Beschrijvende stedenbouw

On 13 december 2009, in planningtheorie, by Zef Hemel

Gelezen in S&RO nr. 6 van 2009:

Vrijdagavond moet ik spreken voor de Amsterdamse afdeling van de PvdA over de metropoolregio Amsterdam. En kijk, wat er in mijn brievenbus valt: een nieuw nummer van S&RO, gewijd aan regionaal ontwerpen. Met de komst van de nieuwe hoofdredacteur Jaap Modder krijgt dit vaktijdschrift het oude niveau terug. Dat merk je al aan dit nieuwste nummer. Regionale planvorming, zoals Hajer, Sijmons en Feddes een aantal jaren geleden in ‘Een plan dat werkt’ opmerkten, is "het Wilde Westen van de ruimtelijke ordening" en dat geldt al helemaal voor het regionale ontwerp, nog steeds. Met deze gedachte in het achterhoofd kun je de bijdragen aan het nieuwste nummer van S&RO goed relativeren, wat wel nodig is, want sommige auteurs nemen het werkveld erg serieus. Eén bijdrage steekt er met kop en schouders bovenuit. Die is van twee medewerkers van de TU Eindhoven, Michiel Dehaene en Bart de Zwart. Het zou me niet verbazen wanneer ze een Vlaamse achtergrond hebben, want ze kijken met een prettige distantie naar de ‘Nederlandse discussie’, die is aangezwengeld en gepredisponeerd door een technocratische Haagse nota, ‘Een cultuur van ontwerpen’.

Dehaene en De Zwart zoeken naar wat er schuilgaat achter de behoefte van de rijksnota om het regionale ontwerpen op de agenda te krijgen. Ze onderscheiden een coördinerende en een articulerende werking van regionale ontwerpen. Het valt ze op dat er in Nederland goed te spreken valt over de eerste, maar veel lastiger over de tweede. De belangrijkste verklaring die ze hiervoor aanvoeren is de sterk gewortelde planvormingstraditie in Nederland die "wel eens een obstakel (zou) kunnen zijn voor de ontwikkeling van een descriptieve ontwerppraktijk." De institutionele machinerie die wij kennen heeft geen behoefte aan een reflectieve methode. "Het is daarbij niet ondenkbaar dat er in de nationale ruimtelijke ordening een zekere mate van amblyopie is opgetreden – een lui oog – ten aanzien van dit specifieke beschrijvende aspect van ruimtelijke planning." (…) Is dit erg? Jazeker, het narratieve aspect is nodig om beleidskwesties te framen, te agenderen en te profileren. "Planning is in deze betekenis een activiteit die gaat over het overtuigend vertellen van verhalen over de toekomst." De auteurs verwijzen hier naar het werk van de Amerikaan Throgmorton, die ook furore maakt aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij bij Politieke Wetenschappen een tijd heeft meegelopen. Het sterke oog, dat is de op besluitvorming gerichte planvorming. Dat jaagt maar en dat jaagt maar en verliest zichzelf in projecten en besluiten. "Misschien moet dit sterke oog van de Nederlandse planvorming zo nu en dan wat afgeplakt worden. De blik op de regio kan enkel aan dieptezicht en scherpte winnen wanneer het beschrijvend oog naderhand zich steeds minder laat overvleugelen."

De nieuwe hoogleraar Politiek en Ontwerpen aan de TU Delft, zelf erg gepreoccupeerd door Zuidvleugel-beslommeringen, zou zijn licht eens moeten opsteken in Eindhoven en in Amsterdam. Daar kan men hem verder helpen.

Leave a Reply