Meer mensen, minder steenkool

On 3 februari 2011, in regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in Metropoolregio Amsterdam in cijfers 2010:

Voor de derde keer een statistisch overzicht van de Metropoolregio Amsterdam ontvangen, opgesteld door de Dienst Onderzoek en Statistiek. Op het omslag prijken ditmaal vier NS-stations: Bijlmer-Arena, Zaanstad, Almere en Hoofddorp. Ik vermoed enige symboliek: treinen die op tijd rijden. De wethouder spreekt van ‘het ontstaan van tijdreeksen en interpretatiekaders’ die regionale beleidskeuzen kunnen onderbouwen. Ik lees en interpreteer de cijfers die een beeld geven van een bijna perfecte stadsregio waar te hard rijden door de straten en hondenpoep als de grootste ergernissen worden gezien en waar de criminaliteit is gedaald van 100 naar 94 misdrijven per 1000 inwoners. Dan gaat het vooral over vermogensdelicten. Vind je het vreemd? De Amsterdamse stadsregio is flink rijker dan de rest van Nederland: gemiddeld 15.500 euro per inwoner tegenover 14.000 euro in de rest van Nederland. Slechts 16 procent gaat door voor arm. Dat betreft dan hoofdzakelijk eenoudergezinnen en bejaarde alleenstaanden. Met de gezondheid gaat het ook goed. De Amsterdamse mannen roken iets meer dan gemiddeld, maar er wordt minder alcohol gedronken dan in de rest van het land. Er leven meer mensen met een normaal gewicht en beduidend minder mensen met kunstgebitten dan elders. Zeker, in Amsterdam kampen mensen iets vaker met migraine, maar weer iets minder met suikerziekte. Ze zijn wel iets vermoeider en lijden iets vaker aan slapeloosheid, maar dat betreft vooral de dure Gooi- en Vechtstreek. En ja, de economie trok in de tweede helft van 2009 weer aan. De bevolking groeit, in 2009 zagen we een toename van 23.000 inwoners. Sinds 2008 is er sprake van een immigratie-overschot. Amsterdam spant de kroon met 11.000 extra inwoners. Buiten de kernstad groeiden vooral Haarlem en Aalsmeer. Voor de komende twintig jaar wordt een gestage bevolkingsgroei verwacht. Welkom in Utopia!

Opmerkelijkste feit vond ik dit jaar het aantal hotelkamers. Dat groeide in 2009 met liefst 7 procent. Het totaal komt nu uit op 31.000 kamers. Dat is niet minder dan eenderde van de hele hotelcapaciteit van ons land! De meeste kamers bevinden zich binnen de grenzen van Amsterdam. We spreken hier van 8,6 miljoen overnachtingen in 2009. Plus 2,9 miljoen in de regiogemeenten. Totaal: 11,5 miljoen overnachtingen! O ja, het tonnage dat in de Amsterdamse haven werd overgeslagen daalde in 2009 aanzienlijk. Meer mensen, minder steenkool dus. Met dit interpretatiekader kunnen we de komende jaren onze regionale beleidskeuzen inderdaad gedegen onderbouwen.

Tagged with:
 

De Avonden

On 2 augustus 2010, in ethiek, by Zef Hemel

Gespot op Twitter.com van 29 juli 2010:

Aanstaande woensdagavond 4 augustus 2010 om 21.10 uur herhaalt de VPRO het radio-interview met mij over de ruimtelijke ontwikkeling van Amsterdam, radio 6, De Avonden. Dat interview dateert van begin september 2009, is dus van recente datum. Me precies herinneren wat ik toen gezegd heb doe ik niet, maar ik schat dat alles wat ik toen te berde bracht nog altijd valide is. Het was in ieder geval geen onzin. Op de Urban TV Guide las ik in een vooruitblik dat het een “tenenkrommend interview” zou zijn, “maar wel leuk om dit nog even terug te horen, nu er voorlopig niet gebouwd wordt.” Dat is wel heel erg flauw. Op Twitter las ik een bericht van Wies Sanders over het komende interview: “"Ik dacht dat de zendtijd voor #Zefhemel op was? Maar herhalingen tellen niet mee en zijn retrospectief des te leuker.” Ook flauw.

Waar komt die Urban TV Guide eigenlijk vandaan? Het blijkt een blog te zijn van diezelfde Wies Sanders, architect gevestigd te Rotterdam. Daar in Rotterdam zit iemand heel erg zielig te doen. Luisteren dus! Ondertussen ga ik met vakantie.

Tagged with:
 

Vreemd

On 20 mei 2010, in internationaal, by Zef Hemel
Gelezen in Hollandblad nr 6. 2010:
James Kennedy is Amerikaans historicus en hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij woont in Amersfoort. Hollandblad, het tijdschrift van de Vereniging Deltametropool, interviewde hem over de Randstad, in het bijzonder over de angst voor de metropool. Nu is de Randstad natuurlijk geen metropool. Het is gewoon een conglomeraat steden in het westen van Nederland. Dat vindt de Amerikaan Kennedy gelukkig ook. Of beter, hij noemt de Randstad "een metropool tegen wil en dank." Maar ook: "een fysieke metropool is het zeker niet". En daarin heeft hij natuurlijk gelijk. "Nergens is een compromisloze clustering van talent, geld en excentrieke cultuur. Alles is hier een beetje half. (…) Nederland is vooral vlak in dat opzicht." Dat komt vooral, zegt hij, doordat in dat vlakke Nederland de angst voor de grote stad is ingebakken in de cultuur. "In Nederland zijn die anti stedelijke sentimenten altijd heel groot geweest." Elders omschrijft hij fraai de kwaliteiten van de metropool als fenomeen: "Er wordt een gelegenheid geschapen om afzondering te zoeken en anders te zijn, en daarin elkaar op te zoeken. De metropool is een vrij kader, een verzameling van mogelijkheden om te vluchten uit de rest van de samenleving."
 
Zeker, als je als Amerikaan uit Illinois komt en je vergelijkt het leven in Chicago met dat in de rest van de staat Illinois, dan is Chicago een ‘vrij kader’, een plek om naar te vluchten als je vrijheid zoekt. De Randstad biedt die mogelijkheid dus niet. Als je uit het provinciaalse Nederland wilt vluchten, dan kun je hier nergens heen en moet je wel de grens over, naar het buitenland. De enige plek waar het nog een beetje kan is Amsterdam, lijkt mij. Maar de in Amersfoort woonachtige Kennedy noemt Amsterdam niet. Even vermoed je dat hij Amsterdam typeert waar hij New York beschrijft: "Een New Yorker kan zonder de rest van de wereld. Hij kan alles in zijn eigen stad doen. Natuurlijk kijkt de New Yorker naar wat er gebeurt in Shanghai, Hong Kong, Londen. Maar hij houdt zich niet bezig met wat er in de directe omgeving gebeurt." Van dat gedrag worden Amsterdammers ook beticht. Echter, hier en trouwens in het hele interview komt Amsterdam niet voor. Vreemd is dat.
Tagged with:
 

Partij van de metropolen

On 7 maart 2010, in politiek, by Zef Hemel
Gelezen in de Volkskrant van 22 februari 2010:
 
Kort voor de lokale verkiezingen verscheen een interessant artikel van redacteur Martin Sommer in de Volkskrant met een analyse van kabinet Balkenende IV. Zijn analyse spoort met de analyse van het Nederlandse politieke landschap die ik eerder op deze blog heb gemaakt (zoek op: politiek) en waarin de tegenstelling tussen links en rechts geleidelijkaan ingewisseld wordt door de tegenstelling stad-platteland. Oorzaak: groeiende welvaart, suburbanisatie en aanhoudende wooncarrière van Nederlanders, uitmondend in een ruimtelijke uitsortering van de Nederlandse bevolking naar hoogopgeleide huishoudens en migranten in de grote steden en lager tot gemiddeld opgeleide huishoudens in de suburbane buitengebieden. Sommer: "Wie wel eens een congres van zowel PvdA als CDA heeft bijgewoond, rollen van verbazing de ogen uit de kassen. De oudere jongeren van de Partij van de Arbeid, hartstochtelijk in debat over amendement 23 op motie 85c van de afdeling Zeewolde. Versus de dames en heren, met hun dassen en parelkettingen, die gezamenlijk het Wilhelmus zingen na het toejuichen van de partijleider. Werkelijk alles is anders in die partijen. De kleding, de woordkeuze, de organisatie. Dat is natuurlijk al decennia zo. Maar daar komt steeds meer een tegenstelling bij: die tussen grote stad en periferie."
"De PvdA is steeds meer de partij van de metropolen, met integratieproblemen, een allochtone achterban, en ook een wat kosmopolitische dedain tegenover de minder wereldse omgeving waar de ruggegraat van het CDA woont. Andersom zie je in de standpunten van het CDA terug dat de empathie met de grote stad er niet op vooruit gaat. De belangstelling voor de boeren aan de oever van de Westerschelde is beduidend groter dan die voor de segregatie in het onderwijs, om een dwarsstraat te noemen." En dan komt het kernpunt: "Niet zozeer ideologisch, alswel geografisch zijn de twee grote partijen tektonische platen die langzaam uiteen drijven."
 
Wat Sommer opmerkt ten aanzien van PvdA en CDA geldt evenzeer voor GroenLinks en D66 enerzijds als PVV, SP en VVD anderzijds. Het vraagstuk van groei versus krimp voegt zich daar bij. Ook dat leidt tot steeds duidelijker scheidslijnen. Het politieke landschap wordt steeds meer een geografisch landschap. Een echt landschap dus.
Tagged with:
 

‘’Laat ze hun gang maar gaan”

On 30 januari 2010, in cultuur, economie, stedelijkheid, by Zef Hemel

30 januari

 

Gelezen in ‘Perron Nederland’ (1991) van Bram de Swaan:

Het ambtswoninggesprek dat Carolien Gehrels, wethouder van kunst en cultuur, gistermiddag aan de Herengracht organiseerde, deed me weer even terugverlangen naar de Vrijstaat. Twintig burgers van de stad praatten in aanwezigheid van twee wethouders met elkaar over stedelijkheid en de betekenis van de grote stad voor Nederland. In twee uur tijd ontspon zich een fascinerend gesprek dat, regelmatig opgezweept door de anarchistische interventies van actrice Adelheid Roossen, zich in rap tempo uiteenzette met het lastige, complexe begrip ‘stedelijkheid’. Alles kwam voorbij. Op de vraag waarom er in dit kleine landje zo negatief over de grote steden werd gedacht passeerde het ene naar het andere verhelderende inzicht: ook de grote stad denkt negatief over zichzelf (Paul Spies); de grote stad ìs voor veel mensen ook gekmakend (psychiater Wilco Tuinebreijer); de grote stad balanceert voortdurend tussen bloei en verval en in dit precaire evenwicht slaat de balans soms door naar het negatieve (Rudy Stroink); vroeger dacht men overwegend negatief over de stad, maar nu niet meer, de grote steden zijn weer motor van de economie (Wiebe Eijbers); niet elke grote stad doet het overigens goed, maar Amsterdam doet het zeker goed (Adelheid Roosen), zie maar, Amsterdam staat nummer één op de woonaantrekkelijkheidsindex van Gerard Marlet (Robert Kloosterman), iedereen wil naar Amsterdam (Ellen Walraven), Amsterdam groeit en zou nog veel sterker kunnen groeien door binnen de ring A10 flink te verdichten (Maarten Hajer); Amsterdam is groter dan haar administratieve grenzen (Maarten van Poelgeest); mensen buiten Amsterdam zouden zich maar wat graag met Amsterdam willen identificeren. Door hen bij Amsterdam te betrekken ontstaat vanzelf het Groot-Amsterdamgevoel.

Op de tweede vraag – wat is de waarde van de grote stad voor Nederland – kwamen evenzovele antwoorden. Emancipatiemachine, laboratorium van innovatie, cultuurcentrum, forum, plek met stedelijke woonkwaliteit. Eijbers wees op de afkalvende bovenkant van de economie en de voortdurende opbouw aan de onderkant. Die onderkant zou veel meer aandacht en ruimte moeten krijgen. Hij doelde op buurten die nu economisch bijna dood zijn en opnieuw tot leven moeten worden gewekt. Engelen dacht daarbij aan de Zuidas, die hij economisch diskwalificeerde: typisch de door Eijberd bedoelde ‘bovenkant’. De geldstromen van rijk en regio voor het dokmodel zag Engelen liever naar het stedelijke onderwijs gaan. Francien Houben noemde de woonkwaliteit als zwaar onderschatte factor; deze vroeg volgens haar om veel meer variatie in woonmilieus – en graag wat minder aandacht voor de toeristen, voegde ze er als Rotterdammer aan toe. Remco Daalder wees vervolgens op de grote waardering van de gemiddelde Amsterdammer voor groen en landschap en voor fraaie parken. Ellen Walraven wilde meer ‘lege ruimten’ waar iedereen zijn gang kan gaan en noemde Berlijn en Lubljana als voorbeeld.

Toen stuitten we op het begrip ‘chaos’, door de anarchistische Adelheid Roossen bozig geïntroduceerd toen ze tegenover haar voortdurend herhaalde klacht over de verstikkende regelgeving het nastrevenswaardige alternatief van de chaos stelde. De grote stad, "dat is nu eenmaal chaos". Waarop Stroink er op schampere toon aan toevoegde dat de overheid denkt die stedelijke chaos te kunnen beheersen. Niet dus. Helemaal géén regelgeving dan? Ach, zei de historicus Spies, de grote stad zit nu eenmaal vol regels, ze telde in de zeventiende eeuw zelfs veel meer regels dan nu. En ex-kraker Remco Daalder was blij dat de anarchie van de jaren tachtig niet meer op straat heerste ("het was toen echt knokken geblazen"), maar miste wel de vrijheid die er in de vele kraakpanden in de stad toen was. Nee, die regelgeving was er niet voor niets, want er is ook nog zoiets als veiligheid, aldus Andree van Es. Burgers èisen zelfs regelgeving van de overheid om zich veilig te kunnen voelen. Waarop Ewald Engelen er op wees dat veel regelgeving preventief is; je zou, zei hij, gewoon moeten ingrijpen als er echt iets misgaat en niet met regelgeving alles vooraf willen dichtkitten. Volgens Engelen en Stroink was er behoefte aan een ‘verlicht regime’ in de grote stad. Iemand pleitte daarop voor stadsstaat-constructies waardoor de grote stad zich meer of minder kan onttrekken aan de strenge regime van de natiestaat. Stroink oogstte bijval toen hij strengheid in het beheer van het publieke domein suggereerde (de stad moet er ‘s ochtends vroeg schoon bijliggen en daar is de overheid voor), maar veel vrijheidsgraden in het private. Anders gezegd, een park moet schoon en goed beheerd zijn, maar in datzelfde park moeten ook spontane dingen kunnen gebeuren. Die combinatie van streng beheer en ruimte voor spontaniteit en hoe moeilijk dat is werd door Max van Engen mooi geïllustreerd aan de hand van het voorbeeld van de Ten Catemarkt. In een zijstraat waren Marokkaanse handelaren met veel succes begonnen met de verkoop van verse groenten tegen lage prijzen; de hele markt reageerde opgewonden, er ontstond commotie. Deze opleving plaatste het stadsdeel voor een dilemma: de verandering de kop indrukken en de regelgeving streng handhaven of de handelaren hun gang laten gaan. Omdat het tij niet meer te keren leek, legde men zich uiteindelijk bij de verandering neer. Zo reageert de overheid dus op spontaniteit; ze vindt het maar knap moeilijk. Het leidde bij Carolien Gehrels tot de verzuchting dat acht overheidslagen met hun eigen regels en beleid haar ook wel eens moedeloos maakten; ook zij ervoer al die regels en bemoeizucht als belemmerend in haar handelen.

Het was een fraaie voorzetting van het debat over de creatieve stad, een discours dat enkele jaren geleden was verengd tot de vraag hoe je de creatieve industrie kon aanblazen en daarna een langzame dood gestorven. Het ging weer over de metropool als innovatief milieu, met een belangrijke rol voor kunst en cultuur. Hoe creëer je daarvoor de condities? Ik keek naar buiten. Ik moest denken aan het fraaie essay van Bram de Swaan uit 1985, getiteld ‘Amsterdam, Groot-Holland en de wereld’. Daarin wijst hij op de forumfunctie van Amsterdam voor de metropool ‘Groot-Holland’, een functie die een uitstraling heeft tot diep in het West-Europese achterland. De Swaan woonde toen nog aan de gracht. "De Amsterdamse binnenstad vervult zo’n forumfunctie en vormt zo’n monumentale achtergrond, is sinds jaar en dag het culturele centrum voor de Groot-Hollandse metropool en voor de rest van Nederland; het is een van de voornaamste cultuursteden van Europa, alleen overtroffen door Londen en Parijs, misschien geëvenaard door Berlijn en Rome." Over de gevels aan de overkant viel de avond. De gedachtewisseling in de ambtswoning van de Amsterdamse burgemeester op deze winterse vrijdagmiddag was van die forumfunctie een treffend voorbeeld. Het was gewoon een goed gesprek.

Tagged with:
 

Wat is een metropool? II

On 26 april 2009, in economie, stedelijkheid, theorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) van Jane Jacobs:

Het meeste bezoek aan mijn blog heb ik te danken aan mensen die een antwoord zoeken op de vraag wat nu eigenlijk een metropool is. Ze kwamen tot nog toe bedrogen uit. Nota bene tijdens mijn lezing in New York, vorige week, kon ik eindelijk een helder antwoord geven op die veelgestelde vraag. Dat antwoord luidt: een metropool is een stad die succesvol is in import-vervanging. Diversiteit is het resultaat.

Korter kan niet. New York is evident succesvol in importvervanging, maar Amsterdam is dat ook. Het succes kun je afmeten aan de diversiteit van de stedelijke economie. Die is in beide steden aanzienlijk, zeer aanzienlijk zelfs. Kijk maar op straat. Wat een diversiteit! Wat een energie! "Economic life develops by grace of innovating; it expands by grace of import-replacing," aldus, heel droogjes, Jane Jacobs. (…) "Any settlement that becomes good at import-replacing becomes a city. And any city that repeatedly experiences, from time to time, explosive episodes of import-replacing keeps its economy up-to-date and helps keep itself capable of casting forth streams of innovative export work." (…) Het proces van import-vervanging bestaat uit kettingreacties, explosies bijna die gedurende enige tijd aanhouden in een stad en die daarna weer uitdoven. "The process feeds itself, and once well underway, does not die down in a given city until all the imports that are economically feasible to replace at that time and in that place have been replaced." Het resultaat is stedelijke groei – niet als gevolg van planning, maar èchte groei: "The process vastly enlarges city economies as well as diversifying them, and causes cities to grow in spurts, not evenly and gradually."

Steden verliezen ook werk, voortdurend zelfs, dus de importvervanging is noodzakelijk voor ze om niet te krimpen. Enfin, genoeg hierover: metropolen hebben een zeer diverse economie, die ze te danken hebben aan voortdurende explosies van import-vervanging. Dat is het. De rest – zoals de aanzienlijke bevolkingsomvang – is bijzaak. In New York konden we het bijna letterlijk voelen, op straat.

Tagged with:
 

Versailles

On 11 maart 2009, in geschiedenis, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Sun King’s Garden’ (2006) van Ian Thompson:

De eerste dag in Parijs bracht ik door in Versailles. Je bent er tegenwoordig in een mum van tijd. Met de RER. Die rijdt helemaal via de Rive Gauche naar het zuidwesten. Ondertussen lees ik in Thompson’s ‘The Sun King’s Garden’. Een boek over de verhouding tussen Lodewijk XIV en zijn tuinarchitect Le Notre. Lodewijk had niets met de metropool. Hij vond Parijs verschrikkelijk. Hij hield van tuinieren. Dus bouwde hij Versailles, ver buiten Parijs. Z’n hele leven bleef hij bezig met de uitleg van de tuinen, die uiteindelijk het grootste tuinencomplex van Europa zouden gaan vormen. Het water dat hij voor de vijvers en fonteinen nodig had, haalde hij uit de rivier de Eure, zestig mijl verderop. Het terrein dat hij voor zijn tuinencomplex koos, was een ontoegankelijk moeras. Het zou me niet verbazen als Versailles een even groot oppervlak besloeg als de toenmalige hoofdstad: 8.000 hectare, met de jachtgebieden meegerekend zelfs 18.000 hectare. Kortom, een krankzinnige onderneming die je als de bewust ontworpen tegenhanger van de Parijse metropool kunt lezen.

Maar het meest fascinerende van Thompson’s boek is de beschrijving van de verhouding tussen de planner en zijn opdrachtgever. Lodewijk was meedogenloos en gedreven, Le Notre was nuchter, gevat en geliefd. Lodewijk was in een gouden wieg geboren, Le Notre was van eenvoudige komaf. Ze konden het erg goed samen vinden. Lodewijk ontwierp graag zelf, wilde over alles beslissen. Le Notre respecteerde dit ten volle. Omgekeerd respecteerde Lodewijk de opvattingen van Le Notre. Eigenlijk een heel bijzondere situatie. Dat er ondertussen talrijke mensen tijdens de uitvoering van de immense werken bezweken, het wordt slechts opgemerkt in een bijzin. ("Thousands would be killed or maimed before the gardens were completed"). Ook dat is bijzonder.

Tagged with:
 

Gaza metropool

On 12 januari 2009, in internationaal, by Zef Hemel

Gelezen in Het Parool van 3 januari, NRC Handelsblad van 4 januari en de Volkskrant van 6 januari 2009:

De Gaza-strook is een stad, zeg maar gerust een metropool. Hij telt 1,5 miljoen inwoners (in 1948, bij de stichting, waren dat er nog 60.000, waar zich 200.000 Palestijnse vluchtelingen bij voegden, een bevolking die in 60 jaar tijd verzesvoudigde), en beslaat een gebied zo groot als tweemaal Texel. De zuidgrens van de metropool is niet breder dan 11 kilometer, de oostgrens een zesvoud daarvan. Gaza is daarmee qua omvang en compactheid vergelijkbaar met de agglomeratie Amsterdam. Het bebouwde gebied bestaat uit slums, krottenwijken. Zo werd Jabalya, een van de vluchtelingenkampen rond Gaza-Stad, onlangs in NRC Handelsblad getypeerd als "een doolhof van nauwe straatjes en armetierige betonnen gebouwen", de Gaza-strook heette daar "een betonnen doolhof", en Gaza-Stad werd omschreven als een "gewelddadige jungle". De oost- en noordgrens van deze jungle bestaat uit hekken, betonnen muren en prikkeldraad – het is de grens met buurstaat Israel. Ook de zuidgrens met buurland Egypte is uit prikkeldraad opgetrokken. Gaza is een gesloten enclave, het tegendeel van een vrijstaat, die open is.

De economie van de Gazametropool werd onlangs in Het Parool als een ”tunneleconomie’ getypeerd. Van import-substitutie – het kenmerk van een stedelijke economie – is geen sprake. Import is namelijk onmogelijk, laat staan importvervanging. En import is, zoals overal, de kurk waar een economie op drijft. Door de Israelische blokkade zitten de grenzen potdicht. De 4000 bedrijfjes in de stadstaat zijn gesloten "omdat ze verstoken bleven van grondstoffen en hun producten niet konden uitvoeren." Sindsdien is 50% van de beroepsbevolking werkloos. De banken zijn gesloten. Contant geld is niet meer in omloop. Tweederde van de import gaat via tunnels onder de grens met Egypte, ze zorgen dat "de waakvlam van de economie" niet ook nog eens dooft. Het zijn er meer dan 120, verspreid over de elf kilometer brede grenszone. Ze bieden werk aan ongeveer 12.000 palestijnen: gravers, chauffeurs en slepers. Van die tunnels zijn er inmiddels tachtig door de Israeliërs gebombardeerd. Dat is omdat er, naast koelkasten, geiten en motorfietsen, ook raketten door werden getransporteerd. En raketten vormen een essentieel bestanddeel van wat er nog over is aan lokale economie. De grootste werkgever van de Gaza-economie is namelijk de afnemer van die raketten – het Quassam-leger van Hamas. Het is een goede werkgever. "Wie geen werk heeft, krijgt een volledig salaris. Wie weinig verdient, krijgt een aanvullend loon." En dat zijn met al die werkloosheid in deze eindeloze slums geen slechte arbeidsvoorwaarden. Quassam telt 6.000 manschappen. "Maar als het moet, kunnen we 20.000 mensen bewapenen." De rest van de economie bestaat uit gezondheidszorg – ziekenhuispersoneel – en buitenlandse hulpverleners.

Om deze gewelddadige stadsstaat te straffen heeft Israel, voor het oefenen van het martelen, bombarderen en terroriseren, de afgelopen jaren een ‘stedelijk gebied’ nagebouwd in de Negev-woestijn. Het heet, eufemistisch, het trainingcentre for urban warfare. Het telt 500 huizen, minaretten, een kasba en ook "een overbevolkt vluchtelingenkamp". Een oefenversie van Gaza-Stad, zeg maar een oefenversie van een te intimederen metropool. 

Tagged with: