That’s how it worked

On 13 december 2021, in boeken, geschiedenis, literatuur, migratie, sociaal, by Zef Hemel

Met Harlem Shuffle (2021) leverde de Amerikaanse schrijver Colson Whitehead een prachtige beschrijving van het oude Harlem, New York, zoals het was in de vroege jaren zestig. Afro-Amerikanen creëerden in het noordelijke deel van Manhattan begin twintigste eeuw hun eigen universum binnen een overwegend vijandige witte wereld waartoe ze kennelijk alleen veilig toegang kregen via het zwarte reisbureau van Black Star Travel, althans dat schrijft Whitehead. Omgekeerd hadden witte Amerikanen geen idee wat er zich precies afspeelde in de lokale zwarte gemeenschap rond 125th Street. Misdaad was in ieder geval alomtegenwoordig. Zelfs hoofdpersoon Ray Carney die een meubelzaak op de centrale winkel- en uitgaansstraat runt, heelt en steelt en huurt als het moet een vuige Pepper in om voor hem moorden te plegen. Maar Harlem Shuffle is meer dan een Amerikaanse misdaadroman, het is vooral een nauwkeurige beschrijving van de levens van de leden van een tamelijk gewoon gezin in West-Harlem, dat het lukt om met twee bescheiden salarissen carrière te maken door een woning te betrekken op het verlopen deel van Riverside Drive. Hoewel, een misdrijf af en toe helpt daarbij. Maar status verwerven kan het gezin alleen op Strivers’ Row, een klein eiland van zwarte welstand ter hoogte van 134th Street – en dan nog; “all it took was a stroll around the corner to remind its residents that they were among, not above.” Iedereen was uiteindelijk gevangen in de alomtegenwoordige armoede.

Ronduit verrukkelijk is de beschrijving van Hotel Theresa, het Waldorf van Harlem. Welke zwarte beroemdheid logeerde er niet? Duke Ellington, Ella Fitzgerald, Fidel Castro, Martin Luther King. In de roman wordt het legendarische hotel de plek van een grote sieradenroof onder leiding van de onbetrouwbare Miami Joe. “Cocktails at the Hotel Theresa were a hot ticket, and Miami Joe often installed himself at the long, polished bar with the rest of the neighborhood’s criminal class, talking shit.” Lees het boek en geniet van de overval en wat er daarna gebeurde, maar luister vervolgens ook naar de podcast over het fantastische hotel gemaakt door Bowery Boys. Op ‘Harlem nights at the Hotel Theresa’ (boweryboyshistory.com) kun je kennismaken met een unieke geschiedenis van een hotel in een New Yorkse zwarte buurt dat in 1913 zijn deuren opende en deze in 1970 definitief weer sloot. In ‘The Death and Life of Great American Cities’ van Jane Jacobs ontbreekt elk spoor van het hotel, al schreef Jacobs relatief veel over de hopeloze situatie in Harlem, maar haar blik is toch die van een witte buitenstaander. Overigens verscheen Death and Life (1961) precies in de historische periode waarop Colson Whitehead zijn literaire pijlen richt. Een reden temeer voor planologen om Harlem Shuffle aandachtig te lezen. En helemaal tot het eind doorlezen alsjeblieft, want dan kijkt Carney ten slotte in de bouwput van het World Trade Center. “The next time he was here it’d be something totally different. That’s how it worked.” En zo is het.

Tagged with:
 

Nog één keer Koyaanisqatsi

On 26 november 2021, in duurzaamheid, film, by Zef Hemel

We wilden de film terugzien om te weten wat we na zoveel jaar ervan vonden. Koyaanisqatsi dateert van 1982. De veertig jaar oude film – zijn we al zo oud? – draaide op een groot scherm in Lab 111. Onze conclusie na afloop: onverminderd actueel, alarmerend zelfs, nee onheilspellend. Regisseur Godfrey Reggio maakte met Koyaanisqatsi een dramatisch epos over een continent – de Verenigde Staten – of eigenlijk de wereld, met de muziek van een van de grootste Amerikaanse componisten – Philip Glass. Muziek en beeld vormen meer dan een uur lang een bloedstollend geheel, volgens Glass zijn ze identiek, Reggio sprak van een dialoog tussen cineast en componist (Philip Glass, Words Without Music, 2015). Beide typeringen kloppen. Want wat een vaart, wat een beelden en wat een muziek! Koyaanisquatsi is Hopi-taal voor ‘het leven uit balans’. En uit balans is het leven. Het openingsdeel van de film heet ‘The Organic’, het tweede deel is ‘The Grid’. Het eerste bestaat uit beelden van de schitterende natuur van het Midden-Westen, het tweede toont het hyperactieve leven in New York, Los Angeles en San Francisco. The Organic en The Grid lijken niet te rijmen.

Toen we weer verweesd de donkere zaal uitliepen zochten we naar een lichtpuntje (en ik naar mijn shawl). Is het echt zo erg? Duiken we in een afgrond? Zijn we met teveel mensen op aarde? Hadden we wel kinderen moeten krijgen? Het spookte allemaal door onze hoofden. M’n filmmaat verwees ik naar m’n nieuwste boek, waarvan hij zei dat hij dat juist aan het lezen was. In ‘Er was eens een stad’ (uitgeverij Pluim) schrijf ik op bladzijd 69 over de Amerikaanse wereldhistoricus John Robert McNeill, die ik in 2008 naar Amsterdam haalde voor het geven van een lezing. Die lezing zou ik een jaar later als thema gebruiken voor het internationale stedenbouwcongres (‘Over Morgen’) dat we in de Westergasfabriek organiseerden. In ‘Cities and the Biosphere’ vertelde hij over de bizarre wending die de geschiedenis van het energiegebruik in de negentiende en twintigste eeuw in de wereld had genomen. Tot 1850 was spierkracht nog dominant geweest, daarna waren er fossiele brandstoffen verschenen, stomend, kolkend, slurpend, brakend. Even bizar noemde hij de geschiedenis van de onstuimige groei van de wereldbevolking en van de wereldeconomie. Verstedelijking werd het allesomvattend thema. Gevraagd naar zijn verwachtingen ten aanzien de komende twintig, dertig jaar gaf hij een antwoord dat ik hier niet herhaal, maar waarvoor ik graag naar mijn boek verwijs (blz 70-71). Want er is hoop, zelfs na het zien van een film als Koyaanisqatsi. En mijn shawl vond ik ook nog terug.

Tagged with:
 

Wetteloze jungle

On 2 juli 2021, in film, by Zef Hemel

Taxi Driver (1976) van Martin Scorsese zag ik pas afgelopen week voor het eerst. In 1976 studeerde ik en was ik kennelijk te druk met andere dingen. Het is een fantastische film. Misschien is het zien van de jonge Robert DeNiro anno 2021 nog wel leuker dan vijfenveertig jaar geleden. Hoofdpersoon is overigens New York. Die stad is volledig uitgewoond, failliet verklaard en kun je feitelijk opvegen. Travis Bickle is een anti-held; hij is juist teruggekeerd van het front in Vietnam en kan niet slapen. Hij zoekt een baantje als taxichauffeur. Eerst denk je nog dat hij de held is, maar dat is hij dus niet. Hij is volkomen getraumatiseerd geraakt in een volkomen zinloze oorlog. Naar wat hij als marinier in Vietnam precies heeft meegemaakt moeten we overigens gissen, maar hij projecteert het op New York. New York is voor hem de jungle. Nachtenlang rijdt hij door de metropool en zelfs daarna kan hij de slaap niet vatten. Hij blijkt er niet meer tegen te kunnen, tegen het vuil, de mensen, de drugs, de prostitutie. Er is een politicus die op straat campagne voert, maar zijn beloftes en slogans lijken volkomen hol en ongeloofwaardig. (Deze Palantine en zijn staf lijken eerder weggelopen uit een dwaas programma van Wim T. Schippers). Eerst prijst hij Palantine als deze toevallig in zijn auto stapt, maar even later besluit hij hem dood te schieten. Beveiligers krijgen hem echter in de gaten. Daarop zoekt hij een andere prooi. Hij wil iets doen. Iets concreets. Een pooier en zijn handlangers.

Travis, de ex-soldaat, wil beginnen met het schoonmaken van New York. Hij wil de held van de film zijn, niet de stad. De stad is ziek. Zijn New York ziet hij als een wetteloze jungle, vol onrecht dat hij niet kan verdragen. Wat een schitterend thema en wat geweldig uitgewerkt in verrukkellijke nachtelijke beelden, ondersteund door fantastische muziek. New York als één groot Red Light District, vergeven van de prostitutie, drugs en criminaliteit. Zoals bekend is dit New York tevens de geboortegrond van Donald Trump, die met zijn vastgoedinvesteringen destijds even concreet wilde bijdragen aan het schoonmaken van de Big Apple. Trump moet in 1976 even oud zijn geweest als Travis Bickle. Van die hele haveloze toestand is vijfenveertig jaar later trouwens niets meer over. New York is aangeharkt, behoort zelfs tot de duurste steden op aarde. Maar niet dankzij Travis Bickle of door toedoen van Donald Trump en ook niet door straf optreden van zijn vriend burgemeester Giuliani (!). Dat moet Martin Scorsese goed hebben begrepen. Ga er niet aan beginnen. Laat het Red Light District voor wat het is. Het verdwijnt vanzelf. Kijk op Netflix naar de gesprekken die hij voert met Fran Lebowitz in ‘Pretend it’s a City’. Stuk voor stuk zijn ze een ode aan New York, aan de stad die zichzelf telkens opnieuw uitvindt. De metropool is de ware held.

Tagged with:
 

Eerst testen!

On 28 december 2020, in boeken, gezondheid, by Zef Hemel

Martin Arrowsmith is hoofdpersoon in een van de romans van Sinclair Lewis. Ik las ‘Arrowsmith’ (1925) bij toeval met de kerst. Een toepasselijker boek kon ik mij achteraf niet wensen. Ik doel op de pandemie en het vaccin. Arrowsmith studeert geneeskunde en voelt zich aangetrokken tot het laboratorium. Zijn grote leermeester is de uit Duitsland gevluchte geleerde Max Gottlieb, die hem inwijdt in de wetenschap. Gottlieb is streng. Zijn finest hour lijkt aan te breken als er een virus rondwaart op de eilanden van St. Hubertus. Mensen sterven bij de vleet. Het door Martin ontwikkelde vaccin komt als geroepen. Maar Arrowsmith is voorzichtig, zijn vaccin is nog onvoldoende getest. Weliswaar reist hij in gezelschap naar de eilanden, maar alleen om testen uit te voeren opdat hij wetenschappelijk betrouwbare uitspraken kan doen. Maar niemand zit op zijn prudentie te wachten. Daarvoor is de nood te hoog, en zijn directe omgeving snakt naar het succes en de roem. Op de eilanden verliest hij zijn vrouw en zijn beste collega’s, die allemaal aan het virus overlijden. Gebroken keert hij huiswaarts. Daar besluit hij zijn carrière af te breken en naar de bergen van Vermont te trekken, waar hij met een vriend proeven gaat doen op muizen. Zuivere wetenschap. Ach arme.

De carrière van Arrowsmith als dokter en onderzoeker begint op het platteland van Dakota nadat hij is afgestudeerd aan de universiteit van Zenith, Winnemac. Stad en staat blijken door Lewis verzonnen. Winnemac, las ik ergens, staat voor “the standardized chain-store state of the midwest”. Geen wonder dat hij er ongelukkig is, net als zijn leermeester Gottlieb, wiens talenten niet worden gezien. Op het platteland van Dakota is het al niet beter. Zijn kansen keren als hij Gottlieb opzoekt in New York, waar men hem een onderzoeksplaats aanbiedt op een privaat gefinancierd laboratorium. Geld speelt geen rol, de concurrentie is moordend, zijn salaris schiet omhoog, hij kan carrière maken, hij mag onderzoek doen met apen, maar als het virus uitbreekt wil zijn manager liefst roem te vergaren. Arrowsmith blijft trouw aan zijn principes. Hij gelooft in echte wetenschap. Succes vindt hij vergankelijk. Zelfs als een nieuwe miljonairsvrouw zich aandient, zwicht hij niet. Hij neemt ontslag, verlaat New York en voegt zich bij zijn vriend Terry Wicket in Vermont. Dat zeg ik, honderd jaar na verschijnen van dit boek is de situatie in de wereld niet wezenlijk veranderd. Lezen dat boek, voordat u zich laat vaccineren.

Tagged with: