Verplichte lectuur

On 27 oktober 2012, in boeken, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Reizen zonder John’ (2012) van Geert Mak:

In zijn nieuwste boek reist Geert Mak de Amerikaanse schrijver John Steinbeck achterna op zijn tocht dwars door de VS, nu vijftig jaar geleden. Ik heb het boek gelezen. De route die Mak in 2011 aflegde is precies die waarover Steinbeck in 1960 publiceerde in zijn reisverhalen gebundeld in ‘Travels with Charley’. Charley, dat was Steinbeck’s hond. ‘Travels with Charley’ was het boek dat destijds de temperatuur opnam van het naoorlogse Amerika en dat Steinbeck’s zwanenzang zou worden. De nu even oude Mak schrijft er vijftig jaar later een nog veel dikker boek over. Te dik, als je het mij vraagt. Om kort te gaan, Steinbeck was al oud, voelde zich depressief, slikte amfetamine en vluchtte min of meer voor zijn vrouw, zijn gestrande huwelijk en zijn twee verloren zonen. Wat voor indruk van Amerika kun je dan als schrijver geven?

Opvallend is dat Steinbeck de grote steden systematisch meed. Volgens Mak verlangde hij terug naar het oude Amerika, het Jeffesonse ideaal van het stoere, eerlijke Amerikaanse platteland. Dat ideaal vond hij overigens niet meer. Over de USA was Steinbeck dan ook ronduit pessimistisch. Mak begrijpt dat achteraf wel. Maar nu, vijftig jaar later, blijkt het nog veel erger te zijn: het Amerikaanse platteland, net als het Russische, het Duitse en het Chinese, loopt leeg, raakt in verval, de mensen trekken naar de grote steden. Mak, die het verval nauwgezet beschrijft, bezoekt slechts een paar grote steden: Detroit, Chicago en New Orleans. Alleen de laatste beschreef ook Steinbeck. Mak zet hiermee de toon, want Detroit kwijnt op dit moment weg en New Orleans is de ramp van orkaan Kathrina nog lang niet te boven. Chicago is bovendien nog even woest als destijds. Daarmee levert Mak een even vertekend beeld van de USA als Steinbeck in 1960. Anders gezegd, wie ‘Reizen zonder John’ leest moet ook ‘Triumph of the City’ van Ed Glaeser lezen. Anders zou je misschien gaan denken dat de Verenigde Staten inboeten aan vitaliteit.

Tagged with:
 

Fraaie nutteloosheid

On 31 mei 2012, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De wil van technologie’ (2012) van Kevin Kelly:

Kevin Kelly, auteur van ‘De wil van technologie’, beschrijft het technium – het geheel van technologieën in de wereld – als een complex systeem met landbouw als basistechnologie, met infrastructuur als goede tweede en met steden als derde belangrijkste technologie. Elke technologie, schrijft hij, streeft naar alomtegenwoordigheid. “Bij de knooppunten van wegen die zich als een wijdvertakte mantel rond de continenten buigen, staan schitterende steden van steen en silicium die de materiaalstromen zo hebben gekanaliseerd dat een groot deel van het technium via hen circuleert.” Kelly spreekt van “rivieren van voedsel en ruwe materialen” die naar de steden stromen en van afval dat er weer uitstroomt. “Iedere bewoner van een ontwikkeld stedelijk gebied verplaatst jaarlijks twintig ton materiaal.” Nog zo’n opmerkelijk gegeven: “In stedelijke gebieden overal ter wereld is de snelheid toegenomen waarmee nieuwe technologieën zich tot het verzadigingspunt verspreiden.” Grote aantallen van een bepaalde technologie doen nieuwe systemen ontstaan die hun eigen dynamiek genereren. “Alomtegenwoordigheid verandert alles telkens opnieuw.”

Binnenkort zullen er op aarde zoveel steden zijn dat vermoedelijk een heel nieuw systeem zal ontstaan. Schrijft Kelly hier iets over? Wel schrijft hij dit: “Een technologie die alomtegenwoordig wordt, verdwijnt meestal uit het zicht.” Daarop noemt hij het voorbeeld van motoren. Eén kamer van zijn huis alleen al bevat twintig motoren. Maar ook elektriciteit, papier en katoen zijn alomtegenwoordig en worden nauwelijks meer opgemerkt. Zullen onze steden ook uit ons bewustzijn verdwijnen? Wanneer Kelly de schoonheid van technologie beschrijft ga je daaraan twijfelen. Oude, gelaagde, complexe steden, schrijft hij, vinden wij het mooist. Jonge steden vinden we steevast lelijk. “De schoonheid van de evolutie heeft ons in haar ban.” Daarom vinden we de natuur doorgaans ook mooi: omdat ze oud, complex en gelaagd is. Technologie, aldus Kelly, wil niet alleen maar nuttig zijn. Ze wil kunst worden, zebwil mooi en nutteloos zijn. Ik moest onmiddellijk denken aan steden als Venetië, Rome, Florence en ook wel Amsterdam. Allemaal steden die als grote kunst ogen, die extreem mooi en tegelijk nutteloos zijn. Elke stad in de wereld streeft naar dat stadium in de technologische evolutie. Kelly: “We zullen lyrisch praten over de charmes van een bepaalde technologie en ons vergapen aan de subtiliteit ervan. We zullen onze kinderen ermee naartoe slepen en de imposantheid ervan zwijgend bewonderen.” Beschrijft hij hier niet gewoon toerisme?

Tagged with:
 

Wat wil het technium?

On 10 april 2012, in technologie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De wil van Technologie’ (2010) van Kevin Kelly:

De auteur Kevin Kelly kennen we van ‘Out of Control’, dat weergaloze boek uit 1994. Nu is er een nieuw boek van zijn hand verschenen: De Wil van Technologie. Ik lees het met rode oortjes. Kort samengevat komt het hierop neer: het geheel van technologieën dat ons omringt – het Technium – is ouder dan de mensheid, het groeit, het groeit steeds sneller en het groeit in een bepaalde richting. Haar eigenschappen lijken op die van de natuur, zij het dat in de natuur soorten uitsterven, terwijl in het technium alles blijft bestaan. Nieuwe technologie bouwt voort op oude technologie, de introductie van nieuwe technologie in een omgeving zonder oude technologie blijkt niet te werken. “Alle complexe, adaptieve systemen met een stabiele zelforganisatie kennen voorbeschikte vormen en karakteristieke gerichtheden.” Technologie dijt uit, stuwt zich voort en niemand die er wat aan kan doen, zelfs de Unabomber niet. “De versnelling van de vooruitgang op lange termijn is te danken aan de groei van het Technium als een soort biologisch systeem.” Alles wat leeft wil zichzelf behouden, zichzelf verbeteren en groeien, en dat geldt ook voor het Technium. Sterker, wij mensen leven in een symbiose met de technologie, die wij niet kunnen verwerpen. Doen wij dat toch, dan is dat een vorm van zelfhaat. We moeten daarom beter luisteren naar de technologie en kiezen voor het onvermijdelijke.

Steden noemt Kelly de grootste technologische constructen die wij mensen maken. Op de schaal van de evolutie is verstedelijking een verschijnsel van zeer recente datum. Tot de laatste twee eeuwen gebeurt er niet veel. “Dan explodeert de bevolkingsgroei, neemt de innovatie razendsnel toe, komt de informatie tot bloei, ontwikkelen de vrijheden zich en heersen de steden.” De wijze waarop steden groeien – rommelig, vanuit krottenwijken – is die van de technologie: het begint met een krakkemikkig prototype, iets wat nauwelijks werkt, daarna volgt de verbetering, de verbeteringen volgen elkaar steeds sneller op. “De stad als geheel is een prachtige technologische uitvinding, die de energiestromen en de denkkracht bundelt in een computerchipachtige dichtheid. Binnen een betrekkelijk kleine omtrek biedt een stad niet alleen woonruimte op een minimum aan oppervlakte, maar produceert ze ook een maximum aan ideeën en uitvindingen.” Dankzij het technische construct ‘stad’ bloeit de informatie en groeit de menselijke vrijheid. De stad is geen Utopia en de menselijke vrijheid is niet onbegrensd. Want, schrijft Kelly, de technologie heeft een eigen wil. Maar daarbinnen kunnen mensen wel uit steeds meer mogelijkheden kiezen. Dat is vrijheid. En dat is wat Kelly met zijn eigen leven doet: zich met technologie omringen die hem de grootst mogelijke keuzeruimte biedt. In de stad, in zijn geval San Francisco.

Tagged with:
 

Ongewoon vitaal

On 26 januari 2012, in demografie, kunst, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 24 november 2011:

Op het verkeerde been gezet door een enorme afbeelding van een schilderij van Rembrandt, vergat ik het bijbehorende krantenartikel te lezen. Echter, de reproductie was weer zo boeiend dat ik het artikel toch uitknipte en bewaarde. Nu las ik het. Het betreft een demografisch onderzoek naar de levensverwachting van kunstenaars in de zeventiende eeuw. Frans van Poppel, Dirk van der Kaa en Govert Bijwaard distilleerden uit 108.000 levensbeschrijvingen in totaal 15.000 Nederlandse kunstenaars, geboren tussen 1500 en 1909. Wat bleek? Kunstenaars geboren voor 1500 werden gemiddeld 63 jaar oud. Vanaf de Gouden Eeuw daalt hun levensverwachting naar zo’n 55 jaar. Die daling zou verband houden met pestepidemieën. "Voor de Zeeuwen duurt de dip het langst, maar die leefden in het algemeen korter, mogelijk doordat ze naast pest, pokken en cholera ook te lijden hadden van overstromingen, malaria en door verzilting vervuild water." Na de zeventiende eeuw constateren de onderzoekers in de levensverwachting weer een stijgende lijn, om na 1850 het eerbiedwaardige getal te bereiken van 70. Begin twintigste eeuw is ze zelfs 75 voor mannelijke kunstenaars respectievelijk 79 voor vrouwen.

Kunstenaars behoorden tot de middenklasse, ze leefden in steden, dicht bij hun clientèle, maar ze behoorden daar niet tot de elite. Tot diep in de negentiende eeuw waren steden demografische ‘zwarte gaten’, ze hadden open riolen, stinkende grachten en zaten vol met ratten en ander ongedierte. Je werd er snel ziek en je ging er vroeg dood. Toch werden kunstenaars gemiddeld ouder dan de elite, die doorgaans leefde op het veel gezondere platteland. Voor de demografen was dit een opzienbarende uitkomst van hun onderzoek. Hoe kan dat nou, in de stad wonen en toch oud worden? Naar een verklaring, zo lees ik, moeten ze gissen. Was het omdat schilders en beeldhouwers zelden ten strijde trokken? Of omdat ze over weinig personeel beschikten, dat dikwijls ziektes overbracht? Ze weten het niet. "Misschien waren kunstenaars wel ongewoon vitaal." Zeker, dat is mogelijk. Maar een andere verklaring is ook denkbaar. Misschien waren de steden om in te wonen, ook toen, zo slecht nog niet. Wel voor de onderklasse natuurlijk, maar niet voor de middenklasse. Dat zou betekenen dat historici hun oren hebben laten hangen naar de mening van de elite, die het land verkoos boven de stad, ver weg van het plebs. Maar dat land was, goed beschouwd, helemaal zo gezond nog niet. Is het denkbaar?

Tagged with:
 

Global Thought

On 13 december 2011, in politiek, by Zef Hemel

Gehoord op 12 december 2011 in Amsterdam:

In de Oude Lutherse Kerk – “Luther, is he present here?” – sprak Saskia Sassen ter gelegenheid van de opening van het Centre for Urban Studies, gevestigd aan de Universiteit van Amsterdam. Sassen is hoogleraar sociologie aan Columbia University, New York. Ze sprak over ‘The Urbanization of Global Networks’. Daarmee bedoelde ze dat in de netwerken die de wereld omspannen steden steeds bepalender worden, soms zelfs bepalender dan landen; immers, sommige steden bevinden zich “at the intersection of multiple mobilities, multiple histories, multiple stories”, soms gaat het ook om meer onzichtbare verstedelijking van mondiale netwerken. Van elke vorm gaf ze voorbeelden en ze hoopte maar dat het publiek dit ten minste als een mogelijkheid wilde aanvaarden. Zo bespeurde ze binnen landen assen van sleutelsteden, voor elk netwerk probeerde ze de bepalende steden te vatten. Voor China waren dat Peking en Hong Kong, volgens haar niet Shanghai. Voor Turkije waren het Istanbul en Ankara. In de Verenigde Staten zijn het New York, Washington en Los Angeles. Chicago voegde ze daar nog aan toe. In Europa noemde ze de as Berlijn-Frankfurt en meende daarmee de nodige controverse uit te lokken. Even later schaarde ze Brussel in het opmerkelijke rijtje. Ze prees de hoofdstad van Europa, vanuit wereldperspectief bezien achtte ze Brussel zelfs “a heroic attempt to develop soft power, unique in its effort,” en: “I wish the world had more of it.” Ten slotte noemde ze de “admirable axis” van Genève, Wenen en Nairobi. Die drie steden deelden volgens haar veel kennis over mondiale armoede, hongersnood en internationale hulpverlening. In haar artikel in Foreign Policy hierover had de redactie ze echter geschrapt. Alle steden die ze noemde beschreef ze als sterren aan het firmament en de stedenassen waren als sterrenbeelden. Er waren duizenden netwerken, zei ze, en in elk netwerk spelen weer andere steden een meer of minder strategische rol.

Steden worden ook in concrete zin steeds bepalender in het politieke en sociale domein. Ze maken nieuwe realiteiten. De Occupy-beweging noemde ze als treffend voorbeeld. Met zijn bezetting van stedelijke pleinen door middel van tenten wist deze beweging een nieuwe politieke realiteit te scheppen, alles heel fysiek want “they enter a territory of global finance and with their encampment they make the political, the social.” Occupy vond ze heel anders dan het gebruikelijke kortstondige demonstreren op straat. Hier werd een nieuwe democratie uitgevonden, sommigen bedreven er urban agriculture, mensen leerden talen, men bracht duurzaamheid in praktijk, en dat alles in de directe nabijheid van Wall Street. Het feit dat stad na stad zich aansloot zonder direct contact vond ze een sterk voorbeeld van het ontstaan van “emergent urban political systems” via mondiale netwerken. Het Tahrirplein in Caïro had model gestaan, zeker, maar de makers hadden er hun eigen betekenis aan gegeven. Occupy, zei ze, liet mooi zien “the capabilities of urban space,” oftewel hoe mensen zonder macht geschiedenis kunnen maken en dingen daadwerkelijk naar hun hand kunnen zetten. Kortom, iedereen opgelet: grote steden, gevat in mondiale netwerken, zijn bezig de wereld snel en ingrijpend te veranderen.

Tagged with:
 

Mensen verleiden

On 21 oktober 2011, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 15 oktober 2011:

Maria Garcia is ‘s werelds beroemdste krantenontwerper. De Cubaanse Amerikaan, 64 jaar oud, werkte in de afgelopen 41 jaar aan de vormgeving van 578 kranten over de hele wereld. Laatst nog voor Het Parool, NRC Handelsblad en AD. Net als planning draait het bij kranten om ‘storytelling’, beweert hij. “De nadruk op storytelling, het vertellen van verhalen, is een constante in mijn werk. Je verleidt de lezer als eerste met een goed verhaal.” Lange verhalen moeten mooi worden verbeeld. Bij elk herontwerp moet ook opnieuw worden nagedacht over de inhoud van de krant. “Drie dingen zijn belangrijk: maak de informatie in je krant eenvoudig te vinden, eenvoudig te lezen en presenteer het attractief.” Mooi is ook zijn observatie dat redacteuren dikwijls conservatief zijn, terwijl lezers juist openstaan voor veranderingen. Al deze raadgevingen kunnen planners in hun zak steken. Planning is immers voor 80 procent communicatie.

Opmerkelijk in het interview dat Jan Benjamin met Garcia in Wenen had, waren zijn uitweidingen over zijn werkwijze. “Ik ben een hardloper. Ik ren door steden waar ik ben voor mijn werk. En dan kijk ik om me heen. Wat ligt er in de vuilnisbakken? Welke kleur gordijnen hebben de mensen voor hun ramen? Die indrukken verwerk ik in mijn ontwerpen.” De krantenontwerper richt zich dus op steden. Net als vroeger horen kranten weer helemaal bij steden, hun identiteit moet daarbij aansluiten. Garcia: “Kranten moeten beter uitleggen wie zij zijn.” Ineens begreep ik de aanstaande verhuizing van NRC Handelsblad naar Amsterdam. Gordijnen hebben de Amsterdammers niet. Maar wat zou Garcia in de Amsterdamse vuilnisbakken hebben aangetroffen?

Tagged with:
 

Intolerance in decline

On 7 september 2011, in politiek, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Day of Empire’ (2007) van Amy Chua:

Misschien omdat mijn jongste broer met vrouw en kinderen deze zomer is verhuisd naar Boston, Amerika, en mijn andere broer met zijn gezin is gaan wonen in Guangzhou, China, lees ik Amy Chua’s ‘Day of Empire’. De ene broer gokt op Amerika, de ander op China en ik geloof nog steeds in Europa. Wie van ons drieën gaat er winnen? Amy Chua, zelf een immigrante, zoekt het antwoord op dezelfde vraag: “how Hyperpowers Rise to Global Dominance – and Why They Fall.” Om kort te gaan, in Europa gelooft ze niet, in China ook (nog) niet, in Amerika wel, want dat is al een ‘hyperpower’. Maar het is niet vanzelfsprekend dat de Verenigde Staten dat ook zullen blijven. De geschiedenis laat immers zien dat imperiale wereldrijken vroeg of laat aan hun einde komen. Dat kan Amerika ook overkomen. De historische les volgens haar is deze: “tolerance on the rise to power and intolerance in decline.”

Verwelkomt Amerika nog wel zijn immigranten? En hoe kan Amerika zijn goede naam behouden in de wereld die het met zijn macht domineert? Die vragen stelde Chua met klem in het jaar dat de regering Bush ten einde liep. “Ironically, it may be that America can remain a hyperpower only if it stops trying to be one,” laat ze daar raadselachtig op volgen. Veroveren met militaire macht zal volgens haar namelijk niet werken. “Instead, the United States would be better off following the formula that served it so well for more than two hundred years. Daarmee doelt ze op het bouwen van open, tolerante, multiculturele steden. Haar grote voorbeeld is Rome, of beter, het Romeinse Rijk. Dat was georganiseerd rond de stad, de polis. Overal waar de Romeinen kwamen, gingen deze over tot stadsstichtingen, tot het bouwen van nieuwe steden. “The empire’s great cities, such as Rome or Alexandria, were as polyglot and pluralistic as New York or London today.” De Verenigde Staten zouden ook weer multiculturele steden moeten bouwen door hun grenzen open te stellen voor getalenteerde mensen uit de hele wereld. Doet ze dat niet en sluit ze mensen buiten, dan zal ze diep vallen, net zoals Rome destijds is gevallen. “It was precisely when the empire sought to maintain the ‘purity’ of Roman blood, culture and religion that Rome spiraled downward into disintegration and oblivion.” Nederland, hoewel allerminst een ‘hyperpower’, zou er wat van kunnen leren.

Tagged with:
 

Energiek

On 20 juli 2011, in duurzaamheid, participatie, planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘De energieke samenleving’ (2011) van Maarten Hajer:

Op de dag dat politiek Den Haag met reces ging, verscheen ‘De energieke samenleving’ van PBL-directeur Maarten Hajer. Het boekje schetst een nieuwe sturingsfilosofie voor de overheid, gericht op het schoner maken van de Nederlandse economie. Zoals iedereen weet is de ecologische voetafdruk van Nederland veel te groot. Als de hele wereld zou leven zoals wij, dan zouden er bijna vijf planeten aarde nodig zijn. Er moet dus iets gebeuren. Hoe bereiken wij een duurzame samenleving? In de klassieke sturingsfilosofie stelt de overheid de vraag: ‘wat is er aan de hand?’ Vervolgens voorzien ingenieurs haar van technische oplossingen (‘Wat kunnen we eraan doen?’), die door economen worden gewogen (‘Wat is doelmatig?’). De samenleving is dan min of meer ‘object’; zij veroorzaakt problemen en moet daarom worden bijgestuurd. Een dergelijke filosofie, aldus Hajer, maakt onvoldoende gebruik van de energie en denkkracht in de samenleving: burgers, bedrijfsleven, gemeenten willen best aan de slag, maar de rijksoverheid verhindert dat, druk als ze is met technische en financiële oplossingen verzinnen. Niet dat het zonder de overheid beter zal gaan, integendeel, maar de overheid moet zich heel anders in dit soort kwesties opstellen. Ze moet heldere doelen stellen, maar vervolgens ruimte creëren voor andere partijen. “Hierbij passen ambitieuze streefbeelden die robuust zijn in de tijd, prikkels, en een wens om continu te leren.” Hajer spreekt van een ‘radicaal incrementalisme’.

Hajer beschouwt de stad als startpunt in het nieuwe denken. Niet alleen is de stad een kristallisatiepunt van menselijke activiteiten, ze vervult ook een cruciale rol in ons ‘sociaal metabolisme’: “de grote stromen van hulpbronnen lopen via de steden en de steden zijn verantwoordelijk voor een significant deel van de emissies die de samenleving produceert.” Bovendien, stelt hij, is in de stad de maatschappelijke dynamiek maximaal. In de stedelijke planning zal de patstelling tussen de visies van de planner-ingenieur aan de ene kant en die van de burger-gebruiker aan de andere kant moeten worden doorbroken. Minder nadruk op infrastructuur, minder formele, op financiering georiënteerde planning, daarentegen veel lichtere planningsattitudes, met veel meer ruimte voor spontane initiatieven. “De overheid wil iets van de regionale steden. Deze steden zullen in staat moeten zijn veel economische dynamiek te genereren, ze zullen aantrekkingskracht moeten hebben op burgers en bedrijven, ze zullen burgers moeten uitdagen maar hen ook een gevoel kunnen geven van geborgenheid. Steden zullen ook zo moeten functioneren dat ze zo min mogelijk energie gebruiken, dat de aanwezige onbenutte energie (restwarmte, afval, secundaire grondstoffen die in gebouwen en infrastructuur terecht zijn gekomen) wordt afgetapt. Daar liggen opgaven die de overheid zal moeten formuleren, waarna het aan de stedelijke samenleving zelf is ermee aan de gang te gaan.” Voor steden bestaat geen blauwdruk, alleen een collectieve zoektocht. De rijksoverheid moet dit mogelijk maken. Dat is de boodschap van de directeur van het Planbureau. Jammer dat politiek Den Haag al met vakantie is.

Tagged with:
 

Hardnekkig misverstand

On 17 juni 2011, in economie, geschiedenis, innovatie, by Zef Hemel

Gelezen in NRC Handelsblad van 29 maart 2011:

Genetici en antropologen van Stanford University en van San Francisco hebben onlangs uit DNA van 425 mensen, verspreid levend over Europa, achterhaald waar hun oermoeder moet hebben geleefd en hoe groot de populatie was waarin deze leefde. Opzienbarend onderzoek, maar niet opzienbarend in de uitkomsten. Ze publiceerden het afgelopen maart. In NRC stond een kort toelichtend artikel. Daarin lees ik dat het onderzoek eerdere hypothesen bevestigt die stellen dat er drie brongebieden waren vanwaaruit de landbouw zich over de wereld verspreidde: het Nabije Oosten, China en Midden-Amerika. “Tot zo’n 12.000 jaar geleden leefde iedereen van jagen en voedsel verzamelen. Na die tijd begint de mens op verschillende plaatsen tegelijkertijd met de teelt van gewassen en vee.” Dit ontketende de eerste grote bevolkingsexpansie. Boven het artikel staat de kop ‘Met de boer begon de expansie’. Op zichzelf is dat juist, al had de kop beter kunnen luiden: ‘Met de stad begon de expansie’. De boer is namelijk een uitvinding van de stad. Want waren het wel jagers en vissers die de grote innovatie van de sedentaire landbouw uitvonden? Het artikel doet voorkomen van wel: “Namen jagers-verzamelaars landbouwinnovaties, zoals veeteelt, het wonen in dorpen en het gebruik van aardewerk en geslepen bijlen over? Of werden zij overspoeld door succesvolle landbouwers?” Er zijn aanwijzingen dat het veeleer steden waren die zorgden voor verspreiding. De drie brongebieden zijn namelijk alle drie gebieden waar de sporen van de oudste steden ter wereld zijn aangetroffen.

Het is een hardnekkig misverstand. Iedereen denkt dat steden zich pas vormden na de uitvinding van de landbouw. Het is andersom. Ver voordat de landbouw werd uitgevonden, schreef Jane Jacobs reeds in 1969, leefden mensen al in dorpen bijeen. Ook werd er al handel gedreven tussen deze dorpen van jagers-verzamelaars, dikwijls ook over grote afstanden. Dus hoe kon landbouw ontstaan als al deze zaken allang aanwezig waren? Dat kon eigenlijk alleen maar doordat er zich steden vormden die landbouwtechnieken ontwikkelden. Met die nieuwe technieken konden ze hun ommeland bewerken, de voedselproductie opvoeren, meer handel drijven en zelf verder groeien. Jacobs in The Economy of Cities (1969): “The idea that agriculture itself may have originated in cities, the thought to which I have been leading, may seem radical and disturbing. And yet even in our own time, agricultural practices do emerge from cities.” Waarna Jacobs concludeert: “Rural production is literally the creation of city consumption. That is to say, city economies invent the things that are to become city imports from the rural world, and then they reinvent the rural world so it can supply those imports. This, as far as I can see, is the only way in which rural economies develop at all, the dogma of agricultural primacy notwithstanding.” Daarmee is ook de puzzel van de verspreiding van de vroegste landbouwinnovaties opgelost: niet succesvolle landbouwers of jagers-verzamelaars waren daarvoor verantwoordelijk, maar succesvolle steden.

Tagged with:
 

Gelezen in Aerotropolis (2011) van John Kasarda:

Ik twitterde het al: wat een grappig boek. Het betreft ‘Aerotropolis’ van John Kasarda. De veelzeggende ondertitel luidt: The Way We’ll Live Next’. Het boek gaat over de kracht van luchthavens en hoe ze in de eenentwintigste eeuw hele stedelijke regio’s zullen vormgeven. Typisch een boek voor mainport-believers en ontwikkelaars als meneer Poot van Chipshol: mensen die geld ruiken en die een goed verhaal nodig hebben om anderen in hun geldbeluste avonturen te doen geloven. Tegelijk met het lezen van het boek zelf lees ik gretig alle recensies van het boek in de kwaliteitskranten van over de hele wereld. Die in NRC Handelsblad vond ik matig want kritiekloos, typische lekenpraat van een slecht ingevoerde journalist; daarin wordt de Randstad geportretteerd als een luchthavenregio avant la lettre. (Laat ze op het Ministerie van Infrastructuur niet lezen!) Dodelijk. Die in de Guardian was al beter. “P.D. Smith gets a worrying glimpse of a frenetic, gaz-guzzling future.” Smith vergelijkt het boek met The Sleeper Awakes (1899) van H.G. Wells. Zijn tegenwerping is even eerlijk als verhelderend: “But to be successful, cities have to offer so much more than docks and terminals.” En in The Independent trekt Jay Merrick een analogie met de vorig jaar overleden science fiction-schrijver J.G. Ballard, want ook hij is allerminst overtuigd. Wat zeg ik? “The book fails, quite profoundly, to adress the existential challenges that these places without placeness will trigger.” De Nederlandse kunstenaar Constant Nieuwenhuys haalt hij aan om het dystopische toekomstbeeld van Kasarda met een ferme streek van tafel te vegen. In diens Nieuw Babylon zouden alle mensen constant reizen. Afschuwelijk. “There would be no need for them to return to their point of departure as this in any case would be transformed.”

Het ergste is de onbeschaamde ontkenning door Kasarda van de schending van alle leven op de planeet aarde. Daarvoor haalt Merrick in zijn recensie nogmaals Ballard aan. Diens ‘darkness’ leest hij terug op bladzijde 358 van Aerotropolis, in een zinsnede die dezelfde beklemmende utopische lading bevat als die Ballard juist als gemene satire ooit bedoelde. Kasarda bestaat het om glashard te beweren: “The implicit promise of a sustainable world is one in which six and a half billion people – or in forty years, nine billion – live like Americans, only with no penalty to the planet.” Schiphol zou het kunnen beweren. Dodelijk, nietwaar? Of grappig? Nee, schandelijk!

Tagged with: