Nederland is geen New York

On 9 december 2019, in infrastructuur, ruimtelijke ordening, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Enorm veel keuze & ongelofelijk nabij’ (2019):

Afbeeldingsresultaat voor enorm veel keuze ongelooflijk nabij

Het College van Rijksadviseurs schreef een advies over het bereikbaarheidsprogramma van de metropoolregio Amsterdam. Het heet ‘Enorm veel keuze & ongelofelijk nabij’, een kennelijke verwijzing naar ‘Extreem Luid & Ongelooflijk Dichtbij’ (2005), een roman van Jonathan Safran Foer. Aan twee ministeries die moeten beslissen over zware investeringsprogramma’s in en rond Amsterdam: Infrastructuur & Waterstaat respectievelijk Binnenlandse Zaken, is het advies gericht. Ik las het met grote interesse. Twee kanttekeningen. Allereerst de stelling dat Nederland op te vatten zou zijn als één metropolitane regio, vergelijkbaar met New York. Die boude stelling doet denken aan Nederlandse planologen uit de jaren ‘60 die de zogenoemde ‘Randstad Holland’ op één lijn durfden stellen met Londen of Moskou. Of met pionier Theo van Lohuizen die in 1924 tijdens het Internationale Stedebouw Congres in Amsterdam het Westen des Lands opblies door hoefijzervormige invloedssferen rond de steden op kaart te zetten en die urbane velden te spiegelen aan echte metropolen. Heus, Nederland is géén metropolitane regio, het is geen aaneengesloten stedelijk gebied, het mist een Manhattan of een Brooklyn, en Brabant is geen Staten Island. Grootstedelijkheid kent ons land niet. Nederland is een diffuus stedelijk veld, bijeengehouden door rijkswegen. De economie van New York is zo groot als die van Australië, die van Nederland reikt niet verder dan halverwege.

Wel goed gezien is de noodzaak van een nieuwe airportmetrolijn die Schiphol rechtstreeks met het metronetwerk van de hoofdstad verbindt. “Dit station is geen onderdeel van het treinstation Schiphol en voorkomt daarmee een hoop verwarring, stress, ongemakken en vertragingen. Fijn voor de internationale reiziger en beter voor de Nederlandse forens.” Zo’n oplossing snijdt inderdaad meer hout dan een uitbreiding van de krakkemikkige Schipholtunnel. Daarnaast pleiten de adviseurs voor een stadsregionaal OV-systeem als ruggengraat van de regio, bestaande uit een S-bahn achtig netwerk van sprinters, metro en lightrail in hoge frequentie. En misschien wel het belangrijkste: ze adviseren het uitdijen van de metropoolregio niet langer te stimuleren. Ter onderbouwing citeren ze good old Lewis Mumford: “Building more roads to prevent congestion is like a fat man loosening his belt to prevent obesity.” Omdat de werkgelegenheid zich veel sterker in Amsterdam ontwikkelt dan in de regio ligt het voor de hand om ook de regionale woningbouwprogramma’s sterker op Amsterdam te richten. Het economische zwaartepunt verschuift naar de Zuidas. Verdere verdichting helpt om ruimtelijke obesitas tegen te gaan. Maar dat laatste adviseren de adviseurs niet. Ze geven aan werkgelegenheid regionaal te willen spreiden. Dat klinkt rechtvaardig, maar het verzet zich tegen grootstedelijkheid en bovendien gaat het ze niet lukken. Nederland is geen New York, maar Amsterdam mag wel wat grootstedelijker.

Einde aan het metroleed

On 28 maart 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel
Gelezen in The New York Times van 11 februari 2019:

 

Afbeeldingsresultaat voor subway system in new york

De ondergrondse van New York telt liefst 472 stations aan 27 metrolijnen, het is een van de oudste en grootste metrosystemen op aarde en het wordt zeer intensief gebruikt. En daar begint het probleem. Begin dit jaar riep de New York Times haar lezers op om verhalen in te sturen over ‘de hel’ van het dagelijkse metroleed in de stad. De speciale editie die daarover op 11 februari verscheen heette ‘The Major Meltdown Edition’. Ik kan hem iedereen aanraden. New York groeit razendsnel, maar de metro dateert nog van de beginjaren van de twintigste eeuw. Hij kreeg een slechte reputatie in de jaren ’70 en ’80, toen het systeem letterlijk werd overgenomen door daklozen en criminelen. Je was er je leven niet zeker. In de metro werd al decennia niet meer geïnvesteerd. In die tijd ging het ook slecht met New York. De staat en Washington wilden niet bijspringen: ‘Drop dead, New York!’. Maar nu gaat het goed met de stad, zo goed zelfs dat sommigen vrezen dat de criminaliteit in de metro weer zal terugkeren. Treinen vallen uit, perrons raken overbelast, stations worden afgesloten, er breken branden uit. Er moet zwaar in de New Yorkse metro worden geïnvesteerd. Maar de regering Trump doet niets. En de burgemeester van New York gaat er niet over. Het is de staat New York die het metrosysteem van de stad bestuurt. Albany is de provincie die tot nu toe liever wegkeek, de metro veel te duur vindt en de suburbs bevoordeelt.

Afgelopen jaren kwamen inwoners van New York met voorstellen. Door tol te heffen op het autoverkeer door de tunnels naar Manhattan zou geld beschikbaar komen voor het opknappen van het metrosysteem. Laat de autorijders betalen. En: duurzaam transport moet worden bevoordeeld. Ditzelfde had de vorige burgemeester, Michael Bloomberg, in zijn derde termijn al eens voorgesteld, maar ook de tunnels zijn eigendom van de staat New York, en de toenmalige gouverneur stak er een stokje voor. Maar nu is het anders. Gouverneur Andrew Cuomo verklaarde zich vorig jaar bereid tot de invoering van een systeem van rekeningrijden om de uitgaven voor het bij de tijd brengen van de New Yorkse metro te bekostigen. Verder uitstel noemde hij onverantwoord. Maar ditmaal werkte de linkse burgemeester Bill De Blasio tegen. Die wilde liever de rijke New Yorkers via belastingen laten betalen. Afgelopen week zwichtte hij. Dat was groot nieuws. Via rekeningrijden komt er straks jaarlijks 1 miljard dollar beschikbaar voor MTA, de Metropolitan Transporation Authority. Een ritje met de auto naar Manhattan gaat 12 tot 14 US dollar kosten. Gaat het parlement van de staat hiermee instemmen? Buiten de stad wonen immers de meeste autobezitters die in hun portemonnee zullen worden geraakt. Maar Cuomo heeft er vertrouwen in. De meeste forensen naar New York City, zegt hij, komen uit andere staten. Idee voor de Randstad? Invoering van rekeningrijden in de Randstad en met de opbrengst de uitbreiding van de metrostelsels van Amsterdam en Rotterdam financieren.

Tagged with:
 

Stemmen tegen de toekomst

On 18 maart 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Oog voor het onzichtbare’ (1994) van Guido Wallagh:

Bron: Spoorkees.nl

Het eerste naoorlogse plan voor de Amsterdamse binnenstad dateert van 1955. Het document telde slechts 18 bladzijden, maar werd direct een hit. Het opperde de gedachte van een heus stadsspoor, had regionale trekken. Guido Wallagh schrijft erover in zijn proefschrift, getiteld ‘Oog voor het onzichtbare’, uit 1994. Wallagh schetst de discussie die na 1955 op gang kwam over het toekomstige Groot-Amsterdam. Het stadsspoor – de Oostlijn en de latere Noord-Zuidlijn – was in die verhitte discussie over de binnenstad de grote constante. Wallagh: “Men beschouwt vanaf het eind van de jaren vijftig het stadsspoor als de bindende factor van een stad in ontwikkeling.” Die stad wordt regionaal, een echte miljoenenstad, zo was in de jaren vijftig de verwachting. Het stadsspoor zou ruim tien jaar later terugkeren in het Voorontwerp van de tweede nota over de Amsterdamse binnenstad, 1968. Maar in plaats van een centrale rol te spelen in het politieke debat, verdwijnt ze stilletjes naar de achtergrond. Het tumult rond de metroaanleg is op dat moment te groot. Het denken over de Amsterdamse binnenstad wordt daarna nog lang beheerst door de opmars van de auto en de noodzaak iets aan de drukte in het stadscentrum te doen. De aanleg van metro wordt weliswaar unaniem aanvaard in de Amsterdamse gemeenteraad, maar het gevecht met de bevolking en de Haagse politiek zal nog decennia voortduren. Pas in 2018 komt het gewenste stadsspoor gereed.

Vooral dat voorontwerp van de tweede nota over de Amsterdamse binnenstad houdt me bezig. Anders dan het plan uit 1955 is het dik, omvangrijk, met uitstekend onderzoek onderbouwd, rijk geïllustreerd. Het mocht allemaal niet baten, want de bevolking slikte het niet. De metrorellen breken daarna uit, eerst in 1970, later escalerend en uitmondend in de Nieuwmarktrellen van 1975. De metro komt er, later, met veel moeite toch, en ook de Noord/Zuidlijn. En wie de zestig jaar overziet, moet zelfs concluderen dat de regionale stad met de groeikernen en nevencentra er is gekomen. En hoe! Wat wethouder Joop den Uyl in 1960 voorstelde, is anno 2019 dus min of meer werkelijkheid geworden. De grote vraag is nu of al die politieke strijd over zoveel jaren werkelijk de moeite waard is geweest. Den Uyls agglomeratiegedachte kwam te vroeg, dat is, achteraf gesproken, wel zeker. En nog steeds zijn er mensen die zich verzetten tegen de gedachte van grootstedelijkheid. Eind jaren ‘70 heetten ze ‘kleinschaligen’. Onverminderd houden ze vol dat Amsterdam niet mag groeien. Uitbreiding van het metronet willen ze niet, verdere verdichting laat staan nieuwe uitleg is uit den boze, ze leven binnen de gemeentegrens. Komende woensdag zullen ze opnieuw massaal tegen de toekomst stemmen. Blij dat de Noord/Zuidlijn eindelijk rijdt.

Tagged with:
 

Leren van Rotterdam

On 16 maart 2019, in infrastructuur, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Woekeren met ruimte’ (2010) van Noud Köper:

Afbeeldingsresultaat voor woekeren met ruimte köper

Waarom lukte het Rotterdam wel om een brug over de rivier te krijgen en waarom krijgt Amsterdam zo’n brug niet? Tien jaar geleden schreef Noud Köper een interessant boek over de Nederlandse ruimtelijke ordening. Köper is politicoloog, in zijn boek geeft hij “een kijkje in de keuken van de moeizame besluitvorming, de machtsspelletjes en de belangentegenstellingen” in de Nederlandse planning sinds eind jaren ‘80. Het eerste hoofdstuk gaat over de Rotterdamse Kop van Zuid. Leerzame stof. De uit Amsterdam afkomstige Riek Bakker begreep al vroeg dat je een plan moet ‘verkopen’. Uit hetzelfde Amsterdam haalde ze Teun Koolhaas en vroeg hem de toekomstige Kop van Zuid op onweerstaanbare wijze te tekenen. Van het geheel maakte ze een mooie maquette en een flitsende diashow. Hiermee ging ze de boer op, eerst vanuit haar woonkamer op het Eendrachtsplein, later op locatie, in de buurten op Zuid. De brug echter bleek een ‘heikel punt’. De weerstand zat vooral intern. De Willemsbrug had voldoende capaciteit, de metro verbond al noord met zuid, er was druk scheepvaartverkeer. Hoe kreeg ze haar collega’s toch mee in haar plan? Ditmaal vroeg ze de Amsterdamse Ben van Berkel een oogverblindende brug te ontwerpen. Met deze ‘Zwaan’ wist ze de gemeentepolitiek in te palmen. Ze ging bovenlangs, zoals dat in ambtelijke termen heet. De ‘Zwaan’ bleek echter 40 miljoen gulden duurder dan begroot.

Slikte de Rotterdamse gemeenteraad de brug, die nu zoveel duurder uitviel? En keerde het Rijk zich niet tegen de plannen? En de Rotterdamse haven dan? Köper meldt in zijn boek dat de burgemeester (Bram Peper) ‘goede relaties’ had met Den Haag. Hij en wethouder Joop Linthorst trokken naar de Minister van Verkeer en Waterstaat, Hanja Maij-Weggen, om erover te praten. Wat hadden de slimme Rotterdammers gedaan? Een week voor het bezoek hadden ze ‘een prachtig model’ van de brug bij haar op de kamer laten zetten. “Dan kon ze er een beetje aan wennen.” Binnen een uur was het gepiept. Verkeer en Waterstaat had geen bezwaar tegen de brug en de gemeente Rotterdam kreeg zelfs de ontbrekende 40 miljoen als rijksbijdrage cadeau. Later bleek dat premier Lubbers – ook een Rotterdammer – de brug te duur vond, waarop de minister het bombardement op Rotterdam in herinnering riep. De brug, had ze gezegd, diende als een landmark, een cadeau aan de stad die in de oorlog het zo zwaar te verduren had gehad. In 1993 werd met de bouw begonnen, twee jaar later was hij gereed. Hoe noem je zo’n strategie? Verleiden, inpalmen, verkopen. Riek leverde een duidelijk motief: de brug gaat de kloof tussen zuid en noord definitief dichten. Dat laatste is niet gebeurd. Nu moet een duur stadion alsnog uitkomst gaan bieden. De kloof dichten, dat gaat Amsterdam wel lukken. Zonder stadion of brug.

Tagged with:
 

Geen ‘witte olifanten’ in Mexico City

On 12 maart 2019, in infrastructuur, sport, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Spatial Effects of the Olympic Games in Mexico City‘ van Fernando Greene Castillo:

Gerelateerde afbeelding

Nog steeds is Mexico City trots als een pauw op de Olympische Spelen die de stad in 1968 organiseerde. Het viel me op toen ik deze winter de megastad bezocht. Ik wist er eerlijk gezegd weinig van. In het Pallacio de Bellas Artes trof ik een fraaie tentoonstelling aan over de legacy van de Spelen, inmiddels vijftig jaar geleden gehouden. Daar was ook een kaartje te zien met alle grootstedelijke openbare werken die met de spelen in de stad waren gereedgekomen. Het zag er indrukwekkend uit. In de jaren ‘60 ging het Mexico economisch voor de wind. Daardoor durfde het IOC de Spelen van ‘68 aan het Midden-Amerikaanse land toe te wijzen. De beslissing van de Mexicanen zelf om, na andere Olympische steden bestudeerd te hebben, te kiezen voor een opzet waarbij de sportvoorzieningen over de stad werden gespreid, blijkt vijftig jaar later ronduit visionair. Fernando Greene Castillo schreef er een rapport over. Alle venues, las ik, werden op 20 minuten reizen van het te bouwen Olympisch dorp gesitueerd; dit kwam neer op een onderlinge afstand van 26 kilometer. Er werden zes nieuwe wegen gebouwd om alle stadions met elkaar te verbinden. De belangrijkste was de Periferico Sur met een lengte van 16 kilometer. Juist door de aanleg van deze hoofdweg werd Mexico City aan de zuidzijde opengelegd voor verdere expansie: een nieuw stedelijk gebied van zeker 2.500 hectare.

De andere stedelijke hoofdaders die voor de Spelen werden aangelegd of verbreed waren de Viaducto Tialpan met een lengte van 4,6 kilometer, dit is nu een van de belangrijkste radialen in de stad, en nog eens vijf andere stedelijke boulevards. Castillo: “Road infrastructure expansions on empty areas, as those built in the south part of the Metropolis, affected the territorial shape and size of the city very fast, since they pushed the opening of new urban areas almost immediately.” Tijdens mijn bezoek viel me op dat de zuidkant rond de universiteit qua stedenbouw inderdaad uitstekend is gedimensioneerd en zowel intern als extern goed verbonden. In totaal werd er destijds voor 79 miljoen US dollar aan infrastructuur in de stad aangelegd. In die tijd was dat veel geld. Maar achteraf gezien was deze uitgave alleszins welbesteed en eigenlijk ook bitter noodzakelijk. Ook alle sportfaciliteiten blijken vijftig jaar later nog volop in gebruik. Geen ‘witte olifanten’ in deze megastad. Tijdens een van onze stadswandelingen zagen we juist dat het oude gymnasiumcomplex grondig werd opgeknapt. Misschien had u dat niet gedacht. In 1968 telde Mexico City nog 9 miljoen inwoners; inmiddels zijn dat er driemaal zoveel.

Tagged with:
 

Faustiaans plannetje

On 6 februari 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 6 februari 2019:

OV in 2040

Bron: Rijksoverheid

Om de CO2-uitstoot in het verkeer te verminderen komt de staatssecretaris van Infrastructuur met een Toekomstbeeld Openbaar Vervoer 2040, waarin tussen negen Nederlandse steden om de tien minuten een trein gaat rijden. Het gaat om de Randstad, Breda, Eindhoven, Arnhem-Nijmegen, Zwolle. Met haar toekomstbeeld wil de staatssecretaris Spoor dat het openbaar vervoer een alternatief wordt voor de auto over twintig jaar. Dus het programma ‘hoogfrequent spoor’ oftewel ‘spoorboekloos rijden’ wordt gewoon verder over de natie uitgerold. Het grote nieuws vertelde ze de Volkskrant, die het zelfs vandaag op de voorpagina afdrukte. Het klinkt stoer, zo’n metroachtig beeld voor heel Nederland, maar er is alle reden voor scepsis. Het geld is er namelijk helemaal niet. En ook zal het de problemen op de weg en op het spoor allerminst oplossen. De oorzaak wordt namelijk niet weggenomen, en dat is die waanzinnige groei van het verkeer over lange afstanden als gevolg van de gespreide verstedelijking. Integendeel, het toekomstbeeld zal nieuwe verkeersstromen genereren over zeer grote afstanden! En ja, wat was destijds ook alweer de aanleiding voor de introductie van het programma ‘hoogfrequent spoor’? Toen de plannen voor de Zuiderzeelijn werden afgeblazen zocht de spoorsector naar een even kostbaar alternatief.

Dat het lobbywerk van de Nederlandse Spoorwegen opnieuw successen boekt in Den Haag mag misschien bewondering wekken, als planoloog zie ik het als systeemfalen. De Randstad wordt steeds verder opgeblazen, het grote rijksgeld voor infrastructuur gaat niet naar de grootstedelijke gebieden, waar de sterkste groei zich voordoet, maar verdwijnt, opnieuw, naar de provincies. Nee, er worden hier grote schaalfouten gemaakt. Maar het ergste is dat niemand zich afvraagt welke ruimtelijke gevolgen deze mega-investering op termijn zal hebben. Ze wordt gezien als de oplossing voor een vervoerkundig probleem anno 2019 en een vervoerskundige prognose tot 2040, maar dat ze zèlf nieuwe ruimtelijke problemen zal veroorzaken wordt niet opgemerkt. Dat laatste doet de verkeerslobby namelijk nooit. In Nederland bouwen wij hierdoor al decennia aan een Ruhrgebied, maar dan eentje in de overtreffende trap. De files worden alleen maar langer. Dit neoliberale toekomstbeeld à la Peter Savelberg oogt niet minder dan duivels, Faustiaans. Symbolisch gaf de staatssecretaris haar interview in een café naast station Zwolle. Sympathiek. Goed bedacht. Dit toekomstbeeld is gewoon politiek. De provinciale statenverkiezingen naderen.

Het mirakel van Antwerpen

On 20 januari 2019, in infrastructuur, participatie, by Zef Hemel

Gelezen in de Volkskrant van 12 mei 2015:

Gerelateerde afbeelding

Bron: Ademloos

In Antwerpen, een stad van bijna 500.000 inwoners, gebeurt een wonder. Vrijwel de gehele ring van autosnelwegen door de Vlaamse havenstad wordt de komende jaren overkapt. Maar dat niet alleen, ook het feit dat deze overkapping werd afgedwongen door breed burgerverzet en dat dit burgeractivisme een democratische beweging in het leven heeft geroepen die zijn weerga niet kent en die ook lijkt te beklijven, is niet minder dan miraculeus. Op 25 juni 2018 maakte een commissie een selectie van 18 overkappings- en leefbaarheidsvoorstellen die alle van onderop waren ingediend, goed voor 1,25 miljard euro. Ringland is een lokale beweging die zich organiseerde via Facebook en die in mei 2014 1500 burgers naar een bijeenkomst wist te lokken waar alternatieve plannen voor de ringzone werden besproken. Later dat jaar organiseerde ze zelfs een festival op het dak van de Craeybeckxtunnel dat liefst 15.000 bezoekers trok. Via een crowdfundingcampagne werd vervolgens 100.000 euro opgehaald voor alternatieve studies. De acties waren een reactie op een aansprekend ontwerp van bureau Stramien uit 2012. Wie nog verder teruggaat in de tijd komt uit bij plannen van de Vlaamse regering voor voltooiing van de ring via het Oosterweeltracé met een opvallend, als ‘landmark’ bedoeld viaduct en nieuwe brug over de Schelde (Lange Wapper) en een verdere verbreding van de ring als geheel. Kosten: 7 miljard euro. Slechts 28 procent van de Antwerpenaren kon zich in de plannen vinden, er ontstond burgerverzet. Ringland wist het verzet om te buigen in alternatieve plannen. In maart 2017 zwichtte de Vlaamse regering voor het burgeractivisme.

Naast Ringland was er stRaten-Generaal van Manu Claeys. Al in 2005 was deze lokale actiegroep gestart met verzet tegen de plannen voor de expansie van de Antwerpse ring. Dat was zeker toen nog taai werk, want de regering had de plannenmakerij in handen gegeven van een aparte organisatie – BAM – die uit vrees voor protesten zo weinig mogelijk met burgers communiceerde. Manu Claeys leidde het verzet. Al vroeg sprak hij over de plannen als ‘de vergissing van de eeuw’. In 2015 diende hij een klacht in bij de Raad van State, waarop de regering een intendant aanstelde die tussen de partijen moest gaan bemiddelen. En dan was er Ademloos, weer een andere actiegroep die zich tegen de plannen verzette. De drie partijen sloten ‘Het Toekomstverbond’ en samen richtten zij een Werkgemeenschap op. Daarin zijn ‘werkbanken’ actief. Zo groeit bij onze zuiderburen een nieuwe vorm van governance rond de figuur van de intendant van de Vlaamse regering. Die intendant, Alexander D’Hooghe, in het dagelijks leven hoogleraar aan MIT in Boston, heeft door te spreken met alle partijen in 2017 het voornemen tot overkapping uit het vuur weten te slepen. Hierdoor geniet hij bij iedereen veel vertrouwen. Onlangs tekende hij voor acht jaar bij. Antwerpen, denken de burgeractivisten, wordt eindelijk de meest leefbare stad van Vlaanderen. Het kan verkeren. Arm Brussel. Arme ring A10 in Amsterdam.

Tagged with:
 

Ondertussen in Peking

On 6 januari 2019, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in New York Times van 24 november 2018:

Gerelateerde afbeelding

 

Een filmpje van de nieuwe luchthaven van Peking ging viraal op het web tijdens de kerstdagen. In The New York Times las ik een reportage over Beijing Daxing International Airport. Naar verwachting opent deze misschien wel grootste luchthaven ter wereld zijn deuren in september 2019, na een record van amper vijf jaar bouwen. In ‘A Big New Airport Shows China’s Strengths (and Weaknesses)’ schrijft Ian Johnson over de grootse ambities die de metropool Peking heeft met de nieuwe luchthaven. Peking, een megastad van 22 miljoen inwoners, moet de economische motor worden van noordelijk China: Jingjinji Metropolitan Region, en de 82.000 vierkante mijl van de nieuwe luchthaven, vijfenveertig kilometer ten zuiden van de metropool, dient om die economische ambitie waar te maken. Dit zuidelijke deel is veel armer dan het rijkere noorden waar op dit moment nog de internationale luchthaven zich bevindt en waar de campussen van de technische universiteiten zorgen voor een concentratie van hi-techbedrijven. Eind dit jaar rijdt er een nieuwe metro naar het zuiden en ook krijgt de luchthaven een station voor een nieuwe hogesnelheidslijn. Johnson vindt het een zwaktebod. Kennelijk moet infrastructuur economische groei teweegbrengen. Hij had liever economische hervormingen gezien.

Alleen al de oranje terminal van de nieuwe luchthaven, ontworpen door het Londense bureau Zaha Hadid, beslaat 700.000 vierkante meter. In 2025 zullen hier 72 miljoen passagiers per jaar in- en uitstappen, dat is meer dan Schiphol op dit moment; de 120 miljoen van 2050 zullen zelfs de capaciteit van alle zes Londense luchthavens samen overtreffen. De nood is hoog, want de afgelopen jaren groeide het vliegverkeer in China met telkens 13 procent. De noodzaak wordt nog vergroot doordat de Chinese luchtmacht zeventig procent van het luchtruim boven China controleert. Alle luchtverkeer moet daarom door nauwe corridors, wat het aantal starts en landingen ernstig belemmert. Met de vier, uiteindelijk acht nieuwe landingsbanen hoopt Peking flinke extra capaciteit te scheppen. Voor de luchthaven, die een oppervlak zo groot als twee derde van Manhattan beslaat, moesten elf kleine dorpen worden afgebroken. In totaal werden 20.000 mensen geëvacueerd. Johnson vindt het maar niks. Juist voor Amerikanen is zoiets jaloersmakend. Hun luchthavens zijn krap, uitgeleefd, niet toekomstbestendig. Overigens maakt de nieuwe luchthaven van Peking onderdeel uit van het Beijing-Tianjin-Hebei Integration Plan (hier de link: http://www.china-briefing.com/news/the-beijing-tianjin-hebei-integration-plan/). Laagwaardige, milieubelastende functies, stelt het plan, moeten naar buiten. Zelfs het regeringscentrum van de hoofdstad zal worden verplaatst naar de satellietstad Tongzhou in het oosten, waar onlangs een nieuwe metrolijn is geopend. China zelf zet in op de bouw van hogesnelheidslijnen om het luchtverkeer te ontlasten. De megastad maakt zich op voor een groeispurt die moet leiden naar schonere lucht, betere infrastructuur, hoogwaardige economie. Komt dat zien.

Tagged with:
 

REOS mag in de revisie

On 6 november 2018, in economie, by Zef Hemel

Gelezen in CPB Discussion Papers 376 en 377 (2018):

Afbeeldingsresultaat voor cpb stedelijke productiviteit

Bron: CPB

Interessant nieuw begrip: productiviteitsvoordelen. Zulke voordelen kleven aan grote steden. Tien jaar werkervaring in Amsterdam leidt voor een jonge werknemer tot circa 11% meer loon dan tien jaar werkervaring in de minst verstedelijkte gebieden. Dat concludeert het Centraal Planbureau (CPB) in een tweetal recente studies. Sinds een tiental jaren brengt het CPB studies naar buiten die gaan over steden en hun agglomeratievoordelen. De eerste was ‘Stad en land’ (2010). Coen Teulings, tegenwoordig universiteitshoogleraar in Utrecht, was destijds directeur van het Haagse planbureau. Henri de Groot en Gerard Marlet waren de onderzoekers. In al hun studies worden de economische voordelen van metropoolvorming erkend. De twee recente studies gaan over de geografische reikwijdte van agglomeratievoordelen en over lonen die sneller stijgen in grotere steden. Als een werkplek binnen een straal van 10 tot 20 kilometer van een grote stad ligt profiteren werknemers het meest. Op grotere afstand verdwijnt het effect. Op 40 tot 80 kilometer afstand is het effect statistisch niet meer significant. Investeringen in infrastructuur zijn het gunstigst voor productiviteitsvoordelen als deze plaatsvinden in en zeer dichtbij grote steden. Bij Amsterdam zijn de voordelen het grootst (zie kaartje). Dat betekent einde van het spreidingsbeleid en einde aan de lofzang op de Nederlandse provinciestad. Tijd om substantieel te investeren in en direct rond de grote steden, te beginnen in Amsterdam.

Overigens merken de onderzoekers op dat de loonvoordelen en elasticiteiten relatief klein zijn in de Nederlandse context vanwege het gespreide en polynucleaire karakter van de Nederlandse verstedelijking. Met andere woorden, als Nederland echt grote steden had gehad, dan waren de loonvoordelen nog veel groter geweest. Desalniettemin achten zij het bestaan van een ‘urban wage growth premium’ voldoende aangetoond. En wat die agglomeratievoordelen betreft, die bestaan vooral binnen de grote steden zelf. Direct in de nabijheid, op korte afstand, zijn nog wel agglomeratievoordelen te behalen, maar dan zijn ze al beperkt. De voordelen nemen snel af naarmate de afstand groeit. Om maximaal van agglomeratievoordelen te profiteren is het het beste om de grote steden groter te maken. Daarmee ondersteunen de studies mijn pleidooi voor compacte metropoolvorming. Een Randstad of zelfs een regionale spreiding binnen verschillende metropoolregio’s hebben minder voordelen. Ten slotte, het meeste profiteren hoogwaardige dienstverlenende bedrijven van grootstedelijke agglomeratie. Het minste profijt hebben industriële bedrijven. Die laatste kun je gerust uitplaatsen naar buiten. Ik zou zeggen: de REOS (Regionaal-Economische Ontwikkel Strategie) van het Rijk mag grondig in de revisie. Zonde van al die miljarden overheidsgeld. Gebruik dat geld liever om een paar industrieën uit te plaatsen.

Duizend kilometer asfalt erbij?

On 1 november 2018, in infrastructuur, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 30 oktober 2018:

Afbeeldingsresultaat voor files nederland kaart

 

Op dinsdagmorgen 29 oktober 2018 stond in Nederland 970 kilometer file, de donderdag erna zelfs 1135 kilometer. Het Parool kopte: ‘Veel meer wegen, en toch meer files’. Aanleiding waren nieuwe cijfers van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid. De files in Nederland worden steeds frequenter en steeds langer. Er zijn meer auto’s op de weg en alle voertuigen samen leggen meer kilometers af. Er valt niet tegenop te asfalteren. Ook het treinverkeer neemt toe. Nederland voelt als één grote stad. In 2016 constateerde het EIB een vertraging in de aanleg van nieuwe infrastructuur als gevolg van de financiële crisis en voorspelde zij tot 2025 een snelle groei van het aantal voertuigkilometers in het personenvervoer. (Investeren in de infrastructuur, 2016) Vooral in de Randstad groeit de pendel erg snel. Pas na 2020 “ontstaat er meer capaciteit.” Ondertussen moet er steeds meer geld naar reconstructie en vervanging van bestaande infrastructuur. Dat is complex en kostbaar, aldus het EIB. Het instituut bepleitte daarom een ‘toekomstgerichte investeringsstrategie’ waarin de aanleg van nieuwe infrastructuur wordt afgezet tegen de maatschappelijke baten op het gebied van energievoorziening en CO2-reductie. Ach ja, minder CO2-uitstoot. Deze week liet de minister de Kamer weten dat de regering tot 2030 19 miljard euro wil uittrekken om nog eens duizend kilometer rijstroken aan te leggen en knelpunten op te lossen. Dat is asfalt van Amsterdam tot aan de Zwitserse Matterhorn.

Niemand lijkt zich de vraag te stellen waardoor deze explosieve vervoersbehoefte wordt veroorzaakt anders dan door economische groei. Ook het EIB noemt economisch herstel, hogere eisen van gebruikers en ‘toenemende mobiliteit’ (sic!) als oorzaken. Daarnaast ziet het rijksbezuinigingen op de infrastructuurbudgetten tijdens de crisis als de grote boosdoener. Een inhaalslag is nodig, denkt het instituut in Den Haag. Dat het gespreide Nederlandse verstedelijkingspatroon en de neiging van de rijksoverheid om voorzieningen en middelen over het land te verdelen het fileleed flink verergeren, wordt nergens genoemd. Doodleuk rekende het EIB het kabinet voor dat tussen 2015 en 2030 een bedrag van liefst 245 miljard euro nodig is voor nieuwe infrastructuurinvesteringen. Zo blijven we doorgaan met nieuw asfalt storten, tot uiteindelijk alles vastloopt. Want de files zullen alleen maar in omvang groeien. In ‘De toekomst van de stad. Een pleidooi voor de metropool’ (2016) citeerde ik de Franse geograaf Pierre George, die ooit schreef dat spreiden van stedelijke ontwikkeling door de natiestaat buitengewoon onverstandig is, omdat zeer omvangrijke infrastructurele uitgaven gedaan zullen moeten worden om er weer een geheel van te maken. De publieke uitgaven zullen ‘in geometrische progressie’ stijgen in verhouding tot de uitbreiding van het stedelijke systeem. Het is een van die “falende hoog-modernistische overheidsschema’s.” Alleen grootstedelijke concentratie helpt. Je moet het stedelijke systeem aanpakken. Je moet, om te beginnen, Amsterdam verdubbelen. Zou Den Haag dit ooit begrijpen?