Sportieve rivalen

On 3 februari 2012, in sport, by Zef Hemel

Gelezen in The Atlantic van 2 februari 2012:

Amerikanen zijn gek van sport, dat is bekend. Sommige Amerikaanse steden zijn nog extremer als het aankomt op sport en sportbeoefening dan andere. Tijdens mijn korte verblijf in Boston, Massachusetts, viel het me al op. Alles lijkt in die stad aan de Oostkust te draaien om wedstrijden, clubs, stadions en toernooien. De lokale aanhang beweegt mee met het seizoen. In de winter is ijshockey favoriet en loopt iedereen uit voor de Boston Bruins; ‘s zomers is het eerder honkbal en basketbal, en staat heel Boston in het teken van de Patriots en de Boston Celtics. Ook de universiteiten hebben hun eigen studentenclubs en hun eigen stadions. Het stadion van Boston College is bijvoorbeeld groter dan de Ajax Arena in Amsterdam. Prijzenkasten beslaan er hele verdiepingen en iedereen eert de lokale helden. Sportheld ben je hier voor je hele leven. Hoe anders is dat bij ons.

In het nieuwste nummer van The Atlantic wijst de Amerikaanse econoom Richard Florida op het feit dat sport sterk gebonden is aan de grootste steden. De verschillen tussen steden zijn, als het aankomt op sport, echter veel extremer dan als het gaat om economie of cultuur. De ene stad presteert uitzonderlijk, terwijl de andere nauwelijks meetelt. Zo ontdekte Florida dat de zone Boston-New York-Washington veruit de kroon spant als het gaat om het winnen van kampioenschappen, de zone van Chicago-Detroit-Cleveland-Pittsburgh blijkt een goede tweede. Nummer drie en vier zijn al veel kleiner. Nee, de sportprestaties blijken tussen steden zeer ongelijk verdeeld. De Amerikaanse topsport wordt beheerst door de rivaliteit tussen het kleine Boston en de reus New York. Die rivaliteit verwijst ver terug in de Amerikaanse geschiedenis, toen de twee steden nog wedijverden om de macht binnen de jonge Republiek. In de afgelopen jaren was het Boston dat zijn grote buur aftroefde. Ja, dat is sport: een sportstad kun je niet maken door een stadion te bouwen en een club financieel te ondersteunen. Die sportieve status heeft hele sterke historische wortels, aardend in een geschiedenis van stedelijke macht en rivaliteit.

Tagged with:
 

Knowledge City

On 19 januari 2012, in economie, stedelijkheid, by Zef Hemel

Gelezen in ‘’Triumph of the City’ (2011) van Ed Glaeser:

Boston beschikt niet alleen over een enorme concentratie culturele instellingen in Fenway, de concentratie ziekenhuizen, even boven Roxbury, is al even indrukwekkend. Zelden zag ik zoveel ziekenhuizen op zo’n klein oppervlak bij elkaar. Het is kenmerkend voor de stad; welbeschouwd bestaat ze uit talrijke gespecialiseerde campussen. Die rond de ziekenhuizen stamt uit de zeventiende eeuw, toen de medici van Harvard Medical School autopsieën pleegden in het kapelletje in Harvard Yard. Ed Glaeser schrijft in ‘Triumph of the City’ niet zonder plezier dat hij in dat kapelletje tegenwoordig les geeft. De Harvard-econoom gebruikt de geneeskunde als voorbeeld van de heruitvinding van Boston in de twintigste eeuw, toen de stad zich noodgedwongen moest oriënteren op haar vele onderwijsinstellingen nadat de industrie de stad had verlaten. De biomedische economie in Boston is een regelrechte spin off van deze succesvolle stedelijke politiek. Boston Scientific, ooit begonnen in Watertown, was een kweekvijver voor nieuwe bedrijfjes als Biogen en Genzyme. Novartis kwam naar Boston om talent aan trekken en vestigde zich in de voormalige snoepfabriek in Cambrigde (Necco Wafers), dicht bij MIT. Boston produceert niet alleen extreem veel medisch talent, de stad haalt zijn zieken ook van ver, geneest ze en zendt ze weer naar huis. Boston, aldus Glaeser, exporteert gezondheid op wereldschaal.

Een stedelijke structuur van campussen heeft niet alleen maar voordelen. Er zijn ook nadelen. Een nadeel is bijvoorbeeld dat er van een stedelijk centrum feitelijk geen sprake meer is. Het centrum van Boston lijkt te ontbreken. Het historische centrum heet nu financieel district – een gebied waar buiten kantoortijden eigenlijk niemand meer komt. De toeristenbussen, op zoek naar de begraafplaats van John Winthrop, rijden er door bijna lege straten. Als er van een centrum nog sprake is, dan lijkt die te liggen ten westen van Boston Common. Eigenlijk geldt dat voor elke campus: slechts op bepaalde tijden is het er levendig en druk, daarbuiten is het er uitgestorven. Om het stedelijk leven te ervaren moet je goed weten waar je op dat moment moet zijn en zit je voortdurend in de auto, op weg naar de plek waar het gebeurt. Het studentenleven speelt zich geheel af op de campussen, waardoor de rest van de stad feitelijk niets van dit opwindende uitgaansleven merkt en er ook allerminst van profiteert. Het lijkt een econoom als Ed Glaeser allemaal niet te deren. Hij geeft er les, maar woont elders, vermoedelijk net als zijn collega’s ver buiten de stad. Dat is het grootste, wèl erkende probleem van Boston, namelijk dat het verkeer op alle autowegen in en rond de stad in de spitsuren vast staat. Boston produceert extreem veel verkeer.

Tagged with:
 

Athens of America

On 12 januari 2012, in cultuur, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The Death and Life of Great American Cities’ (1961) van Jane Jacobs:

Fenway Cultural District in Boston bevat de grootste concentratie culturele instellingen van Groot-Boston. Het culturele kwartier ligt tamelijk ver buiten het historische centrum, ten zuiden van Back Bay Fens, naast het door Olmsted midden negentiende eeuw ingerichte park. Eigenlijk begint het al met de openbare bibliotheek uit 1852 van McKim aan Copley Square. Als je vervolgens Huntington Avenue – ‘Avenue of the Arts’ – afloopt kom je ze allemaal tegen: Boston Symphony, Huntington Theater Company, het ‘Theater District’, het conservatorium, Museum of Fine Arts. Ben je bij de laatste dan ben je al ver buiten het bereik van het oude centrum; je moet de Green Line nemen om weer in de oude stad te komen; lopen is te ver. Onwillekeurig moest ik denken aan het Museumpleinkwartier: ook zo’n negentiende eeuwse concentratie van musea en culturele instellingen buiten het historische centrum, gekoppeld aan het Vondelpark en natuurlijk aan het Museumplein zelf. In een van de laatste nummers van Plan Amsterdam analyseert stedenbouwkundige Maurits de Hoog deze en andere Amsterdamse ‘culturele clusters’ en hoe ze in hun omgeving zijn opgenomen. Hij telt in totaal negen clusters, alle heel verschillend, de meeste gelukkig nog altijd in de binnenstad. In Boston is dat anders, daar heeft men midden negentiende eeuw juist alle culturele instellingen naar buiten verplaatst. Hieraan dankte de stad destijds zijn reputatie van ‘Athens of America’. Echter, het gevolg was dat de binnenstad van Boston langzaam doodbloedde. Het werd een saai Central Business District, later, in de twintigste eeuw, ook nog eens doorsneden door een autosnelweg, die pas onlangs onder de grond is gewerkt.

Jane Jacobs noemt Boston in ‘The Death and Life of Great American Cities’ de eerste Amerikaanse stad die voor zichzelf een cultureel district bouwde. Een ‘Committee of Institutes’ bedacht in 1859 een ‘Cultural Conservation’ -kwartier ver buiten de binnenstad, waar naar het voorbeeld van het oude Athene uitsluitend culturele instellingen zich mochten vestigen. De bouw ervan, merkt Jane Jacobs op, viel merkwaardigerwijze juist samen met de geleidelijke culturele neergang van de stad. “Whether the deliberate segregation and decontamination of numerous cultural institutions from the ordinary city and ordinary life was part of the cause of Boston’s cultural decline, or whether it was simply a symptom and seal of a decadence already inevitable from other causes, I do not know. One thing is sure: Boston’s downtown has suffered miserably from lack of good mixtures in its primary uses, particularly good mixing in of night uses and of live (not museum-piece and once-upon-a-time) cultural uses.” Waarom de culturele instellingen in de stad clusteren? Dat is meestal dood in de pot. Het worden dan toeristische eilanden. Voor een levendige cultuur moet je ze juist mengen en spreiden. Jacobs vermoedt dat het te maken had met de financiering: de elite wil cultuur alleen financieren wanneer deze niet kan worden ‘besmet door andere functies. Haar advies is echter dit vooral niet te doen. Bouw geen ‘museumparken’, maak geen culturele concentraties, maar verdeel ze juist over de stad. Het heeft even geduurd. Pas onlangs is Boston begonnen nieuwe musea (ICA, Children’s Museum) aan de zuidkant van de binnenstad te bouwen.

Tagged with:
 

Inside Akademgorodok

On 11 januari 2012, in plekken, politiek, wetenschap, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Red Plenty’ (2011) van Francis Spufford:

Deel III van Francis Spufford’s ‘Red Plenty’, gewijd aan de Sovjet-droom van overvloed voor iedereen, speelt zich af in het Novosibirsk van begin jaren ‘60, in het Siberische deel van de voormalige Sovjet-Unie. De stad blijkt onder Nikita Kroetsjov te zijn omgedoopt in een heuse ‘Science City’: een wetenschapsstad voor hoofdzakelijk Sovjet-ingenieurs. Is het toeval dat ik het boek uitgerekend las in Boston, Massachusetts? Van Kroetsjov is bekend dat hij de Amerikanen zeer bewonderde; tegelijk wilde hij de machtige USA naar de kroon steken. Groeicijfers van boven de 10 procent gebruikte hij om de angst voor de Sovjet Unie aan te wakkeren; weldra zou de Sovjet-economie groter en machtiger zijn dan die van de Verenigde Staten. Novosibirsk moest de tegenhanger worden van Boston – een zeldzame clustering van wetenschappelijk talent rond machtige universiteiten en instituten, alles gesitueerd in een aantrekkelijke omgeving. Kan je zo’n ‘Akademgorodok’ werkelijk toveren uit het niets? De Sovjets meenden van wel. Boston is het bewijs van het tegendeel.

Spufford voert een jonge biologe op, die in 1962 door haar instituut vanuit Leningrad naar Novosibirsk wordt gestuurd. Wat is haar eerste indruk? “Mud was winning so far. Living in Leningrad, unfortunately, made a visual snob of you. If you were used to the casual beauty of the old capital, there was not much to get excited about in what she’d seen today. The flats were flats, no different from the blocks going up on muddy fields everywhere, and the institutes were standard lumps of public architecture, nondescript and undecorated.”  Eten is er in overvloed, dat wel, er wordt gefeest en je mag bijna alles zeggen, zelfs hardop; de zomer is er bovendien warm. Met nieuwe vrienden bezoekt ze ‘s avonds het woonhuis van een geleerde. Er is feest. “This was what an American suburb looked like, more or less. Here, in the middle of a Siberian wood, as a rewards to its geniuses, the Academy of Sciences had apparently recreated a piece of the good life as defined far, far away, on the world’s other shore.” Zeg maar, zoiets als Brookline, Boston. Haar kennismaking eindigt ‘s nachts achterin een auto die de jonge wetenschappers aflevert bij een breed water. “The path crossed a railroad track on a foot bridge, and became stairs, splitting and recombining at a descending series of concrete platformslike an outdoor sketch of the grand staircase into a ballroom. At the bottom, she stepped, disbelieving, onto sand. It was, indeed, a beach, dim and pale, under an abruptly wide sky just beginning to blush with colour.” Eerst denkt ze nog dat het een reservoir is, maar haar vrienden weten beter. Het is de rivier de Ob die hier tot grote afmetingen is opgeblazen: 60 kilometer lang, 20 kilometer breed en 10 meter diep. Het water had de allure van een heuse binnenzee. “Nature moulded like putty by the builders of socialism.” U voelt het al aankomen: dit gaat niet goed. Een wetenschapsstad kan je niet zomaar maken, ook niet als je de natuur een handje helpt.

Tagged with:
 

Walden

On 10 januari 2012, in filosofie, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Walden’ (1854) van Henry David Thoreau:

Even buiten Concord, Massachusetts, ontmoette ik Henry David Thoreau. Hij zat er in zijn cabin, dicht bij Walden pond. Het kacheltje brandde. Het was nieuwjaarsdag. Het bleek om een goed gecaste toneelspeler te gaan, een sympathieke figuur en een echte kenner van het werk van de filosoof en schrijver, hij zat in een replica van Thoreau’s hutje bij de parkeerplaats aan de oever van de vijver. Je mocht hem vragen stellen. Waar hij vandaan kwam? Uit Concord. Hij was er geboren en getogen. Zijn vriend en mecenas Ralph Waldo Emerson, die kwam uit Boston, voegde hij er ongevraagd aan toe. Hun ontmoeting was er eentje geweest van ‘de juiste personen op het juiste tijdstip op de juiste plaats’. Beide waren transcedentalisten: aanhangers van de filosofische stroming die zich keerde tegen tradities en conventies, daarbij gedeeltelijk steunend op het bovenzinnelijke. Emerson had zich gevestigd in Concord. Waarom verkoos Thoreau te leven in zo’n erbarmelijk hutje? Wees hij de grote stad (Boston) of zelfs een stadje als Concord van de hand? Thoreau repliceerde dat hij niet wereldvreemd was, hij was allerminst een provinciaal. Hij had gestudeerd aan Harvard.“Bovendien, je hoeft niet te reizen of te leven in de grote stad om de wereld te kunnen doorgronden. Zelfs fotografie en kunst zijn niet nodig.” En waren de mensen in Concord zelf niet een beetje vreemd? Nee, van hen viel niet veel te leren. De echte leermeester voor de mens is de natuur.

Twee jaar leefde Thoreau in zijn zelfgebouwd cabin aan de oever van de Walden pond. Hij schreef er een oprecht en geestig boek over, dat pas na zijn dood faam zou verwerven. Rakelings langs zijn hutje scheerde de trein naar Boston. De plek, besefte ik ineens, was destijds al verre van idyllisch. Bijna een heel hoofdstuk wijdde Thoreau aan deze trein (‘Geluiden’). En wat te denken van de volgende overpeinzing?: “Eén brok gezond verstand zou herdenkenswaardiger zijn dan een zuil zo hoog als de maan. Ik zie stenen liever op de plaats waar ze horen.” Hij bedoelde, stenen horen thuis in de natuur. Om dat laatste te schragen schreef hij: “De grootsheid van Thebe was van een ordinaire soort. Een kleine gestapelde muur van veldkeien die iemands tuin begrenst, is zinvoller dan een Thebe met honderd poorten dat steeds verder is afgedwaald van het ware levensdoel.” Wat is dan het doel van het leven? Niet bouwen in ieder geval. Het geloof en de kunstzin van bouwers zijn één pot nat. “De oorsprong is ijdelheid, bijgestaan door de liefde voor knoflook en boterhammen.” Waarom bewonderen de mensen dan al die monumenten? Om te achterhalen wie ze gebouwd hebben, vermoedde Thoreau. “Ik daarentegen zou willen weten wie in die dagen er niet aan mee deden, wie zich te goed voelden voor zulk gebeuzel.” Thoreau deed me denken aan Steve Jobs. Beiden wars van spullen, beiden vegetariër, beiden gericht op het individu, beiden met een grote liefde voor eenvoud. Het huis van Jobs in Los Gatos, Silicon Valley, was ook vrijwel leeg (John Sculley: “It was as if his house has been abandoned); het had de allure van een cabin (Sculley: “The visit triggered a vivid recall of my frantic and Spartan life in a cluttered New York City apartment that stank of stale pizza and had only the most basic furniture.”). Net de cabin van Thoreau. Beiden, kortom, product van een grootstedelijk milieu.

Tagged with:
 

Federated Metropolis

On 9 januari 2012, in geschiedenis, politiek, regionale planning, by Zef Hemel

Gelezen in ‘The American City’ (1979) van Francesco Dal Co e.a.:

In Boston bezocht ik ‘Fairsted’, het woonhuis van landschapsarchitect Frederick Law Olmsted. Het werd juist opgeknapt. Jammer voor mij. Olmsted woonde er van 1883 tot 1895, dus tot aan zijn pensionering. In een brievenbus lagen folders over zowel Fairsted als Olmsted. Van beide nam ik eentje mee. Toen ik ze las ging ik haast denken dat het imposante parkensysteem van Boston in de eerste plaats te danken was aan Olmsted, maar niets is minder waar. Olmsted was slechts de vormgever. Zijn verhuizing van New York naar Boston kwam voort uit de grote opdracht om de ‘Emerald Necklace’ voor Boston te ontwerpen. Die opdracht had hij te danken aan zijn collega en latere compagnon Charles Eliot. Eliot was in Boston de grote promotor van het idee om voor de metropolitane regio een parksysteem te ontwikkelen. En Eliot was een invloedrijkrijk man. Niet dat hij het hele idee zelf verzon. Dat gaat terug op Robert Morris Copeland, die in 1872 in ‘The Most Beautiful City in America’ voorstelde het vraagstuk van de afwatering en watervoorziening te gebruiken om Boston met parkengordels te verfraaien.

Copeland, Eliot, Olmsted, in die volgorde dus. Uiteindelijk was het echter Sylvester Baxter die de realisering mogelijk maakte. Baxter was ambtenaar in dienst van de gemeente Boston. In 1891 publiceerde hij een klein boekje, getiteld ‘Greater Boston’, waarin hij voorstellen deed voor een gemeentelijke reorganisatie die de realisering van de parkengordel en alles wat daarbij hoorde mogelijk moest maken. Negen jaar daarvoor was Baxter secretaris geworden van de Boston Metropolitan Park Commission; Eliot was in die commissie de ontwerper. Zij – Baxter en Eliot – waardeerden de ‘Emerald Necklace’ van Olmsted, een ontwerp uit de midden jaren ‘’70 – op tot een metropolitaan systeem en bouwden het uit tot een geïntegreerd regionaal ontwerp, inclusief wegen en spoorlijnen. Baxter schreef over de noodzaak van een ‘federated metropolis’. Het was Baxter die de organisatie regelde om het gedachtegoed van de ontwerpers mogelijk te maken. In 1919 kon hij terugblikken op een uitzonderlijk resultaat: 7400 acres land verworven, 59 mijl parkwegen aangelegd, 57 mijl rivieroever ingericht, dit alles tegen een budget van 21 miljoen dollar. Zonder Baxter was het allemaal niet gelukt. Al moet gezegd dat de ambtenaar sterk profiteerde van een ontvankelijk politiek klimaat, door Dal Co in ‘The American City’ toegeschreven aan de sterke religieuze invloed van de Puriteinen die zich sterk bekommerden om stedelijke vraagstukken. “Boston was thus a sort of laboratory where the many and diverse components of the progressive impulse were brought together and where they acquired considerable influence on public opinion and the municipal government and promoted administrative reforms.” Zonder de bevolking gaat het niet, in een democratie tenminste.

Tagged with:
 

De stad als een tuin

On 5 januari 2012, in cultuur, natuur, stedenbouw, by Zef Hemel

Gezien in Boston, Massachusetts, tussen kerst en oud en nieuw in 2011:

Alle 6.000 trouwe volgers van ‘Vrijstaat Amsterdam’ wens ik een gelukkig nieuwjaar! Ik ben weer in het land. Maandagavond 9 januari 2012: De Tafel van 5 #8,  ter gelegenheid van 5 jaar Pakhuis De Zwijger. Er wordt daar gesproken over de toekomst van Amsterdam. Wat moet er de komende 5 jaar gebeuren met de stad? Ik ben uitgenodigd deel te nemen aan het gesprek. Hierbij alvast een hint. Hoop dat ik duidelijk ben. Geïnspireerd uiteraard door mijn bezoek aan Boston, Massachusetts.

Tagged with:
 

A purpose, not a plan

On 16 december 2011, in muziek, by Zef Hemel

Gelezen in Lapham’s Quarterly 2010 nr 4:

De jonge Canadese planoloog Mitchell Reardon ontmoette ik eerst in Wenen, later in Wuhan, China. Vorige week maakte hij zijn opwachting in Amsterdam. Ik kreeg van hem een exemplaar van Lapham’s Quarterly van eind vorig jaar cadeau. Het nummer gaat over steden. Lewis Lapham zelf schreef het voorwoord, ‘City Light’. Het hele nummer staat vol met fragmenten uit de wereldliteratuur over steden, stuk voor stuk schitterend. Ergens achterin bleef ik steken. Het gaat om een interview met George Gershwin uit 1931. Gershwin: “Rhapsody in Blue, you see, began as a purpose, not a plan. I worked out a few themes, but just at this time I had to appear in Boston for the premiere of Sweet Little Devil. It was on the train, with its steely rhymths, its rattlety bang that is often so stimulating to a composer (I frequently hear music in the heart of noise), that I suddenly heard – even saw on paper – the complete construction of the Rhapsody, from beginning to end.” Gershwin was destijds amper 25 jaar oud. “By the time I reached Boston I had a definite plot of the piece, as distinguished from its actual substance.” Het later zo beroemd geworden stuk noemt hij een muzikaal kaleidoscoop “of our metropolitan madness.”

Zelf heb ik de pianoversie van de Rhapsody, gespeeld door Alicia Zizzo. Wat ik niet wist is dat zij de originele partituur uit de archieven opdook en dat wat lange tijd was gespeeld, gebaseerd was het tweede pianodeel van de orkestbewerking en dat daarbij liefst vijftig ingrepen waren gedaan, waardoor er weinig meer over was van het origineel. “The impact was enormous,” schreef Edward Jablonski in 1995. “Future generations were to play the Rhapsody in Blue in the style of the movies of the 1940’s when in fact it was written in the era of Rudolf Valentino and the silent cinema and Vaudeville!” Zelfs Gershwin werd het te gortig. Nog in 1933 kondigde hij aan naar zijn muziekuitgever te zullen stappen om de vele fouten recht te laten zetten, maar zijn vroegtijdige dood verhinderde hem dit te doen. Zizzo speelt uiteindelijk het origineel, zich daarbij baserend op het manuscript van Ferde Grofé, die het ooit voor orkest bewerkte. “Grofé respected Gershwin’s original manuscript completely, leaving the piano part totally intact.” Verdraaid! Ik hoor inderdaad de trein naar Boston! Boston, here we come!

Tagged with:
 

Ralph Flanders

On 22 september 2011, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Cities and the Wealth of Nations’ (1984) van Jane Jacobs:

Terug naar Boston. Nogmaals de vraag: waardoor presteert Boston, Massachusetts, in economisch opzicht zoveel beter dan het even grote Amsterdam? Eerder meldde ik dat Ed Glaeser in zijn magistrale ‘Triumph of the City’ de aanwezigheid, van oudsher, van universiteiten en kennisinstellingen in Boston verklaarde uit de studie van de bijbel door de protestantse kolonisten. Zo ontwikkelde zich aan de kust van Massachusetts een traditie van leren, studeren en investeren in menselijk kapitaal. De afwezigheid van grondstoffen en de gelijkenis van de producten die de stad maakte met die welke het moederland produceerde, hielpen mee in deze langjarige stedelijke oriëntatie. Glaeser stelt vast dat Boston in de twintigste eeuw wegkwijnde toen de industrialisatie niet om kennis bleek te vragen, maar om grondstoffen, transport en goedkope arbeidskrachten. Sinds kennis, talent en innovatie wèl weer bepalend zijn voor economisch succes, kan Boston’s economie vanaf de jaren zeventig weer groeien. Wat heet, Boston doet het op dit moment tien keer beter dan Amsterdam.

Jane Jacobs schrijft de opleving van Boston toe aan de persoon van Ralph Flanders. In ‘Cities and the Wealth of Nations’ gebruikt de Amerikaanse urbaniste de figuur van Flanders om duidelijk te maken hoe belangrijk het is om voor een stad de juiste diagnose te stellen. Alle diagnoses voor de ziekte van Boston waren destijds verkeerd geweest. Ralph Flanders echter wist het wèl: Boston kwijnde weg omdat de stad te weinig kleine bedrijfjes voortbracht. Er was weliswaar veel talent in de stad, maar de afgestudeerden gingen allemaal werken bij Du Pont en Eastman Kodak. Flanders overtuigde een aantal gefortuneerde stedelingen ervan om een fonds te vormen waaruit kleine bedrijfjes in Boston startkapitaal konden lenen. De eerste venture capitalists deden zo hun intrede. Flanders deed wat elke stad tegenwoordig zou moeten doen: eigen talent vasthouden en met kleine leningen op weg helpen. ”Upon this base, upon its many subsequent ramifications and breakaways, and upon the multiplying suppliers of materials, instruments, tools and services that served the new enterprises and thus were supported by them and by one another, the Boston regional economy was stunningly rejuvenated.” Dus wat Amsterdam zou moeten doen? Afstappen van alle gateway-verhalen, daarentegen investeren in het opkweken van heel veel nieuwe, kleine, lokale bedrijfjes.

Tagged with:
 

It’s the bible, stupid!

On 20 september 2011, in economie, onderwijs, by Zef Hemel

Gelezen in ‘Triumph of the City’ (2011) van Ed Glaeser:

Waarom presteert Boston, Massachusetts, in economisch opzicht zoveel beter dan het even grote Amsterdam? Een antwoord begint met de vaststelling dat dat niet altijd zo is geweest. Ook Boston kende zijn magere jaren. In de jaren zeventig van de vorige eeuw bijvoorbeeld stond Boston er economisch beroerd voor; de stad leek tot stilstand gekomen. Maar dat gold toentertijd ook voor Amsterdam, dat letterlijk al zijn inwoners naar de provincie doorverwees en niet meer geïnteresseerd leek in economische groei. Kennelijk hebben beide steden zichzelf daarna opnieuw uitgevonden. Boston deed en doet dat beter dan Amsterdam. Dus wàt doet Boston dan zoveel beter dan de Nederlandse hoofdstad?

De econoom Ed Glaeser wijdt in zijn nieuwste boek ‘Triumph of the City’ een paragraaf aan het economische wonder Boston. In het hoofdstuk ‘How do cities succeed’ behandelt hij achtereenvolgens Boston, Minneapolis en Milaan als voorbeelden van ‘smart cities’. Hij begint zijn betoog met een relativering. Steden, stelt hij, kunnen hun eigen economie maar ten dele beïnvloeden, de dominante economische politiek wordt immers door regeringen bepaald. Datzelfde geldt voor het onderwijs. Ook daarover beslissen tegenwoordig regeringen, niet steden. Verder speelt toeval altijd een grote rol. Het belangrijkste zijn echter de opeenvolgingen van beslissingen door de tijd heen die het lot van steden bepalen. Bij Boston begint dat al in de zeventiende eeuw, ten tijde van de stadstichting. De protestantse kolonisten onder leiding van John Winthrop hadden weinig goederen of grondstoffen om te exporteren. Maar ze hadden wel de bijbel. Hun bijbelstudie ligt aan de basis van vele scholen en universiteiten die in Boston werden gesticht: er was geld en er waren boeken voor de Latijnse school, opgericht in 1635, voor Boston college ingesteld het jaar daarop, voor de school van John Harvard, een Puriteinse dominee uit Cambridge. De kleine staat Massachusetts bleek al snel een federatie van parochies waar mensen intensief lazen en studeerden, “possibly the most literate society then existing in the world.” Die gerichtheid op onderwijs, op menselijk kapitaal, op studie in plaats van goederen of handel, heeft daarna de stadsontwikkeling bepaald. Toen infrastructuur en transport in de industriële tijd uitmaakten of steden groeiden of niet, kwam Boston tot stilstand. Maar toen vanaf de jaren zeventig kennis en menselijk talent aan betekenis wonnen, won ook Boston weer aan kracht. Amsterdam daarentegen bleef steken in transport en logistiek, de Nederlandse regering vatte niet de grote betekenis van kennis en talent in de zich ontvouwende eenentwintigste eeuw. Eeuwig zonde.

Tagged with: