.000 inwoners, straks allemaal hetzelfde doen en daardoor elkaar het geld uit de zakken kloppen.” Sittard-Geleen had gekozen voor het speerpunt ‘’sport’’. De gemeente heeft daartoe zes speerpuntsporten uitgekozen, waaronder handbal en polsstokhoogspringen. Er is een Sportzone Limburg gedefinieerd, met het stadion van voetbalclub Fortuna Sittard als middelpunt. In 2011 wordt begonnen met de bouw van Fitland Sport en Fitland Onderwijs, een complex met een topsporthal voor 2500 toeschouwers, diverse dans- en sportruimten, een fitness- en krachtruimte, squashbanen, een instructiezwembad, een wellnesscentrum en een professionele klimhal, in totaal 15.860 vierkante meter. Fitland Onderwijs wordt nog eens 7300 vierkante meter groot. Ook komt er een Fitland Hotel met maximaal 90 kamers. De kosten van dit alles blijven in het ongewisse. De wethouder spreekt van een innovatieve aanpak en vooral van durf. “Durven saneren waar het pijn doet en willen investeren waar het kracht biedt.” Hij hoopt dat de sportieve jeugd in de Westelijke Mijnstreek zal willen blijven als de Sportzone eenmaal is voltooid, en straks niet naar elders zal verhuizen.

Ik ben benieuwd welk speerpunt de wethouder van de gemeente Heerlen heeft gekozen. Vervolgens probeer ik me een voorstelling te maken van die toekomstige netwerkstad Zuid-Limburg met al zijn speerpunten en autosnelwegen die deze speerpunten onderling verbinden. In de omgeving van Zuid-Limburg ontwaar ik Eindhoven, Aken en Luik, op iets grotere afstand Düsseldorf, Keulen, Brussel en Amsterdam. Stel ik ben nu twaalf jaar oud en goed in sport. Waar ga ik studeren over vijf, zes jaar?

Tagged with:
 

Amsterdam is vol

On 12 juli 2010, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 12 juli 2010:

Wie gisteravond Amsterdam via de invalswegen naderde werd getracteerd op borden met de elektronische mededeling ‘Amsterdam is vol’. Toch konden we gewoon doorrijden. Het leek een rustige zondagavond. Maar in de stad bleek de bevolking, in oranje gehuld, massaal op de been, te fiets de straat op, luid toeterend, en boven de huizen cirkelden helicopters. Er was duidelijk een voetbalwedstrijd op komst. Van FC Knudde. Op het Museumplein stonden 180.000 tot 200.000 mensen te drinken bovenop het dak van de parkeergarage, in afwachting van de gele en rode kaarten. Na afloop was het een zwijnenstal. Wat zeg ik? Zelden zo’n ongelooflijke bende gezien in de stad. We hadden weer eens de provincie op bezoek.

Is Amsterdam werkelijk vol? Ja, Amsterdam is vol, voller dan ooit. Is Londen ooit vol? Of Parijs? Of New York? Nee, die steden zijn nooit vol. Die zijn groot. Maar Amsterdam is wel vol. Tegenwoordig elk weekeinde en bijna de hele zomer. Omdat de stad een maatje te klein is. Het Museumplein kan dit in ieder geval helemaal niet meer aan. En de nieuwe burgemeester maar zeggen dat we als Amsterdam Sluis, Heerlen en Delfzijl moeten helpen omdat men in Nederland onvruchtbare haat koestert jegens Amsterdam. Dat heeft hij in Den Haag geleerd tijdens zijn korte ministerschap. Laat ze hier eerst de boel eens komen opruimen. En laat Amsterdam alsjeblieft een maatje groter groeien. Geef de hoofdstad eindelijk eens een internationaal formaat. Opdat er tenminste één stad in dit land is die lekker ruim bemeten is. Anders voelen we ons zo klein. Misschien dat we dan ook nog eens een internationale voetbalfinale winnen.

Tagged with:
 

Water Games

On 7 oktober 2009, in sport, by Zef Hemel

Gehoord in de Tolhuistuin op 6 oktober 2009:

De prijswinnaars van de ontwerpwedstrijd, studenten van de opleiding Sportmarketing van de Hogeschool van Amsterdam, waren gisteravond dolblij. Champagne spoot over hun zondagse kleren. Zij wonnen een driedaagse treinreis naar Londen. Hun inzending was een marketingplan voor de Olympische Spelen in 2028 in Amsterdam – de World Water Games. Ten overstaan van ruim honderd studenten en vele docenten van heel verschillende beroepsopleidingen in Amsterdam presenteerden zij hun ideeën met verve. De jury was onder de indruk: "Dit verhaal klopt aan bijna alle kanten. Ze hebben echt vanuit hun expertise – marketing – een sterk punt van Nederland – water – en een belangrijk maatschappelijk thema – sport – gepakt. Heel concreet hebben zij plannen ontwikkeld om draagvlak in de samenleving te verkrijgen. De minilympics en de paralympics voorafgaand aan de ‘gewone’ Spelen zijn creatieve voorstellen. Ook goed is hun idee om de grachtengordel van Amsterdam te kopiëren op een Olympische eiland voor de kust van Almere." De tweede prijs ging naar twee studenten van de Gerrit Rietveld Academie voor hun concept om Amsterdamse stadsstraten veel spannender te ‘programmeren’. En de derde prijs was voor studenten van de Amsterdamse Academie van Bouwkunst, die de stadsranden van de Amsterdamse agglomeratie transformeerden in interessante rommelzones, waar veel te doen is en te beleven.

Al met al was de oogst aan plannen indrukwekkend. Zo hadden studenten van de ROC van Amsterdam een duurzaam gebouw ontworpen in de Buiksloterham en daarmee vrijwel elk aspect van duurzaamheid betrokken. Een andere groep studenten van de Hogeschool van Amsterdam, afdeling Management, economie en recht, had een nieuw concept voor een snelle metroverbinding tussen Amsterdam en Almere ontwikkeld. En studenten van de Master Metropolitan Studies van de Universiteit van Amsterdam hadden een ‘Northwestern Passageway’ van IJmuiden naar het IJmeer getrokken, die de regionale planvorming, gekenmerkt door governance-structuren, behulpzaam kon zijn. Enzovoort. Mooi. Boeiend. Interessant.

Stel dat al deze 270 studenten na het afronden van hun opleiding in Amsterdam blijven wonen en vervolgens vanuit hun werk iets met (en voor) de stad gaan doen. Dat zou wat zijn. Dat zou veel verder gaan dan deze geweldig leuke avond in de Tolhuistuin, waar overigens veel te lachen viel. 

Tagged with:
 

Superclubs

On 12 augustus 2009, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in Dagblad De Pers van 4 augustus:

Niet dat ik de gratis bladen lees, maar ineens viel m’n oog op de kop van een artikel in Dagblad De Pers. Vanwege de titel ‘Superclubs niet uit de grootste steden’ nam ik een exemplaar. Simon Kuper is de auteur. Hij bericht vanuit Parijs. Hij citeert uit het nieuwste boek van Stefan Szymanski en hemzelf, getiteld ‘Why England loses: And Other Curious Football Phenomena Explained’. Daarin stellen zij de vraag waarom de grootste voetbalclubs niet uit de grootste steden van Europa komen. Het zijn namelijk vrijwel allemaal provincieclubs: Barcelona, Milaan, München, Manchester. Uit de hoofdsteden komt er vrijwel geeneen. Vreemd. De verklaring is deze: bijna alle beste voetbalsteden van Europa zijn ooit industriesteden in opkomst geweest. Daar werden de clubs groter dan in de hoofdsteden of de steden met een gevestigde hiërarchie. "In de meeste topvoetbalsteden in Europa arriveerden de migranten in een golf aan het eind van de negentiende eeuw. (…) Het tweede stadium van de explosieve groei van het voetbal voltrok zich in de jaren vijftig en zestig. Na de oorlog trok het ‘economische wonder’ in Italië massa’s arme boeren uit het zuiden naar het noorden. Veel van hen kwamen terecht in Turijn, waar ze auto’s produceerden voor Fiat en fans werden van het plaatselijke team: Juventus." In deze steden bestond er geen traditionele hiërarchie en waren de banden die de mensen hadden met hun woonplaats niet heel sterk. Die emotionele leegte werd gevuld door de voetbalclubs. "Nog steeds bepaalt de industriële revolutie hoe de aanhang van de Engelse voetbalclubs eruitziet," aldus Kuper.

En Nederland? Het verhaal klopt voor Feyenoord en PSV, minder voor Ajax. En het verklaart waarom Den Haag geen topclub kent. Kuper: "Parijs en Londen, de reuzen van Europa, zullen uiteindelijk ook de Champions League wel een keer winnen. Als dat gebeurt, domineren ze echt elk aspect van het leven in hun land." Kortom, er is nog hoop voor Ajax.

Tagged with: